Hoe de rijkste inwoner van Purmerend in de achttiende eeuw de hele stad oplichtte
De rijkste inwoner van Purmerend bleek in zomer van 1746 een gewetenloze oplichter, die ook talloze slachtoffers maakte in Amsterdam. Hij kwam er nog mee weg ook: ‘Banqueroetier’ Pieter Pergerrits vluchtte naar Denemarken, kocht daar een landgoed en werd in de adelstand verheven.
Onder de gedupeerden van Pergerrits activiteiten zijn zeventien Amsterdammers, veelal vrouwen, met een gezamenlijk verlies van 359.000 gulden. Ook de Joodse gemeenschap in Amsterdam blijkt hard getroffen te zijn. Verder blijkt dat Pergerrits in Utrecht voor nog eens 90.000 gulden heeft gefraudeerd, in Haarlem voor 80.000 en in Edam voor 10.000 gulden. De totale som aan gefraudeerde gelden bedroeg maar liefst 669.000 gulden – veel meer dan het bedrag dat de officier in zijn opsporingsbericht noemde.
De misdaden van Pieter Pergerrits werden uiteengezet in een zogenoemd schuitenpraatje, een genre waarbij fictieve passagiers in een trekschuit spreken over actuele en politieke zaken. Tekening door John Inigo Greenwood, 1759.BEELD STADSARCHIEF AMSTERDAM
Op 13 augustus 1746 verscheen in de Amsterdamse Saturdaegse Courant een opsporingsbericht voor een zekere Pieter Pergerrits. De hoofdofficier van justitie van Purmerend loofde een beloning uit van maar liefst duizend gulden aan degene die deze 35-jarige voortvluchtige in de kraag wist te vatten. Pergerrits werd gezocht voor zijn ‘godvergeeten wyze’ van handelen in ‘valsch gefabriceerde en gefalsifiseerde’ obligaties en valse notariële aktes, ter waarde van zo’n 500.000 gulden (omgerekend zo’n 5,4 miljoen euro).
Hier het hele Premium artikel op de site van het Parool.
Volgens het signalement was Pergerrits vrij lang en tamelijk gezet van postuur, met een bleek, ietwat pokdalig gezicht. Verder droeg hij vaak een witte of grijze allongepruik met krullen tot op zijn schouders en een grijs kostuum, soms bezet met goudkleurige ‘Pinsbekke knoopen’, gemaakt van een legering van koper en zink.
Al vrij snel na de opsporingsberichten in de kranten adverteerde uitgever Jan Wigmans te Harderwijk met het boekwerkje De Vlugtende Banqueroetier. De anonieme auteur had voor het schuitenpraatje gekozen, een populair genre waarbij fictieve passagiers in een trekschuit tijdens het roken van een pijpje de tijd doden met roddels over actuele en politieke zaken.
De schrijver was goed op de hoogte van de malversaties van Pergerrits. Voor acht stuivers lezen we niet alleen veel over zijn levenswandel en hoe hij in ‘snode bedriegeryen’ verzeilt raakt, maar ook hoe hij zijn eigen familie te schande maakt.
Fraude en walvisvaart
Het vlot geschreven werkje werd door het publiek zeer goed ontvangen en ook in Amsterdam veel gelezen. Op 1 september 1746 verscheen daarom een tweede deel, De Ontslipte Brouw-Slang. Daarin komen enkele bekenden uit het vorige deel elkaar weer tegen en bespreken zij de laatste nieuwtjes.
Onder de gedupeerden van Pergerrits activiteiten zijn zeventien Amsterdammers, veelal vrouwen, met een gezamenlijk verlies van 359.000 gulden. Ook de Joodse gemeenschap in Amsterdam blijkt hard getroffen te zijn. Verder blijkt dat Pergerrits in Utrecht voor nog eens 90.000 gulden heeft gefraudeerd, in Haarlem voor 80.000 en in Edam voor 10.000 gulden. De totale som aan gefraudeerde gelden bedroeg maar liefst 669.000 gulden – veel meer dan het bedrag dat de officier in zijn opsporingsbericht noemde.
Pieter Pergerrits, geboren op 7 augustus 1707 in Oostzaan, trouwde met de 20-jarige Anna Adriaans de Lange uit De Rijp, dochter van een vermogende reder van walvisvaarders. Het echtpaar kreeg acht kinderen, waarvan er drie al op zeer jonge leeftijd overleden.
Zakelijk ging het Pergerrits voor de wind. Al snel was hij eigenaar van een bierbrouwerij en een jeneverstokerij en kocht hij een buitenplaats in de Beemster. In 1735 was hij tevens namens Purmerend directeur van de Groenlandsche Walvisvaart en rustte in daaropvolgende jaren verscheidene walvisvaarders uit. Daarnaast kocht hij onroerend goed in verschillende steden, onder meer in Amsterdam. Ook in bestuurlijk opzicht klom hij op en werd schepen van Purmerend. In 1742 was Pergerrits daar de rijkste inwoner. Zijn huis aan de Papenstraat was een van de fraaiste en kostbaarste van de stad.
Valse obligaties
Een makkelijk heerschap was hij blijkbaar niet, want hij raakte voortdurend in conflict met zijn collega’s en werd zelfs enige tijd verbannen uit de stad. Daarna vergaarde hij zijn fortuin door zwendel met waardepapieren. Al snel kwamen de eerste malversaties aan het licht. In 1746 volgde een proces, vanwege manipulaties met vervalste obligaties. Maar voordat het vonnis was uitgesproken, was hij het land al ontvlucht.
De transacties van Pergerrits hebben sporen nagelaten in vele tientallen akten in de notariële archieven van Amsterdam. Het merendeel bestaat uit transporten van obligaties, verkoop van losrentebrieven en leningen op onderpand, soms voor zeer hoge bedragen. Veruit het grootste deel van deze stukken is door notaris Godefridus Schaak opgemaakt, die kantoor hield in de Kalverstraat. Een andere notaris bij wie Pergerrits veel waardepapieren passeerde was Jan Ardinois op het Singel.
In de zomer van 1746 werd de grond in Nederland te heet onder zijn voeten. Pergerrits vluchtte met zijn illegaal verkregen kapitaal naar Denemarken. Volgens de schuitpraatjes had hij zijn vrouw niet over de voorgenomen vlucht geïnformeerd, want toen hij heenging zei hij tegen haar: ‘Dag wyf over twee dagen kom ik weer.’
Ook zou hij zijn moeder hebben bestolen, die hem een ijzeren kist met daarin haar spaargeld en effecten in bewaring had gegeven. Toen eenmaal duidelijk was dat hij was gevlucht namen zijn kinderen de naam van hun moeder aan. De boedel van Pergerrits werd in december 1746 geveild.
Deense adelstand
Pergerrits kocht in Denemarken voor 30.000 rijksdaalders het landgoed Buderupholm te Buderup in Jutland met een bijbehorende zeepfabriek. Een jaar later werd hij door de commissaris van de Deense koning voorgedragen voor verheffing in de adelstand. Ook Pergerrits had inmiddels de achternaam van zijn vrouw aangenomen en ging nu door het leven als Pieter de Lange van Bergen.
Nadat nog wat zakelijke regelingen met de verkopers van het landgoed waren afgehandeld, werd hij op 21 juli 1752 bij besluit van Koning Frederik V in de Deense adelstand verheven. Pieter Pergerrits alias De Lange van Bergen, Deens edelman, overleed in 1757 op zijn landgoed in Jutland en werd in het nabijgelegen kerkje begraven.
Dit is een bewerking van een verhaal uit het septembernummer van Ons Amsterdam.
Schandvlek voor de oude adel
De geschiedenis kreeg tweeënhalve eeuw later nog een staartje. Op grond van de verheffing in de Deense adelstand werden bij Koninklijk Besluit in 1996, 1997 en 1998 verschillende afstammelingen van Pieter de Lange bij de Nederlandse adel ingelijfd. De oude Nederlandse adel betoonde zich hevig verontwaardigd: dat nazaten van deze gewetenloze meesteroplichter het predicaat jonkheer of jonkvrouw mochten voeren was een schande.
