Reactie op brief inzake standpunt projectgroep Terugdringing drugsgebruik
Aan het College van B&W van de gemeente
Edam-Volendam
Postbus 180
1130 AD Volendam
C.c.: gemeenteraad
Betreft: Reactie op brief inzake standpunt projectgroep Terugdringing drugsgebruik
Uw brief van 15 april,
kenmerk KAB/DH/mo 04.10676
Volendam, 16 april 2004
Geacht College,
Naar aanleiding van uw bovengenoemde brief deel ik u het volgende mede.
In uw brief geeft u een reactie op de brief die de projectgroep op 30 maart jl. aan de raad heeft gezonden en die is uitgereikt in de commissie Inwonerszaken. U stelt dat niet alle leden van de projectgroep de brief kenden voordat deze werd uitgereikt in de genoemde commissie. U acht dat ongewenst. Naar aanleiding daarvan merk ik op dat alleen de ambtelijke leden van de projectgroep de brief niet op voorhand is toegezonden. Maar de namen van die leden zult u vergeefs zoeken onder de brief. Zij behoren namelijk niet tot de ondertekenaars.
Overigens wijs ik erop dat de brief was gebaseerd op een aanzet van de ambtelijke leden, zodat zij wel degelijk bekend waren met de inhoud van de brief. Daarbij behelsde de brief een bijna woordelijke weergave van de zorgen van de projectgroep zoals die tijdens de laatste vergadering van de projectgroep zijn geïnventariseerd. Die zorgen zijn ook terug te vinden in de notulen van deze vergadering die alle leden van de projectgroep hebben ontvangen.
Verder stelt u de vraag of de visie die in de brief als standpunt van de projectgroep wordt geuit, wordt gedeeld door de organisaties of besturen die door de leden vertegenwoordigd worden. Het is mij bekend dat leden van uw College deel uitmaken van het dagelijks bestuur van enkele organisaties die in de projectgroep vertegenwoordigd zijn. Uw vraag wekt daarom de suggestie dat u de vertegenwoordigers van die organisaties zou hebben teruggefloten als zij hun bestuur – en daarmee uw College - mandaat hadden gevraagd voor het innemen van een u onwelgevallig standpunt. Dat nu acht ik ongewenst. Als u een projectgroep instelt dan moet u die groep ook de ruimte laten om naar eer en geweten een gezamenlijk standpunt in te nemen.
Gelet op uw vraag naar het mandaat van de projectgroepleden, maak ik mij zorgen dat een aantal leden zich niet vrij kan weten een eigen standpunt te bepalen naar aanleiding van uw brief. Deze zorgen zijn mede ingegeven door het feit dat ook de ambtelijk voorzitter van de projectgroep zich genoodzaakt heeft gezien zich van de projectgroep te distantiëren.
Teneinde andere leden van de projectgroep niet te compromitteren, heb ik besloten in eerste instantie op persoonlijke titel te reageren op uw brief. Op een later moment kunt u dan een reactie tegemoet zien van de projectgroep, althans de leden van de projectgroep die zich vrij kunnen uitspreken. Uiteraard zal ik bij de beantwoording van uw brief zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het standpunt van de projectgroep, zoals dat is terug te lezen in de brief van de projectgroep en de notulen van haar laatste vergadering. Daartoe heb ik deze brief ook voor commentaar voorgelegd aan de andere leden van de projectgroep. Dit commentaar is in de brief verwerkt zonder dat de leden is gevraagd dat commentaar terug te koppelen naar hun besturen of zich aan deze brief te committeren. Hierdoor kon zeker worden gesteld dat de raad vóór zijn vergadering van 22 april a.s. over een reactie op uw brief kan beschikken waarin het gevoelen van de projectgroep tot uitdrukking komt.
Zoals de raad nog zal kunnen vaststellen, zijn de zorgen van de projectgroep identiek aan de zijne. Zoals bleek tijdens de vergadering van de commissie Inwonerszaken op 30 maart jl., maakt ook de meerderheid van de raad zich zorgen over het ontbreken van een vast bestuurlijk aanspreekpunt voor de uitvoering van het plan van aanpak. Uw besluit geen stuurgroep in te stellen, is niet aan de orde geweest in de commissie Inwonerszaken, maar ik maak mij sterk dat de projectgroep en de raad ook op dit punt niet van mening zullen verschillen. Ook de raad zal het van cruciale betekenis achten dat de ketenaanpak die de projectgroep voorstelt, goed uit de verf zal kunnen komen. En die ketenaanpak veronderstelt een nauwe afstemming tussen de gemeente, de maatschappelijke instellingen en de bedrijven die het plan van aanpak moeten uitvoeren: een keten is immers zo sterk als zijn zwakste schakel. En hierbij komt dat cruciale delen van het plan van aanpak – zoals repressie en de rol van de horeca en het bedrijfsleven – nog helemaal moeten worden uitgewerkt.
Volgens het IVO-rapport is het gebruik van hard drugs overal aanwezig in het Volendamse uitgaansleven. Behalve in het uitgaansleven vindt gebruik ook plaats op straat en thuis (voor- en nazitjes). Het gebruik vindt bovendien vrij openlijk plaats en de acceptatie van het gebruik is groot onder jongeren, ook van degenen die niet gebruiken (zie blz. 12 en 13 van het rapport). Gezien deze vergaande “normalisering” van het gebruik van hard drugs in onze gemeenschap, zal het een enorme krachtsinspanning vergen om een (cultuur)omslag te bewerkstelligen. En die inspanning zal, gezien de noodzakelijke ketenaanpak, in gezamenlijkheid en op basis van onderlinge samenwerking geleverd moeten worden door de organisaties die vertegenwoordigd zijn in de projectgroep. Het is dan toch merkwaardig te noemen dat uw College geen aanleiding ziet voor instelling van een stuurgroep waarin die gezamenlijkheid en samenwerking tot hun recht kunnen komen. Het is zo evident dat dit effect niet zal kunnen uitgaan van de ambtelijke werkgroep die u wilt instellen, dat ik mij niet kan voorstellen dat de raad hier anders over zal denken.
Gezien de eenstemmigheid die ook op dit punt tussen raad en projectgroep mag worden verwacht, wekt het bevreemding dat u de projectgroep primair aanspreekt op vormen – de totstandkoming en representativiteit van het standpunt van de projectgroep - en niet op inhoud. En voor zover u wel inhoudelijk reageert, geeft u blijk van een onjuiste interpretatie van het voorstel van de projectgroep. Zo is het helemaal niet de intentie van de projectgroep een in te stellen stuurgroep een toezichthoudende functie te geven. Zoals hierboven al is vermeld gaat het er uitsluitend om over een gremium te kunnen beschikken waarin de beoogde ketenaanpak en de daartoe benodigde afstemming en samenwerking optimaal gestalte kunnen krijgen. En dat gremium behoeft een gezaghebbende voorzitter die samenhang en integraliteit kan aanbrengen in de uitvoering van het plan van aanpak en die de raad en raadscommissies – na afstemming met de betrokken portefeuillehouders - volledig kan informeren over de voortgang van de uitvoering.
In het gemeentelijk bestel is de burgemeester de meest geëigende figuur voor deze voorzittersrol. Als de burgemeester of een ander lid van uw College zich onverhoopt niet bereid mocht tonen deze rol op te pakken, kan een extern voorzitter worden aangewezen maar deze zal dan wel in staat moeten worden gesteld de raad(scommissies) adequaat te informeren, waarbij de verantwoording uitdrukkelijk aan uw College wordt overgelaten.
Naar aanleiding van uw opmerking dat het niet past in de positie van de burgemeester, als beschreven in de gemeentewet, om politiek gevoelige portefeuilles te beheren, merk ik op dat het politiek gevoelige karakter van een portefeuille er juist voor kan pleiten die portefeuille wél bij de burgemeester te leggen. De burgemeester staat immers boven de partijen, hetgeen een belangrijke succesfactor kan vormen bij de uitvoering van het plan van aanpak. En het grote belang dat voor de Edam-Volendamse gemeenschap gemoeid is met een effectieve aanpak van de drugsproblematiek, vormt nog eens een extra rechtvaardiging voor een sturende rol van de voorzitter van uw College.
Binnen de projectgroep bestaat een gedeeld gevoel van somberheid over de wijze waarop u de uitvoering van het plan van aanpak van de projectgroep wilt organiseren. Het algemene gevoelen is dat al het werk van de projectgroep dan voor niets zal zijn geweest en dat – veel erger nog – de drugsproblematiek in onze gemeente volledig zal kunnen escaleren. In het belang van de vele dorpsgenoten die dan de dupe zullen worden, wil ik daarom afsluitend de hoop uitspreken dat u en de raad alsnog zullen opteren voor een zodanige politiek-bestuurlijke organisatie van de uitvoering van het plan van aanpak dat dit plan een reële kans van slagen zal krijgen.
Met vriendelijke groet en hoogachting,
Mr.drs. N.M. Bond,
directeur CRN Het Anker