Er komt blijkbaar een moment waarop de rollen langzaam omdraaien. Niet met tromgeroffel. Niemand vertelt je: vanaf vandaag ben jij degene die vraagt of je moeder haar sleutels wel bij zich heeft. Het gebeurt gewoon. En meestal merk je het pas als het al een tijdje aan de gang is. Mijn moeder wordt ouder. Dat merk ik vooral aan kleine dingen. Een afspraak bij de dokter, iets regelen in huis of de bediening van een apparaat. Neem de magnetron. Ik heb inmiddels ontdekt dat je daar een complete Universitaire studie van kunt maken. ‘Mam, eerst hier drukken.’ ‘Hier?’ ‘Nee, daar.’ ‘Deze?’ ‘Nee, die ernaast.’ En morgen beginnen we gewoon opnieuw.
Het gekke is dat ik mezelf steeds vaker dingen hoor zeggen die mijn moeder vroeger tegen míj zei. ‘Heb je alles bij je?’ ‘Waar zijn je sleutels?’ ‘Heb je je telefoon bij je?’ ‘Heb je die afspraak opgeschreven?’ Soms hoor ik mezelf en denk ik: wie is hier nu eigenlijk de ouder? Mijn vader overleed ruim vijf jaar geleden. Sindsdien zijn mijn moeder en ik nog meer op elkaar aangewezen. Ik ben enig kind, dus er is geen broer of zus die ik even kan appen: Jij mag deze week de magnetron. Maar ze is natuurlijk niet alleen iemand voor wie ik zorg. Ze is mijn moeder. De vrouw die mij al mijn hele leven kent. En die gelukkig nog steeds precies kan vertellen wat ík volgens haar anders zou moeten doen. Sommige dingen veranderen nooit. En misschien is dat maar goed ook.
Want hoe oud je zelf ook wordt, bij je moeder blijf je ergens kind. Laatst zat ik met haar bij de arts. Mijn moeder naast me en haar tas bij mij op schoot. Ik luisterde mee, stelde vragen en probeerde te onthouden wat er allemaal gezegd werd. En ineens trof me dat beeld: “ik met de tas van mijn moeder op schoot.” Vroeger ging zij met mij mee. Zij luisterde. Zij onthield. Zij zorgde dat we alles bij ons hadden. Nu zit ik daar met haar tas. Zo eenvoudig kan het blijkbaar zijn, dat omdraaien van rollen. En toch ben ik op zo’n moment ineens weer acht. Omdat ik naar haar kijk en diep vanbinnen denk: ”Blijf alsjeblieft nog een tijdje bij me.” Misschien is dat wel het bijzondere én het pijnlijke van ouder worden. Je kunt steeds meer voor iemand doen, maar je kunt de tijd niet tegenhouden. Mijn moeder en ik delen ons geloof. Voor haar is Jezus al haar hele leven een houvast. Voor mij ook. En juist nu merk ik hoe kostbaar dat is. Want ik kan haar hand vasthouden. Maar ik geloof dat er ook een Hand is die haar vasthoudt — en die dat al deed lang voordat ik er was. Misschien zijn de rollen daarom niet echt omgedraaid. We lopen gewoon anders naast elkaar dan vroeger. Zij wat langzamer. Ik wat dichterbij.
En zij vraagt nog steeds of ik wel genoeg gegeten heb. Gelukkig maar. Want zolang ze dat doet, ben ik nog steeds haar kind. En die magnetron? Daar beginnen we morgen gewoon weer aan.