Naar de inhoud

Everest van Dandelion indrukwekkend (video's)

Bron: Marcel Tuyp

dandelion-everest

Tussen 1966 en 1973  ̶  toen popmuziek een volwassen kunstvorm werd  ̶  verschenen de meeste klassieke popalbums. De top 10 van Rolling Stone’s The 500 Greatest Albums Of All Time (2003) bevat met London Calling (1979) van The Clash slechts één uitzondering op deze regel. Klassiek is hetgeen blijvend vormend is. Dandelion steekt niet onder stoelen of banken dat deze regel misschien nog sterker voor hen geldt. Ze kennen hun klassiekers, en ook dat is op Everest goed te horen. The Jayhawks  ̶  hun vorige week verschenen, sterke Paging Mr. Proust staat, net als Dandelions Everest, bol van de literaire verwijzingen  ̶  zijn er met hun alternatieve country-rock groot mee geworden.

Dandelion werd eerder dit jaar dan ook eervol uitgenodigd voor de viering in het Concertgebouw (!) van de vijftigste verjaardag van Pet Sounds (1966); het Beach Boys album dat in voornoemde top 10 op 2 staat. Everest was ook de werktitel van Abbey Road (1969)  ̶  no. 14 in voornoemde RS-lijst  ̶ , het fameuze testament van The Beatles. Volgens liefhebbers zoals Piet Veerman hun mooiste album, zeker het werk waarop de meeste driestemmige koortjes prijken; iets waar Dandelion (net als The Cats vroeger) in excelleren. En uiteraard verwijst de titel Everest naar de ongetwijfeld grote inspanning die het bedwingen van deze ijle piek in onze cultuurvijandelijke tijden moet hebben gekost. Als linkse hobby.

Hier staat inhoud van YouTube.

Als je die laadt, ziet YouTube je IP-adres en kan die partij koekjes op je apparaat plaatsen. Wij hebben daar geen zeggenschap over.

De literaire inspiratiebronnen voor tekstschrijver en Engels letterkundige Paul Bond (zie p. 2 van de liner notes (CD-boekje)) zijn achtereenvolgens: de Ierse prozaschrijver James Joyce (1882-1941), de Engelse dichter T.S. Eliot (1888-1965), de Amerikaanse dichter Ezra Pound (1885-1972), een zekere W.S. (waarschijnlijk dramaturg en dichter William Shakespeare aka The Bard (1564-1616)), de Ierse dichter Seamus Heaney (1939-2013) en last but not least postmodernist avant la lettre en Iers prozaschrijver Laurence Sterne (1713-1768). Daarmee zou je Bonds smaak klassiek-modernistisch (en vrij katholiek trouwens) kunnen noemen. Tijdens een akoestisch duo-optreden in de Volendammer Visafslag met broer Frank leidde Paul Bond een liedje over Ezra Pound in door iets te vertellen over zijn afstudeerscriptie die ook over hem ging.

Pound was een intrigerende, kakelbonte en dwarse paradijsvogel die wat ongelukkige politieke keuzes maakte, maar wat betreft zijn literaire kwaliteiten onomstreden is, en die goed zorgde voor schrijvende vrienden in nood waaronder dus ook voornoemde James Joyce en T.S. Eliot. Het volgende citaat van Pound is op zijn laatst afkomstig uit 1937: ‘For a practical contact with all past poetry that was actually sung in its own day, I suggested that each dozen universities combine in employing a couple of singers who understand the meaning of words […] A half a dozen hours spent in listening to the lyrics actually performed would give the student more knowledge […] than a year’s work in philology (taalkunde gericht op dode talen, MT)’. Pound zou Dylan, als hij zijn werk had gekend, zeker op waarde hebben geschat.

Hier staat inhoud van YouTube.

Als je die laadt, ziet YouTube je IP-adres en kan die partij koekjes op je apparaat plaatsen. Wij hebben daar geen zeggenschap over.

Deze door Dandelion gekozen combinatie, klassieke popmuziek en literatuur, is niet alleen logisch maar ook goed gekozen. De popmuziek uit betreffende periode (1966 – 1973) putte immers inspiratie uit die zogenoemde hogere cultuur, denk aan de klassieke muziek (prog-rock, bijv. Pink Floyd, Yes en Genesis) en de beeldende kunst (pop-art, bijv. The Velvet Underground, The Who en Roxy Music). En inderdaad, het startschot van dit alles was dus het voornoemde Pet Sounds van The Beach Boys. Het vormen kortom wat coördinaten waarbinnen Dandelion met haar debuutalbum Everest positie heeft gekozen.

De vragen die dienen te worden gesteld is of dit alles iets prikkelends oplevert, en of Paul Bond ons iets te vertellen heeft. Mijn antwoord op deze laatste vraag luidt in ieder geval alvast direct bevestigend. Het kost mij nog wel een paar luistersessies voordat de volle rijkdom van Bonds teksten tot mij zal zijn doorgedrongen. Zo worstel ik nog altijd met het intrigerende Proteus. Als de geweldadige ik-figuur uit het eerste couplet Proteus (de van gedaante wisselende Old man of the Sea uit Homerus’ Odysseus) is, wie zijn dan de hij en jou uit het derde couplet, en wat is de aard van hun relatie?

Figuurlijk gesproken tracht dichter Paul Bond  ̶  naar mijn gevoel in mindere mate dan zijn wat hermetischer dichtende broer Frank Bond van AlascA  ̶  zijn boodschap een bredere zeggingskracht mee te geven door deze met spiegels en rookgordijnen wat te versluieren. Daardoor kost het iets meer moeite om te achterhalen wat een songtekst zou kunnen betekenen. Als luisteraar krijg je zo wel een actieve rol. En dan doet de tekst  ̶  die bijeen wordt gehouden door de daarin centraal staande emotie  ̶  zijn werk dus al. T.S. Eliot:´Genuine poetry can communicate before it is understood´. De goede vraag is niet wat de tekstschrijver bedoelt te zeggen, maar wat het liedje op dat punt beoogt.

Mede uit de liner notes (laatste pagina) valt af te leiden dat het sterke Fall And Cease over een adolescent gaat die problemen heeft met het vinden van plaats in tijd en wereld, en dit liedje heeft daarmee, gezien ook Allard Deterigs documentaire Het andere geluid uit Volendam (2015), wel overduidelijke autobiografische trekjes. De in verschillende liedjes toegepaste perspectiefwisselingen zorgen voor een vervreemdend effect en vergroten daarmee de poëtische kracht. We mogen volgens de tekst de hoofdpersoon in het schitterende Year of ’51 niet vragen wat er in dat betreffende jaar is gebeurd maar dan vraag ik het Paul Bond zelf wel een keer.

Let hier ook op die lyrische slide-gitaar van gastmuzikant en broer Frank Bond  ̶  misschien wel de mooiste gitaarpartij op het album, al schittert vaste gitarist Koen Kluessien, die de rockende solopartijen verzorgt, niet minder (zie ook hierna)  ̶  die broer Paul, de zittende gastpianist, tijdens de promotietoer van AlascA’s Prospero, aan een volle hoofdzaal in Paradiso (13 december 2015) voorstelde als iemand die de afgelopen jaren druk doende was geweest de balletwereld van nieuwe impulsen te voorzien. Van enige relativering kan een heilzame werking uitgaan. Maar Paulus,‘that spoiled little brat’, was dus tevens aan het componeren geslagen. Een opvallende zin uit de gezellig aandoende, op een driekwartsmaat gefundeerde, albumopener A Minute Full Of Laughter, geschreven vanuit het vertelperspectief van een krantenlezende cynische consument: ‘President Nixon wrote a letter to Calley that read ‘I love you more than my son, don’t you forget.’’ Calley was een als oorlogsmisdadiger veroordeelde Vietnam-veteraan. Voornoemde zin doet mij denken aan het door Young geschreven Ohio (1970) van Crosby, Stills, Nash & Young waar deze president  ̶  die geen oplichter was  ̶  ook wordt genoemd. Eindelijk weer eens maatschappijkritiese popmuziek! Wie weet zit er in Trump (aka The Donald) wel een heel conceptalbum! Dat doorzichtige edoch verraderlijke neo-liberale ‘het leven is een feest maar je moet wel zelf de slingers ophangen’ zal toch wel eens een keer uitgewerkt raken?

Met een verwijzing een hele wereld binnenhalen was een techniek die T.S. Eliot op innovatieve wijze toepaste in zijn gedicht The Waste Land (1922), waar The Who met hun ‘Teenage Wasteland’ (Baba O’Riley van Who’s Next (1971)) op hun beurt weer aan refereerden. Paul Bond gebruikt betreffende techniek ook. Zo sluit Everest af met het sublieme Finnegans Wake  ̶  Finnegans ontwaken of Finnegans dodenwake, een verwijzing naar een gelijknamig Iers volksliedje  ̶ , de laatste, experimentele roman van James Joyce (J.J. voor intimi). Het lied roept bij mij het besef en de daarbij horende emotie op dat alles in dit leven van tijdelijke aard is maar dat liefde voor eeuwig is: ‘The colours of a sail smooth on ocean tides / whither through the endless thicking times’ en ‘Sunlight will fall on the remaining edge of day / I love you, my only love, my mainstay’.

Hun samenzang is absoluut onderscheidend. Paul Bond verzorgt meestal de laagste stem en drummer Wouter Tol en bassist Joey Karregat  ̶  mag zoals in Year of ’51 met een basloopje en aan het einde van Antwerp Blue als tweede stem best vaker op de voorgrond  ̶  vullen afwisselend de daarboven liggende, meanderende melodielijnen in. De Westcoast smaak (Beach Boys, C, S, N & Y) van Dandelion is trouwens typisch Volendams, en dat valt deels ook terug te voeren op Cees Veerman, de naamgever van The Cats. De samenzang van Dandelion is ook geïnspireerd door de ongeschoolde close-harmony van The Beach Boys en Crosby, Stills & Nash. Ook de samenzang in het ontroerende en liefdevolle Call Me A Stranger is met zijn ‘C, S & N rond-het-kampvuur-sfeertje’ van grote schoonheid: ‘Call me a stranger and ask me to make you call her back again’.

Een belangrijk verschil met C, S, N & Y is dat deze alle vier composities aandroegen. Hoewel ze met zijn vieren over twee melodie-instrumenten beschikken, klinken de composities van pianist Paul Bond logischerwijs piano-gedreven. Let bijvoorbeeld op die aanstekelijke hook, dat pianoloopje in Aniuvak. Vergelijkt de in een sneeuwjacht vertrekkende hoofdpersoon zich in zijn eenzaamheid hier met een poolhond? De rock die de sound ook hier minder gepolijst laat klinken, komt zoals gezegd voornamelijk uit de elektrische gitaar van Koen Kluessien (o.a. Aniuvak, Antwerp Blue en Proteus), een zeer effectief contrapunt bij de stem en de piano van Paul Bond alsmede hun samenzang. Zo vervult Kluessien (samen met de Frank Bonds mondharmonica bijvoorbeeld in Bellowing Chimes) de rol van buitenbeentje Neil Young, welke ter verklaring van zijn nukkige gedrag eens snedig opmerkte dat hij het enige lid van C, S, N & Y was dat niet ook deel uitmaakte van C, S & N. Vandaar.

En ik word toch al emotioneel van Crazy Horse-achtige gitaarsolo’s. De eerste keer dat ik Dandelion live zag en hoorde was toen ze het Don Bosco Got Talent 2012  ̶  waar ze trouwens aftrapten met een adembenemende a capella versie van het door Stills geschreven Helplessly Hoping (1969) van Crosby, Stills & Nash  ̶  afsloten met een uitgesponnen nummer dat eindigde in een in feedback gedrenkte live-jam. Als je zo gitaar kunt spelen raak je je woede wel kwijt. Bellowing Chimes bevat een fraai muzikaal duet van de twee broers, mondharmonica (Frank Bond à la Neil Young) en orgel (Paul Bond à la Garth Hudson, de organist van The Band). River Men vormt met zijn afwijkende pianogedreven ritme en tempowisselingen een onverholen eerbetoon aan Rick Manuel (1943-1986), de op tragische wijze overleden pianist van The Band. Heel mooi.

Het feilloze Everest zit over de gehele linie muzikaal goed in elkaar en bevat geen uitglijders. Tijdens een gedroomd nazitje met hen / hun / de de revu gepasseerde muzikale helden zouden ze er geen slecht figuur mee slaan. Puntgave productie ook van Frank Bond en smaakvol art-work van Douwe Dijkstra. De liefde voor het eindproduct en het maakplezier spatten er aan alle kanten vanaf. Zo klinken jonge honden. Met het tweede album kan dan wel wat meer het muzikale avontuur  ̶  toch ook het kenmerk van de onovertroffen kant B van Abbey Road  ̶  worden gekozen. De serieuze (Volendamse) muziekliefhebber, voor wie AlascA misschien wat te experimenteel klinkt, wordt met Everest van Dandelion op zijn wenken bediend. Zolang Volendam dit voortbrengt, mogen wij niet wanhopen. Waar ik als kind letterlijk de pluisjes van de paardenbloem blies doe ik dat nu figuurlijk; wie weet waar ze terechtkomen? ‘We know what we are, but know not what we may be’ (W.S.)

Marcel Tuyp

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.