Naar de inhoud

De VD27, ondergang en verrijzenis

Bron: Jos Koenen

Oorspronkelijk gepubliceerd in 1982 door Jaap Mol, in 2020 bewerkt door Jos Koenen

Het verhaal begint op maandag 29 december 1913 als Crelis Snoek, bijnaam ‘Snel’ (1860-1932) met zijn VD27 (voor 1911 had het schip nummer 272) in span gaat vissen met Klaas Schilder (Kakes) van de VD210. Celis heeft aan boord zijn zoon Jan (16) en Sijmen Tol (van de Knoest, 15). Zelf is Crelis dan 53 jaar oud. Het weer is best goed en achter de ‘Oost van Marken’, nabij de vuurtoren, wordt met een zuidwestenwind de kuil uitgezet waarbij Kakes de 'loeverman' (die het hoogst aan de wind vaart) is. Met de eerste trek wordt er bijna niets gevangen waarna Kakes de kuil aan boord neemt. Ze gaan voor de wind om en de kuil wordt weer uitgezet, nu met Crelis Snel als loeverman. Ondertussen trekt de wind aan en ruimt naar het westen.

Tegen het vallen van de duisternis zitten ze noordwest van Schokland en haalt Crelis de kuil binnen die nu barstensvol zit. Hij vindt dit een slecht teken, zo snel na eerst een lege kuil van een paar uur daarvoor. 'Er staat ons iets te wachten' was zijn mening waarna ze weer omgingen zuidwaarts, los van de VD210 om naar de plek terug te zeilen waar de tweede trek was begonnen. Kakes zeilde voorop en Crelis ging te kooi. Er stond alleen een fok. Ondertussen was het donker geworden en trok de wind nog steeds aan.

Tegen 21.00 uur wilden de jongens de fok weghalen en juist op dat moment kwam er een windvlaag die de botter in één klap op zijn kant gooide waarbij de giek brak, het zeil van de mast scheurde en het bakboordszwaard binnenboord viel. Langzaam kwam de botter weer overeind maar wel helemaal vol water waarna Crelis drijfnat uit het vooronder tevoorschijn kroop.

Crelis riep: 'jongens, laten jullie mij nou zo verzuipen!' Ondertussen was de botter weer overeind gekomen, helemaal vol met water. Nu heb ik even nagekeken in de maanstanden van 1913 en wat blijkt; het was de 27e december nieuwe maan dus je moet je voorstellen dat de drie alles moesten klaren in het pikkedonker. Onder een toenemende storm probeerden ze de botter weer leeg te krijgen met pomp en hoosschop. Voor 'top en takel' dreven ze zo in deze zuidwesterstorm op de Ketel aan (het water voor de IJsselmonding) waar ze probeerden de fok bij te zetten om het schip weer wat 'stuur' te geven. Dit lukt niet omdat door het slingeren een paar vallen door elkaar geraakt waren en ze in het pikkedonker de zaak niet konden klaren.

Uiteindelijk lukte het een halve fok bij te zetten waardoor het schip weer te sturen was en wilden ze zo verder de Ketel op om naar Kampen te gaan. Toen de botter net voor de Ketel kwam, lagen ze ineens op ramkoers met de Kamperboot waardoor ze af moesten houden maar zo ook de Ketel misten. De kapitein van de Kamperboot heeft zeer waarschijnlijk in het slechte weer en de complete duisternis de botter in moeilijkheden helemaal niet gezien anders had deze misschien wel een reddingspoging ondernomen. Het grote schip voer door naar Kampen. De botter liep nu op het Schokker eiland aan. Crelis gaf de jongens opdracht het anker klaar te maken waarop Sijmen vroeg 'welk anker?' waarop Crelis riep 'het anker dat voorop ligt natuurlijk!' waarop Sijmen terugriep dat dit anker niet zwaar genoeg was voor deze storm. Dit bleek het enige anker te zijn dat ze aan boord hadden.

Dit was in wezen een overtreding van de regels van de 'Assurantie' die drie ankers voorschreef. Zo liep de botter verder vanaf de zuidwestkant over de zuidoostkant van het eiland. Hier stonden palen waar Crelis gedacht had vast te maken maar dat mislukte. De botter kwam niet dicht genoeg voor de wal doordat er te kort zeil stond. Nu ging het anker overboord maar het ankertouw was ook niet best. Toch bleven ze liggen. De mannen probeerden in het donker de vallen uit elkaar te halen. De gaffel bleek ook gebroken te zijn waardoor de vallen om het gebroken eind waren vast komen te zitten. Even later brak het ankertouw bij de bolder af waarop Jan en Sijmen op de plecht gingen om zo toch te proberen een brok fok te zetten wat niet erg lukte. Dit met gevaar van door de fok overboord gegooid te worden. Een poging om de haven van 'Hemeloord' zoals de Volendammers Emmeloord noemden, was kansloos door te kort zeil. Het vooruitzicht was stranden op de lagerwal tussen het Zwartegat en Kuinre.

Niettemin kwam de VD27 toch nog vlak bij de haven van ‘Hemeloord’ waar Sijmen en Jan vanaf de plecht de havenlichten konden zien. Door te kort zeil, alleen een halve fok, lukte het Crelis niet op de aanwijzingen van de jongens te reageren en in het stikdonker liep de botter ten zuiden van het havengat tegen de dijk. Foto: Jan Snoek overgrootvader Snel.jpg

Daar bleef het schip even liggen maar dus niet op de lagerwal waardoor het gevaar bestond dat het door de wind en de golven opnieuw meegenomen zou worden. Net in die korte tijd haalde Sijmen de fok neer en sprong Jan op de glooiing van de dijk en riep tegen Sijmen dat hij Crelis aan een touw moest vastbinden. Sijmen schreeuwde toen tegen Crelis dat die ook moest springen maar die durfde niet.

Hierop knoopte Sijmen inderdaad een touw om het middel van Crelis en duwde hem pardoes overboord waarna hij zelf ook sprong. Net op tijd want direct daarop kwam de botter weer los en dreef in het donker weg. Jan en Sijmen hielpen Crelis aan wal te komen. Met z’n drieën liepen ze richting haven van Hemeloord waar de VD210 al eerder was aangemeerd. Daar aan boord probeerden ze hun kleren te drogen en wachtten de dag af.

Het werd dinsdag 30 december en de storm bleef doorstaan over het hele Zuiderzeegebied. Op het Schokkereiland was de ramp met de VD27 het gesprek van de dag met de steeds terugkerende vraag waar de botter gebleven zou zijn. Steeds hield men het erop dat het schip gestrand zou zijn op de ‘Bank’, de kuststrook tussen Blokzijl en Kuinre. Dat was een veel bezochte visgrond waar Volendammer vissers vaak kwamen. Tussen augustus en eind oktober werden hier zeer grote hoeveelheden garnalen gevangen, soms in één trek zoveel dat er meteen terug gezeild werd naar de markt.

Het werd woensdag 31 december toen de storm eindelijk was uitgeraasd. Sijmen was ondertussen aan boord gegaan van de VD152 van Piet Smit (Mus). Crelis en Jan bleven bij Kakes aan boord en gingen op zoek naar hun verloren gegane botter. Na een hele dag speuren, zochten ze oudejaarsavond de haven van Vollenhove op en vroegen daar of die visserlui iets van de botter had gezien. Niet dus. Dat was toch wel vreemd want de mast zou vast wel boven water uitsteken, ervan uitgaande dat de botter rechtop was blijven liggen.

Met die van Vollenhove werd de afspraak gemaakt dat ze Volendam zouden waarschuwen als er iets van de botter gezien zou worden en op Nieuwjaarsdag voer de VD210 weer uit met een zuidwesten wind, aan de wind op een westelijke koers, ruim boven de ‘Voorst’ langs. Dit was gevaarlijk water omdat ‘Kraggenbrug’, door de Volendammers ‘de Stient’ genoemd, vol met stenen uit de ijstijd lag. Dit was de bovenkant van het Kamperzand. Vlak bij de Stient dachten ze iets van de VD27 te zien. Nu werd duidelijk waarom het schip niet eerder was opgevallen. De botter lag op zijn kant dus er stak geen mast boven water uit. Ook begrepen ze dat ze de vorige dag niets gezien hadden. Toen had er meer water gestaan door opstuwing.

Met lager water deze Nieuwjaarsdag kwam de botter met haar stuurboordsboeg een beetje boven water uit. Alleen een heel klein stukje van de masttop stak boven water uit. Bij de botter aangekomen liet de VD210 het anker vallen en konden de mannen de zaak een beetje beter van dichtbij bekijken. In die tijd hadden de meeste botters, zeker die op de Noordzee visten, een klamp ingekeept in de mast onderdeks. Dit om te voorkomen dat wanneer de kwak met een grondzee ondersteboven ging, de mast eruit vloog. Dat was dus ook het geval bij de VD27 zodat de mast was blijven zitten in het spoor. Dat de botter op een heel andere plek was gestrand dan ze hadden gedacht, is waarschijnlijk gekomen doordat het roer op een stuurpen stond. Dit heeft de botter toch op een andere koers doen drijven dan verwacht was. Foto: Tims.

De mannen lieten een groot baken bij de gezonken botter achter. Ze zeilden het anker binnen en koersten naar Hemeloord. Hier belde de havenmeester Lammert Smit naar Enkhuizen om de afdeling ‘betonning en verlichting’ van Rijks Waterstaat, in kennis te stellen van de locatie van de botter met het verzoek er een gasboei met licht te plaatsen. Hierna kon de VD210 met vier man aan boord eindelijk naar Volendam zeilen.

Zaterdag 3 januari – het was dus inmiddels 1914 geworden – werd er een spoedvergadering van de Assurantie belegd waarop werd besloten het lichten van het wrak te laten uitvoeren door een hellingbaas uit Kampen.

Zondagnacht zeilde Kakes uit met bij hem aan boord Crelis Snoek, zijn zoon Jan met nog twee andere schippers die in het bestuur van de Assurantie zaten, richting Kampen. Met een gunstige wind kwamen ze diezelfde maandag nog in Kampen aan voor onderhoud met die hellingbaas. Dat was Willem van Goor (1870- 1957) die in 1921 de werf van De Haas in Monnickendam zou overnemen. Foto Jan Snoek zoon van Crelis

Van Goor had ook al in Kampen een zeer goede naam die voortgezet zou worden in Monnickendam met de bouw van vooral Rijnschepen. NB: ik heb Willem van Goor persoonlijk gekend en als kind samen met zijn kleinzoon voor een dubbeltje kachelhout voor hem gehakt toen hij al hoogbejaard was.

In eerste instantie werd gedacht dat de botter total loss was maar dat viel achteraf nogal mee. Dit was voornamelijk te danken aan het feit dat de botter net boven de Stient gestrand was en niet er boven op. In dat geval was het schip vast op de keien stukgeslagen.

Diezelfde week nog heeft Van Goor de botter met behulp van een lichter geborgen en werd de mast eruit getakeld. Het schip zelf werd in een loods gezet en werd in een tijdsbestek van zeven weken helemaal opgeknapt. Ook werden er nieuwe zeilen voor gemaakt. Binnen de Assurantie werd geconstateerd dat Crelis te kort ankergerei aan boord gehad had waardoor deze ramp voor een deel was ontstaan maar met ieders goedvinden kreeg Crelis de volledige schade vergoed.

Crelis en zijn zoon Jan zijn tot 1922 met de VD27 blijven vissen. Mede door de leeftijd van Crelis (toen 62 jaar) en misschien ook de naderende afsluiting van de Zuiderzee, heeft de broer van Crelis, Jan (1864-1938), de VD27 gekocht voor zijn zoon Hein (1899-1987). Crelis en zoon Jan zijn in de eenden gegaan.

Hiermee begint het tweede deel van het verhaal over de VD27.

Zo bleef de VD27 dus in handen van de ‘Snellen’ en werd Hein op 23 jarige leeftijd voor het eerst schipper. Zijn oudste broer Jaap (1892-1971), de grootvader van mijn vrouw, bleef bij vader Jan op de VD20 als knecht, later als schipper-eigenaar. De VD27 was toen ongeveer net zo oud als zijn nieuwe schipper. Het schip was na de renovatie van Willem van Goor goed onderhouden. Hein moest nu dus een knecht zoeken en dat werd zijn zwager Cornelis Smit (Tims) die op dat moment 20 jaar oud was.

Zo visten de VD27 en de VD20 in span waarbij vooral de vangst op ansjovis erg succesvol was. Steeds met twee botters en vier man, Hein en Tims op de VD27 en vader Jan en zoon Jaap op de VD20. In 1926, na vier succesvolle jaren, sloeg het noodlot echter toe. Tussen 7 en 12 juni brachten ze een recordvangst binnen terwijl de rest van de vloot vrij weinig ving. In de nacht van zondag 13 op maandag 14 juni voeren ze weer uit met mooi weer en een zuidelijke wind richting Urk. Hein op de VD27 en vader Jan op de VD20 gingen te kooi en Tims en Jaap hadden op elk schip de wacht. Foto Hein Snoek Snel

Rond 4 uur in de ochtend leek Jaap iets vreemds te horen en zag bij het ochtendlicht dat Tims overboord lag. Het is heel vaak gebeurd dat visserlui overboord vielen tijdens het poepen waarbij ze op de rand van het schip gingen zitten. De lijken werden daarom vaak gevonden met de broek op de enkels. Met een zware Volendamse ‘wije broek’ op je enkels zwem je ook niet zo makkelijk. Jaap begon gelijk te schreeuwen maar kon niet zoveel uitrichten met twee botters in span die niet makkelijk manoeuvreerbaar zijn. Bedenk hierbij dat beide botters geen motor hadden.

Hein kwam op het geschreeuw van zijn broer Jaap af en zag nog net dat Tims onder water verdween. Ze konden niets anders meer doen dan de kuil binnen halen en naar de Volendammer haven terug te zeilen. Even overwogen ze nog om Tims met de kuil op te vissen maar met z’n drieën waren ze daar niet goed toe in staat. In Volendam werd er 50 gulden uitgeloofd voor degene die het lichaam van Tims aan wal bracht. Het lijk is nog een heel groot stuk afgedreven en werd een week later nabij Urk gevonden door de UK134. Het lichaam werd in Urk gekist en daarna naar Volendam gebracht waar Tims op 21 juni is begraven. Een saillant detail: de man die Tims had gekist in Urk, had een wondje aan zijn hand en heeft daardoor een lijkvergiftiging opgelopen. Deze Jan Loosman overleed drie weken later op 9 juli.

Hein zocht een nieuwe knecht. Het werd Evert Butter (van Buttertje) die op een leeftijd van 48 jaar aan boord van de VD27 kwam. Op woensdag 26 januari van het volgende jaar waaide het hard vanuit het WZW waarbij gezeild werd met gereefd zeil en geifok (stormfok). Door toenemende wind besloten veel schepen de haven op te zoeken. Ook de VD27 keerde terug. Foto Evert Butter

Bij Hoorn gingen ze door de wind om onder de Warderdijk in een oppertje te varen. Vlak voor de Volendammer haven opnieuw door de wind om zo de haven in te schieten. Net daarvoor had Evert de fok al weggehaald en op het voordek laten liggen. De fok was nat en dus zwaar en zou later in de haven wel opgedoekt worden. Wat wij op de VD10 altijd doen is dan een ‘slottouwtje’ in de fok zetten zodat die niet op kan waaien op een moment dat we dat niet kunnen gebruiken. Dat werd en wordt op botters denk ik nooit gedaan…

Toen ze de haven in zouden zeilen en Evert alles klaar legde om aan te meren en op de lijkant van de plecht stond zag hij niet dat de fok opwoei. Zo klapte de opwaaiende fok Evert overboord. Hein zag dit gebeuren en gooide de pikhaak naar Evert maar die kon hem niet grijpen. Evert heeft zich nog enige tijd boven water weten te houden maar verdween ten slotte onder water, een paar honderd meter uit de wal voor het Kleiperk.

De volgende dag werd er een hele dag naar Evert gevist, zonder resultaat. Op 27 maart, dus zo’n negen weken later werd het lichaam bij het buitendijkse landje van Schellinghout waar de molen staat, gevonden. Op 28 maart volgde in Volendam de begrafenis. Zo raakte Hein voor de tweede keer een knecht kwijt, beide keren door ‘overboord slaan’.

Door dit tweede noodlottige ongeval raakte Hein in de stress en bleef aan de wal. Zijn vader probeerde voor de VD27 een ‘vreemde’ bemanning te vinden en vond die in Thames Schilder (van de Trieter) als schipper. Die had zo’n oude botter dat hij er ’s winters niet meer mee uitvoer. Dit kwam hem dus aardig uit. Als knecht monsterde aan Jaap Klouwer (van Janken) die, gelet op de ongevallen, met tegenzin aan boord kwam. In elk geval konden de twee kwakken weer in span vissen. Ik weet niet of vader Jan toen nog aan boord was.

Waarschijnlijk niet en was Jaap Snel ondertussen schipper op de VD20 met als knecht Jan ? (voornaam niet helemaal zeker) Koning (Lol). Hein zocht werk bij de visverwerking Tuyp. Hij bleef het in elk geval erg moeilijk houden met het verlies van zijn twee knechts. Foto: kwakken vissen in span.

Na de winter besloot Hein, het was dus voorjaar 1928, toch weer naar zee te gaan. Daar kwam de volgende tegenvaller. Jaap Klouwer die zich toch al niet prettig had gevoeld op de VD27, stapte af zodat Hein alsnog naar een nieuwe knecht moest zoeken. Dat leek niet te lukken. Eigenlijk wilde niemand meer met Hein mee want je weet maar nooit: ‘driemaal is scheepsrecht…’

Na een paar dagen meldde zich toch een knecht bij Hein die klaarblijkelijk minder bijgelovig was: Crelis Sier (Goot). Hein en Goot bleken voor elkaar geboren te zijn. Er zijn nooit meer ongelukken op de VD27 gebeurd. Samen met Goot heeft Hein nog 33 jaar gevist. Crelis voelde zich op een gegeven moment toch te oud om aan boord te blijven en monsterde in 1961 af. Hij ging werken bij Heijmeijer in Edam. Hein is toen ook maar gestopt met vissen en ging Crelis achterna richting Edam waar ze samen nog een paar jaar hebben gewerkt.

Jaap Snel is op een heel andere manier van zijn botter afgekomen. De VD20 was bepaald van een ouder bouwjaar en is in de oorlog opgeofferd om de Volendammer haven te barricaderen. Met springstof is deze kwak in het havengat tot zinken gebracht. Net op een moment in 1944 dat mijn eigen schip de VD10 (o ja, het is nu mijn ‘eigen schip’ niet meer maar ben er nog wel schipper op…) in de haven lag.

Toen de hongerwinter ons land nog eens extra teisterde en er aardappels uit Friesland gehaald konden worden, bracht een kwak slechts 5 ton piepers mee. Omdat het wrak van de VD20 niet makkelijk weggehaald kon worden, is er een gat in het havendijkje gemaakt om de VD10 er uit te halen. Daar werd een grote dekschuit (de Transporteur) achter gebonden waarmee er in één keer 50 ton aardappels gehaald kon worden.

Jaap Snel is toen knecht geworden bij zijn zwager Dirk Jonk (Spijker) op de VD173, een vrij nieuwe botter. De VD27 is verkocht naar Vollenhove en is daar omgenummerd naar VN27.

Toen ik in 1968 in de familie van de Snoeken kwam, heb ik de broers Jaap, Hein en Jan (1896 -? geen visser) nog mogen ontmoeten tijdens het 50 jarig huwelijk van Jaap Snoek en Geert Jonk in de Amvo.

Voor mijn schoonvader Jan Snoek was er dus geen toekomst als visserman. Hij is in de scheepsbouw gegaan, eerst bij de Dollard op het Schouw en later op de ADM. Toen ik in 1985 de VD10 kocht was er dus weer een schip in de familie waar mijn schoonvader heel trots op was.

Wat wel heel bijzonder is: ik heb de VD10 in 2017 verkocht aan Johan Schilder, een ver familielid van Klaas Kakes waar het hele verhaal mee begon. Johan heeft me gevraagd als schipper aan boord te blijven. Ook heb ik mijn eigen maat aangehouden, Jaap de Boer die nog maar 84 jaar jong is.

Dit verhaal is tot stand gekomen op basis van een eerder verschenen verhaal van Jaap Mol in 1982

Jos Koenen (74)
schipper van de VD10
joskoenen@hotmail.com

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.