Vrachtvaart naar en vanuit Volendam
De groep op Volendam varende beurtschippers werd in 1873 uitgebreid met Jan Spaander die een licentie kreeg om twee maal per week met zijn botter passagiers en vracht te vervoeren vanaf Amsterdam naar Volendam. De Volendamse venters voeren met hun zeilpunters, blazers en grundels via de IJe en langs de binnenvaarten en het Noord-Hollands kanaal naar hun werkgebied dat tot Spaarndam en Alkmaar reikte. Eenmaal thuis lagen hun bootjes afgemeerd in de ringvaart langs de Edammerweg of in het Brijkje. Foto: Voor een blazer en achter een grundel die dienden als ventersboten. Links ligt ook ‘Duif z’n schuit’.
Van Jacob Mol (Jawek) is bekend dat hij rond 1900 ingeijsde en verse vis vervoerde van IJmuiden langs het Noordzeekanaal naar de Amsterdamse vismarkt aan de Gelderse kade. Hij vroeg voor het vervoer van een vrachtje vis op die route zes gulden. Hij maakte ook tochten het Noord-Hollands kanaal op. Om zoveel mogelijk van de wind te kunnen profiteren had zijn botter de Drie Zwaantjes (VD 222) een topzeil of tjek boven het grootzeil. Bij windstilte trok hij met zijn knecht vanaf de walkant de botter voort of hij maakte gebruik van paardenkracht. Dan was er verder de ventersboot.
[caption id="" align="alignright" width="400"]
Als ventersboot gebruikte zeilpunter langs het ‘voorpad’- de latere Edammerweg - in 1920.[/caption]
Nadat de venters zich in 1902 hadden georganiseerd in de St. Antoniusvereniging brachten zij in 1903 de ventersboot Fortuna (of Johanna) in de vaart, die elke dag met venters, garnalen en andere vis van Volendam naar Amsterdam voer.
Van deze boot waarvan Jaap Buys uit de Sijmen Molstraat kapitein zou zijn geweest nam de Amsterdamse koopman Jansen uit Amsterdam al spoedig de exploitatie over. Toen de boot door het snel in aantal toenemende visventers te klein werd, bracht zoon Anton Jansen in 1909 het in 1890 gebouwde grote, voormalige raderstoomschip Haringvliet in de vaart. Deze boot had een laadvermogen van 35 ton en kon 400 personen vervoeren.
[caption id="" align="alignleft" width="400"]
De vrachtvarende botter VD 222 in het Noordzeekanaal bij IJmuiden.[/caption]
In 1902 was er een nieuwe Schotse ketel in geplaatst met een stroomdruk van 7,2 atmosfeer. De tot ‘Burgemeester Calkoen’ omgedoopte boot vertrok zes dagen per week met 80 venters aan boord ’s morgens om 6 uur naar Amsterdam om ’s middags om 5 uur weer terug te keren in de haven.
In zijn boek ‘Uit het land van de visschers’ beschreef Carel Goudemond in 1913 een tocht met die boot. De Burgemeester Calkoen bleef tot 1918 in dienst om in 1922 te worden gesloopt in Hendik Ido Ambacht.
[caption id="" align="alignright" width="400"]
De derde ventersboot St. Antonius die dienst deed van 1918 tot 1930.[/caption]
In 1918 bracht Jan de Jong de nieuwe stoomboot St. Antonius in de vaart. Met een Volendamse bemanning heeft dit schip gevaren tot ongeveer 1930 toen het zijn laatste bestemming heeft gekregen bij de uitvoering van de Zuiderzeewerken. De venters maakten toen al voor een groot deel gebruik van de tram en de vrachtwagen.
