Naar de inhoud

Dossier SKOV deel VI: "Wordt kwaliteit, potentieel en innovatieve kracht SKOV-onderwijs begrensd door kwaliteit van haar bestuur?"

Bron: Marcel Tuyp

Dossier SKOV deel VI: "Wordt kwaliteit, potentieel en innovatieve kracht SKOV-onderwijs begrensd door kwaliteit van haar bestuur?"

Inzake de tweede ouderavond Koersplan SKOV Primair Onderwijs d.d. 14 mei 2019
De afsluitende plenaire sessie die m.i. ook wat ongelukkige momenten kende: + 21.20u

Aan het einde van de afsluitende plenaire sessie vroeg ik Tjalsma waarom wij tijdens deze twee bijeenkomsten niet één keer inhoudelijk op het Koersplan zelf zijn ingegaan. Ook deze vraag wilde zij niet beantwoorden. Wederom (zie Deel V) werd hier door de overige aanwezigen geen enkel protest tegen aangetekend. Zoals ik in Deel V reeds heb aangegeven, zou de afwachtende houding van de andere (basisschool)ouders en de aanwezige SKOV-medewerkers (deels) verklaard kunnen worden vanuit de Hoge Machtsafstand (zie ‘Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst’, 2REWIND 2018, p.34), die kenmerkend lijkt voor de Volendamse cultuur (die geworteld is in het Rooms-katholicisme, zie ook de ‘K’ in SKOV , net als het cultuurkenmerk (Sterke Onzekerheidsvermijding) dat centraal staat in de paragraaf hierna). Dat tijdens de door Tjalsma als Bovenschools Manager Primair Onderwijs (BMPO) geleide plenaire sessies niet een schooldirecteur zijn mond opendeed, wijst m.i. ook niet op een open cultuur. Ik vraag me ook af hoeveel invloed de leraren en schooldirecteuren zelf eigenlijk op dit Koersplan (inclusief de visie die er aan ten grondslag ligt) hebben gehad. Terwijl met name de visie die onderdeel is van dit Koersplan gemeenschappelijk (tot stand gekomen) moet zijn, want alleen dan door iedereen gedeeld wordt. Dit is in ieder geval een van de vijf disciplines van de lerende organisatie van Peter Senge (The Fifth Discipline). Wat wordt in dit verband bedoeld met de term ‘uitdaging’ in de titel van de tweede kolom van het Koersplan? Fungeert de uitdaging om een lerende organisatie te worden meer als een nastrevenswaardig, maar onbereikbaar ideaal, of toch als iets dat binnen afzienbare tijd (het komende decennium bijvoorbeeld) gerealiseerd zou kunnen worden? (zie ook vraag 2 in de laatste paragraaf van dit artikel). In de volgende paragraaf bespreek ik een ander cultuurkenmerk dat in de relatie tussen ouders en school een mogelijk nog belangrijkere of specifiekere rol speelt: Onzekerheidsvermijding (Zwak versus Sterk).

Uiteindelijk (zie ook Deel V) werd mijn incasseringsvermogen dan toch overvraagd, toen Tjalsma tijdens haar dankwoord de drie leraren die een professionele presentatie hadden gegeven tijdens haar dankwoord omschreef als ‘toppertjes’. Een Freudian slip? Voor mij werd de hiërarchische bestuurscultuur van de SKOV hiermee onbedoeld in één woord gevangen: toppertje. Het correspondeert met de Hoge Machtsafstand waarover ik het in Deel V ook al had. Ik proefde het ook in de verticale dialoog die Tjalsma met mij als ouder wilde voeren. Zoals ik in Deel V bij mijn toepassing van Eric Berne’s theorie al heb gezegd, bleef deze avond mijn kernvraag: hoe moet ik Tjalsma, die met mij consequent een verticale dialoog bleef voeren, dán duidelijk maken dat een horizontale dialoog mij passender lijkt? Uiteindelijk gaf ik het dus op. Daarom zat het venijn, net als bij de ouderavond d.d. 9 oktober 2018, weer in de staart. Eric Berne zou wellicht geconcludeerd hebben dat het Kind in mij toen namelijk nog behoorlijk stekelig op de Ouder in haar reageerde: ‘‘Mij is altijd geleerd dat het enige toegestane verkleinwoord ‘telefoontje’ is’’. Ik vroeg haar vervolgens ook of zij de term ‘toppertje’ niet wat ongelukkig gekozen vond. Dat vond ze niet. Mijn vrouw Sandra schopte onder de tafel tegen mijn (nog) ongebroken rechterbeen. Ook een mede-ouder achter mij trachtte mij weer in het gareel te krijgen. Volendammers houden niet van dissonanten. En Tjalsma maakte vervolgens dankbaar gebruik van de door de consternatie geboden ontsnappingsmogelijkheid door van onderwerp te veranderen. Zoals laatstgenoemde ouder zich ergerde aan mijn opstelling, irriteerde het mij dat deze collega-ouder mogelijk niet in de gaten had dat Tjalsma al de hele avond mijn inbreng (als ouder) stelselmatig botweg negeerde (en daarvoor aan het eind van de bijeenkomst dus steun van deze mede-ouder kreeg), en dat dit op een ouderavond een van de zwaardere middelen vormt. Na afloop van de avond heb ik dit voornoemde collega-ouder ook proberen uit te leggen. Ik weet niet of zij dit nu wel begreep. En Tjalsma heb ik die avond niet meer gesproken. Die begreep dat wel denk ik.

Nog een mogelijke, culturele verklaring: Sterke Onzekerheidsvermijding

Dat het een heikel punt blijft in hoeverre ouders inspraak opeisen en vervolgens ook kunnen hanteren, gaf ik in Deel I (19 september 2018) al aan. Volendamse ouders lijken helemaal geen inspraak te willen. Mijn analyse van de Volendamse cultuur (‘Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst’, 2REWIND december 2018, p. 41, zie ook www.lef-edvo.nl/InDePers), met behulp van het cultuurmodel van Geert Hofstede, bevat de volgende twee citaten uit zijn Allemaal Andersdenkenden (dertiende druk, oktober 2000):

‘Een verschil tussen de twee typen cultuur (Zwakke versus Sterke Onzekerheidsvermijding, MT) dat vooral optreedt op het niveau van het basis- en voortgezet onderwijs, ligt in de relatie tussen de ouders en de leraren (lees: de SKOV-leiding, MT). In culturen met een Sterke Onzekerheidsvermijding zijn ouderavonden bestemd voor voorlichting aan de ouders. Ouders zien zichzelf als leken en leraren als de deskundigen die het kunnen weten. (…) In landen met een Zwakke Onzekerheidsvermijding proberen leraren vaker om ouders te betrekken bij het leerproces van hun kinderen: zij spannen zich in om naar ideeën van ouders te luisteren, en initiatieven van de ouders zijn welkom.’ (Hofstede, p. 153). Volgens Hofstede worden rooms-katholieke culturen gekenmerkt door een Sterke Onzekerheidsvermijding: ‘de correlatie met Onzekerheidsvermijding is heel verklaarbaar, omdat de rooms-katholieke Kerk haar gelovigen een zekerheid verschaft die in de meeste protestante groepen ontbreekt.’ (Hofstede p. 168).

De situatie waarbij het SKOV-bestuur ̶ de SKOV nam in 1964 (N.B. tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie) de onderwijsactiviteiten van de plaatselijke R.K. Kerk over ̶ niet gewend is om een beroep op de kennis en ervaring van de ouders te doen, is uiteindelijk mogelijk geworteld in het feit dat het R.K-kerkleiding omtrent kerkhervormingen bij haar leden doorgaans ook geen advies inwint: Roma locuta causa finita. Volgens deze theorie zou het SKOV-bestuur ook bevreesd zijn dat advies inwinnen (of expliciet om goedkeuring vragen, zie de eerste paragraaf) bij de ouders door diezelfde ouders als een teken van zwakte zou worden gezien. Een houding die m.i. in het DNA van de SKOV zit ̶ en het spiegelbeeld daarvan in de culturele ‘software of the mind’ (term Geert Hofstede) van de Volendamse ouders. Dit lijkt mij het lerend vermogen van een school te beperken. Eddy Veerman vermeldt in zijn verslag van 14 mei jl. (zie NIVO d.d. 22 mei jl., p. 18) dat de SKOV en de aangesloten scholen zich hardop afvragen hoe zij de ouderbetrokkenheid kunnen vergroten. Zoals hiervoor aannemelijk gemaakt, raakt dit mogelijk aan een diepgeworteld cultuurkenmerk. Wanneer dit inderdaad speelt, gaan Runderkamp en Tjalsma dit cultuurkenmerk dan proberen te veranderen? Bijvoorbeeld door in het vervolg wel het goede voorbeeld te geven en eerder en vaker in overleg te treden?

Voorlopige conclusies en openstaande vragen

Vanwege de spanning tussen de hiervoor weergegeven voornemens uit het Koersplan enerzijds, en de wijze waarop Bovenschools Manager Tjalsma deze twee avonden instak anderszijds, moet ik concluderen dat de SKOV-leiding ̶ anders dan wordt beweerd ̶ nooit werkelijk de intentie heeft gehad om de ouders inhoudelijk en actief te betrekken bij het opstellen van dit Koersplan. Dat er een culturele verklaring voor de terughoudendheid (van beide kanten) bestaat (relatief Sterke Onzekerheidsvermijding), vormt hiervoor m.i. geen rechtvaardiging. Een cultuur kun je proberen te veranderen. Verder zou binnen een werkelijk lerende school dat Koersplan continu herzien en aangescherpt moeten kunnen worden. Nergens is mij uit gebleken dat dit ook de bedoeling is. Ik vind de wijze waarop dit Koersplan tot stand gekomen is een gemiste kans. Een onderwijsorganisatie die handelt alsof zij niets kan leren van ouders kan m.i. geen aanspraak maken op de ‘titel’ lerende school / organisatie.

Door deze twee voor mij hoogst onbevredigende ouderavonden inclusief het ter verwerking daarvan schrijven van dit verslag, waarin overigens ook op in dit kader relevante latere gebeurtenissen wordt gereflecteerd (NIVO-interview Runderkamp d.d. 12 juni jl.), kwamen de volgende vragen in mij op:


  1. Hoe wijdverbreid zijn bottom-up veranderingen binnen de SKOV?, in welke mate wordt de mindset die daarvoor nodig is werkelijk in woord en daad organisatiebreed van bovenaf gestimuleerd én financieel ook gefaciliteerd?

  2. Wanneer dienen de doelstellingen uit dit Koersplan te zijn gerealiseerd? (zie www.wij-leren.nl/kindgericht-onderwijs-binnen-een-lerende-school voor een maatstaf om de ‘kindgerichtheid’ (term gebruikt in bestuursnotulen SKOV d.d. 19 maart 2018) van een school tussentijds te meten. Waarom heeft Runderkamp het in het NIVO-interview d.d. 12 juni jl. nu weer over ‘kindgedreven’? Zo wordt wel op een eenvoudige manier bewerkstelligd dat de SKOV-leiding op het ontbreken van een eenvoudig meetbare vooruitgang richting kindgericht onderwijs aangesproken zou kunnen worden.

  3. Doet de SKOV-leiding (bovenschools manager en (uitvoerend) bestuur) er werkelijk alles aan (inclusief het terbeschikkingstellen van de benodigde financiële middelen) om het ware potentieel van ons onderwijs, onze kinderen en daarmee dus uiteindelijk onze gemeenschap te realiseren?

  4. Wordt de kwaliteit, het potentieel en de innovatieve kracht van het SKOV-onderwijs begrensd door de kwaliteit van haar bestuur?

  5. Is het dan niet machtsgedreven (zie ondertitel NIVO-interview Runderkamp 12 juli jl.) om het aantal toezichthoudende bestuurders van zeven naar vijf te laten afnemen (zie vacature toezichthoudende bestuurder GMR en Deel V)? ‘Besloten en te homogeen’ zei die hoogleraar (zie Deel V) toch, dan ging het toch mis?


Marcel Tuyp

P.S. Tussen de NIVO en Tjalsma is vorige week, aldus Henk Visser (NIVO), intensief telefonisch contact geweest. De NIVO wilde dit Deel VI niet plaatsen. Volgens Henk Visser bestaat er geen verband tussen beide feiten.
P.P.S. De SKOV-leiding (Runderkamp en Tjalsma) heeft de tekst voor publicatie kunnen lezen. Zij heeft richting mij niet gereageerd. Aan de eis van hoor en wederhoor is dus voldaan.

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.