Deel II DOSSIER SKOV
Enkele tijdens het eerste jaar van uitvoerend SKOV-bestuurder Margareth Runderkamp spelende kwesties […]
Heeft het koepelmodel de voorkeur van de SKOV?
Hoewel dit tweede deel oorspronkelijk het laatste deel zou zijn, volgt vanwege de openbaarmaking (12 september jl.) van het Koersplan Primair Onderwijs 2020 (hierna: Koersplan) volgende week nog een derde deel. In het eerste deel had ik het over het feit dat Runderkamp niet wilde uitleggen waarom zij de functie Hoofd Stafbureau wil afschaffen.
In een artikel in de NIVO d.d. 29 augustus jl. wordt Runderkamp omschreven als directeur van scholenkoepel SKOV. Van wie komt de term ‘scholenkoepel’? Wil zij het organisatiemodel van haar vorige werkgever (Stichting Confessioneel Primair Onderwijs Waterland (CPOW) te Purmerend) bij de SKOV introduceren? Ook het in de volgende paragraaf besproken voornemen van Tjalsma om schooldirecteuren zelf te laten beslissen of zij gebruik willen maken van een gespecialiseerde muziekdocent lijkt in het verlengde van de visie te liggen dat alle scholen zo zelfstandig mogelijk dienen te zijn. Dat scholen een grotere zelfstandigheid krijgen lijkt een goede zaak.
Maar CPOW bestuurt basisscholen van verschillende christelijke denominaties en verdeeld over zes onderling (ook qua grootte) sterk verschillende gemeenten. Houden Runderkamp (en Tjalsma) er wel voldoende rekening mee dat de SKOV-basisscholen onderling hoogstwaarschijnlijk homogener zijn, waardoor schaalvoordelen eerder bereikbaar zijn en het dus sneller voordelig is om sommige zaken (bijv. zowel ICT-onderwijs, muziekonderwijs als gymnastiek) centraal in te kopen om zo een hoger, gespecialiseerder onderwijsniveau te bereiken?
En moeten directeuren van basisscholen zich niet vooral bezighouden met de kwaliteit van het onderwijs (bijv. een snellere implementatie van het kindgerichte onderwijs) in plaats van gepuzzel met begrotingen? Runderkamp herhaalde in dit verband slechts dat er nog niets zeker is. Einde subsidie impuls muziekonderwijs: einde doorlopende leerlijn onderbouw basisschool?
Terug naar de aanleiding voor dit artikel: het voornemen van bovenschools manager Tjalsma om schooldirecteuren vanaf schooljaar 2019/2020 zelf te laten beslissen of zij een gespecialiseerde muziekdocent willen inhuren.
We gaan even terug. Hans van Rooijen, uitvoerend bestuurder tot 1 november 2017, reageerde op de open brief waarmee ik mijn correspondentie met de SKOV inzake het ontbreken van muziek als eindexamenvak op het Don Bosco College in de NIVO van 23 december 2015 (zie ev-opinie.nl) besloot, dat de SKOV daarentegen wel breed inzette op muziekonderwijs in het basisonderwijs en dat dit ook verder uitgebreid zou worden. In zijn onder mijn artikel geplaatste reactie doet Van Rooijen het voorkomen alsof het bestuur noodgedwongen voor de keuze óf muziekonderwijs binnen het Primaire Onderwijs óf muziekonderwijs binnen het Voortgezet Onderwijs staat. Dat dit zelf opgelegd is en bovendien lastig te verdedigen valt, komt hierna nog aan de orde.
Terug naar het heden. Mij viel die op één na laatste zin (onderstreept) in de afsluitende passage van het NIVO-artikel ‘Muzieklessen op school afgesloten met vier voorstellingen van de ‘De Vuilnisboot” in PX’ (zie NIVO 27 juni 2018, p. 13) op:
‘De kindermusical “De Vuilnisboot” is mede mogelijk gemaakt door de muziekimpulsregeling. Hierdoor zijn juf Marjan Molenaar en juf Linda Bond aangesteld om de muzieklessen op de basisscholen te verzorgen, zodat de doorgaande leerlijn muziek gerealiseerd is op alle basisscholen in Volendam. Deze regeling was voor een periode van drie jaar waarvan er nu twee zijn verstreken. Natuurlijk hopen de twee muziekdocenten en de scholen dat de muzieklessen in het basisonderwijs behouden blijven. Net als vorig jaar konden door deze regeling ook weer de prachtige eindvoorstellingen gegeven worden in de PX.’
Wat hier staat is feitelijk onjuist. Muziekonderwijs door een daarin gespecialiseerde docent bestond al voor dat gebruik werd gemaakt van de subsidieregeling impuls muziekonderwijs. Marjan Molenaar gaf al les in groep vijf t/m zeven. Vanaf schooljaar 2015/2016 is Linda Bond er met behulp van voornoemde subsidie impuls muziekonderwijs voor de onderbouwgroepen (groep nul t/m vier) bij gekomen. Ook sinds schooljaar 2015/2016 krijgt groep acht met behulp van de subsidie van de gemeente Edam-Volendam les van docenten van Muziekschool Waterland.
Daarmee bestaat er in het basisonderwijs nu een doorgaande leerlijn. Het wegvallen van de subsidie impuls muziekonderwijs betekent dat het continuering van de doorgaande muziekleerlijn in het basisonderwijs vanaf schooljaar 2019/2020 de komende drie jaar € 70.000 per jaar extra zal kosten voor de SKOV. De SKOV heeft namelijk nog niet voldaan aan de aan de subsidieregeling impuls muziekonderwijs verbonden voorwaarde om hetzelfde bedrag te investeren dat zij uit hoofde van deze regeling heeft ontvangen, te weten circa € 210.000). De kosten van de eerste muziekdocente waren namelijk al voor de toekenning van betreffende subsidie structureel opgenomen in de begroting van het bestuur.
Maar nu blijkt de SKOV vanaf schooljaar 2019/2020 toch de functies van beiden gespecialiseerde bovenschoolse muziekdocenten ter discussie te willen stellen. Bovenschools manager Tjalsma lijkt te willen dat directeuren vanaf schooljaar 2019/2020 zelf bepalen of zij een gespecialiseerde muziekdocent willen inhuren. Maar omdat de SKOV nog niet aan de voorwaarde heeft voldaan is dat de eerste drie jaar feitelijk dus niet eens aan de orde. En levert dit voornemen geen strijd op met eerste kolom zevende punt van dit Koersplan?
Door dit plan van Tjalsma neemt immers het risico toe dat het niveau van het muziekonderwijs op de basisschool juist omlaag gaat. En waarom wel bovenschoolse ICT-docenten en volgens Tjalsma’s planning ook bovenschoolse gymnastiekdocenten, maar geen bovenschoolse muziekdocenten die toch al binnen de organisatie aanwezig zijn? Alleen al vanuit cultureel verbindend oogpunt zou de SKOV het muziekonderwijs toch zo belangrijk kunnen vinden dat zij de directeuren deze keuze en zorg uit handen neemt? Begrijpt Tjalsma al in voldoende mate welke rol muziek speelt binnen de Volendamse gemeenschap? Bij de laatste inspectieronde langs alle basisscholen is juist gememoreerd dat dit muziekonderwijs nou net voor een stukje “excellent onderwijs” kan zorgen.
Waarom zou de SKOV het risico nemen dat directeuren zich om oneigenlijke (lees: budgettaire) redenen gedwongen voelen om op deze gespecialiseerde muziekdocenten te besparen? Is dat eerlijk jegens de kinderen op zo’n school? Zoals een directeur van een basisschool het verwoordde: ‘als ik moet kiezen tussen een remedial teacher of een gespecialiseerde muziekdocent hoef ik niet zo lang na te denken. Dan kies ik voor een remedial teacher.’ Zou de SKOV deze keuze niet juist moeten willen voorkomen in plaats van die op te leggen?
Bovendien zijn op het gebied van gymnastiek alle SKOV-docenten in het basisonderwijs sowieso al bevoegd ̶ en zelfs opgeleid door Tjalsma toen laatstgenoemde voorafgaande aan haar dienstverband bij de SKOV de opleiding gymbeoefening bij de PABO verzorgde. Wil Tjalsma als voormalig docente gymbeoefening daar uit persoonlijke voorkeur op bovenschools niveau graag iets mee doen? Werkt Tjalsma’s voorstel om de directeuren van de basisscholen zelf te laten kiezen of zij gebruik willen maken van een bovenschoolse, gespecialiseerde muziekdocent als een verkapte bezuinigingsmaatregel?
Komt deze door Tjalsma opgelegde keuze uiteindelijk weer voort uit een onnodig conservatief begrotingsbeleid? Voor hoeveel jaar moeten directeuren deze keuze maken? Hoe verhoudt deze keuzemogelijkheid zich tot de eigen begroting die de scholen straks krijgen? Is het bovendien niet verdedigbaar dat de aangesloten scholen recht hebben op hun gedeelte van de SKOV-reserve? Daarbij betekent het inhuren van extra bovenschoolse gymnastiekdocenten ook per direct een toename van de salariskosten.
Fier op onverantwoord conservatief begrotingsbeleid?
‘Het bestuur van de stichting heeft in het beleid verwoord, dat een deel van het vermogen moet worden ingezet voor verbetering van de kwaliteit van het onderwijs in ruime zin. Daarbij is tevens bepaald dat de inzet van deze middelen niet structureel mag zijn’ (jaarstukken 2017, p.37). Waarom mag de inzet van deze middelen niet structureel zijn? Is deze opvatting van de SKOV verwant aan het zuinige begrotingsbeleid dat zo kenmerkend is voor alle aan het CDA verwante instellingen in Volendam?
Uit het rapport Financieel beleid bij Onderwijsinstellingen, 29 september 2009, par. 3.4.6 Conclusies inzake vermogensbeheer: ‘Bij instellingen die al zeer solvabel zijn is er ruimte om via exploitatietekorten de solvabiliteit te verlagen, en zouden er dus meer middelen besteed kunnen worden aan het onderwijs’. Een percentage van die 27,5 miljoen (31-12-2017) (zie cijfervoorbeeld hierna) zou toch uiterst gefaseerd maar juist wel structureel kunnen worden ingezet om binnen onze gemeente de komende vijftig jaar het allerbeste muziek-, gymnastiek, sportonderwijs of welk onderwijs dan ook van Nederland te ontwikkelen? En waarom niet samen met de gemeente (denk ook aan de alternatieve culturele en sportieve activiteiten binnen Programma LEF) en het verenigingsleven naar een topsportklimaat?
En waarom moet dat ten koste gaan van een topcultuurklimaat? Beide kunnen worden beschouwd als een ultralange termijn investering (vijftig jaar) met een hoog maatschappelijk rendement en een waarschijnlijk flinke maatschappelijke restwaarde. Een hypothethische vraag: zouden Volendammer kinderen die na 2070 (dus na de investeringstermijn van vijftig jaar, de achterkleinkinderen van de schoolgaande kinderen van nu) bij de SKOV onderwijs gaan volgen dit voornemen in 2020 blokkeren wanneer zij daartoe de mogelijkheid zouden hebben?
Of zouden deze kinderen ervan uitgaan dat zij uiteindelijk ook gaan profiteren van deze langetermijninvestering in onze muziek- & sportcultuur? Via hun (over)grootouders en ouders en het gehele dorp komt het immers uiteindelijk ook bij henzelf terecht. Het financieel beleid van de SKOV (zie ook het citaat hierna) neigt naar mijn mening naar een kruideniersmentaliteit die grotendeels lijkt voort te komen uit angst, onwetendheid en een gebrek aan creativiteit. Gecorrigeerd voor inflatie levert dat vermogen op een bankrekening bijna helemaal niets op.
Investeren in onderwijs levert naast persoonlijk rendement per leerling ook maatschappelijk rendement op. Wat wanneer achteraf wordt gesteld dat dit het beste moment was om fors te investeren in ons onderwijs? Ik neem aan dat de huidige bestuurders in voorkomend geval de verantwoordelijkheid op zich zullen nemen. Hopelijk worden de werkelijke bestuursnotulen goed bewaard, al was het maar vanwege het historische belang.
Volgende week het derde en laatste deel van dit artikel.
Marcel Tuyp in de NIVO

