Naar de inhoud

Zes jongeren zonder zichtbaar letsel: 'Bijna iedereen is iets kwijtgeraakt

Bron: NIVO

Jongeren zonder zichtbaar letsel: 'Bijna iedereen is iets kwijtgeraakt
door Eddy Veerman

,,Als ik die verbrande jongeren zie, denk ik: wie ben ik? Ik heb niets meegemaakt. Maar dat is natuurlijk niet helemaal zo. Het is wel logisch dat de meeste aandacht naar de jongeren mét brandwonden uitgaat. Zij hebben de hoogste prioriteit." Opgetekend uit de mond van een slachtoffer van de nieuwjaarsramp zónder zichtbaar letsel. Een misschien niet vergeten groep, maar wel een groep die zich wegcijferde. Omdat aan die getroffenen niets te zien was en is. Terwijl ze doodsangsten hebben uitgestaan, dierbaren zijn verloren of beelden op het netvlies hebben staan, die diepe indrukken hebben achtergelaten. De meeste voelen zich onbegrepen, miskend. Durven met hun verhaal niet naar buiten te treden. ,,Ze vinden ons dom als ze horen dat we hulp hebben gezocht." Ze willen geen medelijden, maar vragen om begrip. Begrip voor hetgeen waar zij mee zitten. Zes jongeren, die via huisarts, de zorgmakelaars van het supportproject of via andere wegen hulp zochten, vertellen in een monoloog waarom zij de stap durfden te nemen. Opdat de drempel voor lotgenoten wordt verlaagd. Want bijna iedereen is iets kwijt in Volendam. En als iets duidelijk is geworden van het bezoek van de groep getroffen Zweden vorige maand, is dat het begrip psychisch letsel serieus moet worden genomen. Drie jaar na dato vertoont bij dertig procent van de getroffenen daar nog symptomen van posttraumatische stressstoornissen.
Niels Karhof
Niels Karhof (18) ging niet wekelijks uit, ,,maar met feestdagen zaten we altijd in De Hemel". ,,De bewuste avond zaten we met z'n vijven bij een maatje thuis. Tot kwart voor twaalf. Daarna gingen we rechtstreeks naar De Hemel. Jassen op de kapstok in de WirWar en naar boven. Het was er erg rustig. Samen met Simon Molenaar ging ik aan de bar zitten in de hoek waar barkeeper René Schilder (pius) stond.

Even na twaalven werd het druk. Tè druk. Ik werd af en toe tegen de bar opgeduwd. Gelukkig had ik er niet zoveel last van. Ik had een perfecte plek. We kregen sterretjes aangereikt, maar we lieten de pakjes liggen. Wij hoefden ze niet. Ineens zag ik aan de overkant een grote steekvlam. Eén van de barkeepers gooide een bak ijsblokjes die kant op. Ik dook van mijn kruk af, keek nog één keer op en zag dat het vuur onze kant opkwam.
Nu zijn we allemaal de lul, dacht ik. Want het vuur gaat rondom de hele bar. Ik was er van overtuigd dat we allemaal dood zouden gaan. Ik lag onderaan, kreeg er een aantal op me. Die menselijke schild is achteraf m'n redding geweest. M'n hand was nog wel vrij, die ving die warmte-explosie wel op. Ze liepen letterlijk over me heen. Ik had later een schoenafdruk op m'n wang zitten.
Maar ik viel niet weg, bleef al die tijd bij bewustzijn. Ik ademde in de jas van iemand anders. Er was nog een beetje zuurstof. Ik hoorde ze schreeuwen om hulp. Ik moest rustig blijven, dacht ik, dan verspilde ik niets en schreeuwen had toch geen zin. Instinct, denk ik. Ik had nooit gedacht dat ik zo rustig zou kunnen blijven. Je ziet zulke situaties wel eens in films en dan flitst bij de hoofdpersoon zijn leven voorbij. Ik zag alle personen in mijn leven voorbij flitsen. Best raar.
Plots werd het raam ingeslagen. Nu moest ik kunnen overleven, dacht ik. Ik krabbelde op en had pijn in m'n ribben. Ik moest aardig lang daar hebben gelegen, want de bar was pittig leeg. Inmiddels waren er ook brandweermannen binnen. Ik begaf me richting de nooduitgang, want daar zag ik licht. Het pad daar naar toe was vrij. Er lag een meisje en die wilde ik helpen, maar een andere jongen boog zich over haar. 'Nu wil ik eruit', dacht ik. Ik had best wat binnengekregen.
Eenmaal buiten was ik in een shock. Ik keek verdwaasd om me heen, toen iemand op m'n schouder tikte. Het was Simon. We zijn naar een telefooncel gegaan, maar bellen lukte niet. Toen zijn we op de dijk een huis binnengestapt, maar daar liepen we alleen maar in de weg tussen andere ernstig gewonden. Toen zijn we verderop gaan lopen. Bij het huis naast de Job zijn we staande gehouden. Daar werd Simon geholpen. Ik ging in een stoel zitten en begon opeens te schreeuwen. Wilde terug en mijn andere maatjes zoeken. Onze moeders kwamen ons echter halen. Onderweg naar het ziekenhuis van Purmerend moest ik 'zwart' overgeven. Ik ben daar m'n andere maatjes gaan zoeken.
Ik vond er één. Moest huilen toen ik 'm weer zag. De volgende ochtend ging ik naar de anderen toe. M'n ouders gingen vaak naar m'n nichtje, Monique Tuyp. Zij was er slecht aan toe. Eén van mijn vrienden, Michel Guyt, is een tijdje slapende gehouden en ook andere goede vrienden, zoals Simon Zwarthoed en Kees Tol (ollie).
Ik zat in de put. Voelde me schuldig omdat ik niemand had gered, terwijl maatjes met brandwonden dat wel hadden gedaan. Ik ben een zorgzaam mens, trek me snel iets aan. Maar ik wilde er in het begin niet over praten. Probeerde het weg te stoppen. Waarom, weet ik niet. Ik had één doelstelling: ik moest mijn diploma halen.
Dat lukte ook wel. Maar echt goed ging het niet. Als iemand me vroeg hoe het met me ging, gaf ik korte antwoorden. Thuis flipte ik steeds uit. Vaak genoeg ben ik te ver gegaan. Ik kon niet zoveel hebben. Dan waren er momenten dat ik mijn frustraties kwijt moest. Dat had ik nodig. Dat doe je eerder bij je ouders. Woede, niet eens op iemand gericht. Hulpeloosheid. Ik wilde wel, maar ook weer niet erover praten.

Richting de vakantie ging het weer. De vakantie verliep ook goed, al was er vlak voor het vertrek de klap van de dood van Anja Kok. Maar twee maanden later ging het weer mis. Trillen, zenuwachtig. En dat vind ik vervelend. Dat ik er nu nog last van heb. Ik heb weer hulp gezocht. Om te praten. Dit is de moeilijkste periode tot nog toe. Dat die datum weer aankomt, zal er ongetwijfeld mee te maken hebben.
Je voelt je eenzaam. Ik zit veel op m'n kamer. Maar ik besef dat ik me beter onder de mensen kan begeven. Als ik bij m'n maatjes ben, of met een goede vriendin praat, dan voel ik me lekker. Vijf van de zeven dagen droom ik erover. Slapen, dat doe ik weinig.
Af en toe denk ik: ik ben niet verbrand, dus ik hoor er niet bij. Maar voor diegene die wel verbrand zijn, moet dat verschrikkelijk zijn. Als ik die jongeren zie, denk ik: wie ben ik? Ik heb niets meegemaakt. Maar dat is natuurlijk niet helemaal zo. Het is wel logisch dat de meeste aandacht naar de jongeren mét brandwonden uitgaat. Zij hebben de hoogste prioriteit. Als ik bijvoorbeeld Tom Kwakman zoals vorige week positief ingesteld hoorde praten, daar heb ik groot respect voor. Wat ik niet begrijp, is dat mensen zich druk maken om de rol van Sadé Schilder bij de single met de Zweden. Zij heeft toch ook veel meegemaakt…
De eerste weken heb ik door het dorp gedwaald, om te kijken hoe het iedereen verging. Dat is van grote invloed op me geweest. Maar ik kon niet stilzitten. En het was het minste wat ik kon doen. De laatste maanden heb ik vaak last van hyperventilatie-aanvallen. Dat vind ik erg. Omdat ik het niet wil krijgen, als er anderen bij zijn. Af en toe denk ik: hier kom ik niet uit. Maar de aanvallen heb ik nu beter onder controle. Straks ga ik Mensendieck volgen, om aan ademhalingsoefeningen te gaan werken.
Af en toe zoek ik m'n toevlucht in de alcohol. Grijp ik vaker een gelegenheid aan om een biertje te nemen. Al kan ik er vanwege de medicijnen niet veel hebben. Maar het is wel eens lekker om even alles te vergeten. Aan de andere kant word je sneller emotioneel. Bovendien moet ik in de gaten houden dat het niet uit de hand loopt.
Maar ik wil hier sterker uit komen. Ik moet het overwinnen. Na de herdenkingsweek wil ik een nieuwe start maken. Vergeten, dat doe je het nooit. Dat wil ik ook niet. Ik moet gewoon een hoop verwerken, omdat ik niet ben weggevallen en alles mee heb gemaakt. Ik ben op eigen kracht uit De Hemel gekomen. Met behulp van m'n maatjes en een goede vriendin moet en ga ik het redden. Op dat soort momenten weet ik dat ik niet alleen ben."

Simone Runderkamp
Simone Runderkamp (18) vierde oud & nieuw vorig jaar aanvankelijk in de Pius X en daarna aan de cocktailbar in de WirWar. ,,Plotseling kwam er rook van boven vandaan, gingen de lichten in de WirWar aan en de muziek uit. We vroegen barkeepster Annemarie Hansen de muziek weer aan te doen, maar daarna kregen we in de gaten dat er iets aan de hand was. Er werden ramen ingegooid bij de ingang van de WirWar. Ik zag Tom Bokstijn staan, met een blik in zijn ogen die me vertelde dat er zeker iets aan de hand was.

Er was ineens veel rook. Ik deed m'n hand voor mijn mond en veel jongeren begonnen te gillen. Ik ben eruit gegaan op het moment dat de bar al bijna leeg was. Buiten keken we om ons heen, we hielden elkaar vast en keken sprakeloos naar wat er op de luifel van de WirWar gebeurde. Er werd iemand gereanimeerd en we zagen de hoofden van meiden voor de tralies. 'Moet je dat zien', zeiden we tegen elkaar. Daarna zag ik een jongen op de grond zitten, bij een meisje. 'Er moet hulp komen', zei die jongen. Wie hij was, weet ik niet meer. Ik zou best weer eens met hem willen praten.
Ik zag dat het meisje verbrand was. Ze is vervolgens door mij, Ria en een brandweerman meegenomen naar De Molen. Daar werd ze neergelegd. Toen zag ik pas dat het Liesbeth Buys was. Het vriendinnetje van mijn nichtje. In De Molen praatte ze. Mijn vriendin Ria Visser was bij me en samen hebben we haar nat gehouden. Liesbeth antwoordde alleen op de vragen. Met 'ja' en 'nee'. Verder zei ze niets. 'We komen je volgende week toch wel weer tegen?', zeiden we. 'Wel bijblijven'.
Ik vroeg aan omstanders of we het goed deden. Je staat op een soort van automatische piloot. Ik heb ook geen idee hoe lang ik bij haar heb gezeten. Achteraf heeft Melvin Smit ook al die tijd bij Liesbeth gezeten. Daar weet ik niets meer van. Hij is met haar meegegaan in de ambulance. Hij heeft nooit geweten dat het Liesbeth was, terwijl hij haar goed kende.

Voor onze neus lag Lennart Veerman. Inmiddels was er een monnikenkruis op zijn buik gelegd. Hij was al overleden. Maar het drong niet tot me door. Steeds keek ik naar zijn buik, om te kijken of hij nog ademde. Op een gegeven moment bleef Ria bij Liesbeth en ben ik bij Cor Kemper gaan staan. Cor wilde drinken, maar dat mocht niet. Plots kreeg hij een hartstilstand. We - Johan Smit en ik - schrokken en deden snel het ambulancepersoneel aan. Cor werd direct weggebracht per brancard. Aan de bar zat een jongetje die ook wat verbrand was. Ik moest hem even daarvoor zeggen dat ik naar Cor ging, omdat die op dat moment hulp nodig had. Dat vond ik niet leuk, want hij was zo verdrietig. Later ben ik hem nog tegengekomen en hebben we over dat moment gepraat. Dat vond ik wel prettig.
Ik keek om me heen en wilde eigenlijk gaan huilen. Jeroen Kwakman (ballap), Rolf Zwarthoed (nonnie) en Merijn van Zanten. Grote jongens die voor zich uit zaten te staren. Plots kreeg ik een klopje op mijn schouder. 'Ga door, je doet het goed', zei iemand. 'Ze hebben je nodig'.

Later ben ik nog even bij Jan Koning (kip) gaan zitten en heb zijn moeder gebeld, om te zeggen dat zijn handen verbrand waren en het voor de rest goed met hem ging. Even eerder had ik mijn vader al een keer gebeld. Hij wilde dat ik naar huis kwam, maar ik legde hem uit dat ik moest helpen. Ik kon niet weg. Jan Koning hoorde het gesprek en zei nog dat hij ervoor zou zorgen dat ik veilig thuis zou komen. Daarna werd het steeds leger.
Jan Tol (foe) zat er nog. Hij was helemaal bij. En wat hulpverleners zaten bij elkaar. Daarna ben ik weggegaan. Bij Het Havenhof zag ik de lijkenwagen voorbij rijden. 'Er zijn echt doden', besefte ik toen. Thuis zaten m'n ouders op me te wachten. Ik begon te trillen, te schreeuwen en te hyperventileren. Ik heb wel alles direct verteld.
Om vijf uur belde Johan Smit om te vragen of het goed met me ging. Hij vertelde me dat Nico Kwakman (ballap) overleden was. Bij de vorige 1 januari hadden we nog aan de cocktailbar bij Nico gezeten.

Ik ben daarna even in slaap gevallen en hoorde later dat Yvonne Veerman, een oud collegaatje, was overleden. Bovendien was de broer van collega Nick Steur, Ruud, gestorven. Van Liesbeth wisten we nog niets. Ik besefte het allemaal niet. Zat voor me uit te staren. Ik ben er nog steeds sprakeloos van. Zo kan ik er wel over praten, maar als ik een beetje alcohol heb gehad, wordt het moeilijk. Eén keer zijn we later met de hulpverleners in De Dijk bij elkaar geweest. Ik had het moeilijk daarna. Steeds nachtmerries. Bij de viswinkel van m'n vader in Koog aan de Zaan kwamen veel mensen bloemen brengen.
Later zijn Ria en ik bij Liesbeths ouders langsgeweest. We barstten in tranen uit. Het was een kort bezoek. Een paar weken later zijn we weer langs geweest. We voelden ons opgelucht dat we dat hadden gedaan. Ik praatte er weinig over. Later kwam de klap. Ik lag steeds wakker, uitslapen lukte niet meer. Ik was bang. Als er al zo snel zo iets ergs kan gebeuren. Mijn ouders zagen het aan me, maar ik erkende het niet. Ben een binnenvetter. Ik wil niet zielig zijn en zei tegen iedereen dat het goed ging.
Later heb ik hulp gezocht. Eerst wilde ik niet, omdat ik dacht dat ik daarvoor niet in aanmerking kwam. 'Dat hoeft niet', zei ik. Ik wilde niet toegeven. Achteraf had ik het erg hard nodig. Het duurde wel een tijdje voordat het baatte. Praten hielp eerst niet. Uitgaan wel. Dan ben ik onder de mensen. Totdat ik telkens in mijn eentje ben. Dan denk ik er weer aan. Ik ben erg onzeker. Geen type die graag op de voorgrond staat en ik heb er een hekel aan wanneer iemand verkeerd over me denkt. Maar ik wil wel kwijt dat ik baat heb bij de hulp die ik heb gezocht. Nu gaat het pas iets beter met mij. Maar het is nog heel wisselend. Alleen komt straks 1 januari weer en daar zie ik tegenop."
Fred Schilder
Fred Schilder (20) was de vriend van de in juli aan de gevolgen van de ramp overleden Anja Kok. Hij was tot drie weken voor de jaarwisseling werkzaam in bar De Hemel. ,,Daar heb ik Anja ook tijdens de vorige vakantie ontmoet. In de laatste maanden zagen we elkaar bijna elke dag." ,,Om een uur of tien gingen we tijdens oudejaarsavond naar De Blokhut en een half uur later zat ik in De Hemel, aan de bar bij een vriend van me, Jan Tol (schoen). Anja was er ook, met haar vriendinnen. We knikten even naar elkaar, maar ik ben niet speciaal naar haar toe gegaan. Zo ging dat nou eenmaal. Hier zijn ze dan niet zo 'heenloperig'. Ik dus ook niet. Als vrienden bij elkaar zitten, gaat de vriendin ook niet zo gauw heen. Eigenlijk wel raar. Je zou elkaar best even kort kunnen begroeten.

Maar meestal kwamen we elkaar op de zaterdagen zo'n drie keer tegen. Nu niet één keer. Ik heb er niet meer gesproken. Om twaalf uur pakte Jan 'Schoen' nog de microfoon. Hij bedankte onder meer m'n maatje Peter Molenaar en mij voor de samenwerking en wenste iedereen Gelukkig Nieuwjaar. Om kwart over twaalf ben ik even naar beneden gegaan. Het was zo druk. Ik zag door de bomen het bos niet meer. 'Ik zie haar straks om één uur wel', dacht ik.
In de WirWar kwam een zwarte rookwolk. Ik ging meteen naar buiten en stond eerst nog naast John Veerman (kadij). Ze sloegen ramen in. Ik dacht dat het allemaal mee zou vallen, want ik zag geen vuur. Eén van m'n maatjes, Ruud Tol (babbet), was er als eerste uit. Z'n gezicht was zwart. Ik dacht nog steeds dat het meeviel. Een jaar eerder hadden ze een striker gegooid in de bar, die vlak naast mij ontplofte. Toen waren we nog bang dat de kersttakken in brand zouden vliegen. Toen viel het mee…
Ruud riep dat hij naar een dokter moest. Ik stond verstijfd te kijken. Binnen een paar minuten stond het vol. Ik zag eerst geen verbrande jongeren. We zijn naar de bar van Sjaak gegaan om te bellen en te zeggen dat wij niets hadden. Toen ik terug ging, zag ik dat het veel erger was dan ik dacht. Ik zag Tom Kwakman de ambulance ingaan. Zijn maatjes Johan Plat (flip) en Wil Vonk stonden erbij. 'Hij gaat dood, hij gaat dood', schreeuwde Wil.
Ik vroeg steeds of ze Anja hadden gezien. Tot een bekende zei dat hij haar had gezien en hij zeker wist dat het goed zat met haar. Ik heb mijn vader opgezocht, die een feest had bij FC Volendam. Hij was inmiddels gebeld met de mededeling dat Anja dood was, maar hij vertelde mij niets van dat telefoontje. Ik ging meteen de dijk weer op, maar daarna weer terug naar het voetbalstadion. Daar had m'n vader weer telefoon gekregen. Hij vertelde me nog steeds niets. Alleen zei hij dat ik moest proberen Anja's ouders te bellen.
Daarna gingen we naar het huis van Anja's ouders. Voor het eerst kwam ik daar. Aan de gezichten van de mensen die er zaten, kon ik afleiden dat het ernstig was. Om half zes werd er gebeld uit het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Daar lag Anja. Haar ouders gingen heen en kregen te horen dat ze het waarschijnlijk niet zou halen. Later werd ze naar België vervoerd.
Na drie dagen mocht ik op bezoek. In Volendam werd meteen gezegd dat René Schilder, Rolf Zwarthoed en Merijn van Zanten dood waren. Het ging langs me heen. Ik had mazzel gehad dat ik niet in De Hemel was ten tijde van de brand. Niet als bezoeker en niet als barkeeper. Maar daar dacht ik niet aan op dat moment. Anja lag in Luik en naast haar in het ziekenhuis lag mijn vervanger Johan Koning (bollo). En daarnaast lag m'n maatje Neal Leeflang. Ze waren er slecht aan toe. Ik schrok me rot toen ik Neal zag liggen. Hij had veel vocht en was opgeblazen.
Het was een onzekere periode, maar ik heb nooit gedacht dat Anja dood zou gaan. Ze was voor 75% verbrand, 45 daarvan derdegraads. In België heeft men toen haar leven gered. Ze wilden haar naar Nederland laten vervoeren, maar ze kon nog niet in Heliomare terecht. Uiteindelijk mocht ze naar het Militair ziekenhuis in Utrecht, maar vanzelf ging het toen al niet. Ze was steeds ziek. Uiteindelijk is het daar begonnen. Op een gegeven moment mocht ze Heliomare in en in de weekeinden naar huis. Als ze al niet ziek was.
Toch is ze in de tussentijd op de dijk geweest, in de Stient, op de markt. Bij mij thuis. De bacterie die ze had, moest vanzelf weggaan, zo dachten we allemaal. Nee, ik heb nooit met haar verwondingen geworsteld. Ze heeft er tenslotte niet zelf voor gekozen. Dat heb ik haar ook duidelijk gemaakt. Ze zat er zelf meer mee. Ik kwam steeds bij haar en dat waardeerde ze. De chirurgen in België hadden haar netjes geopereerd. Aan haar gezicht moesten ze nog beginnen.
Van die periode herinner ik me alleen nog vage momenten. Dat heeft haar moeder ook. Ik herinner me meer de laatste twee weken, toen het snel achteruit ging. Vanwege de bacterie. Omdat ze vanwege de bij haar al aanwezige MRSA-bacterie in geen ziekenhuis werd toegelaten, mocht ze Heliomare niet uit en kreeg de andere bacterie tijd om om zich heen te vreten. Die bacterie werd direct ontdekt, toen ze na lange tijd het VU-ziekenhuis in mocht. Daar zagen ze het meteen op de scan. Toen was het al te laat. Als Anja eerder was opgenomen, hadden ze de bacterie nog kunnen bestrijden.
Ik geloofde er lange tijd in. Ze was al eerder teruggekomen van een zwakke periode. Pas toen ze bediend werd door de pastoor, dacht ik: 'nu wordt het moeilijk'. De dagen ervoor had ik haar niet mogen zien. Ze woog ontzettend zwaar, omdat er bijna niets meer functioneerde en bijna niets meer werd afgevoerd. We werden op haar dood voorbereid. De doktoren daar waren eerlijk. Ze moest een berg beklimmen, terwijl ze geen fut meer had. Tegen beter weten in hoop je nog dat ze het alsnog haalt. Maar er werkte niets meer bij haar.
Vlak daarvoor ging het nog redelijk. Toen ze weg werd gemaakt voor de operatie, was ik nog bij haar geweest en was ze best vrolijk. 'Blijf nog even', zei ze, toen ik op wilde stappen. De bacterie was tijdens een operatie van haar hart geschraapt en het ging steeds stukjes vooruit. Maar ze werd uiteindelijk nooit meer wakker…
Ik ben teleurgesteld. Er zijn fouten gemaakt. De onderzoeken daarnaar lopen nog. Ik besef het wel allemaal, ik ben niet in een roes terechtgekomen. Ik ga vaak naar het graf. Elke dag. Soms twee keer. Ik voel me goed als ik daar ben. De familie, haar vriendinnen, we steunen elkaar. Bij m'n eigen vrienden praten we er nauwelijks over. Dan heb ik even afleiding, alhoewel ik vind dat ze er best meer over mogen praten of vragen. Aan de andere kant weet ik niet hoe ik me zou gedragen als dit een vriend van mij zou overkomen.

Ik heb het leuk, maar niet gezellig bij het uitgaan. Misschien dat je ook iets mist aan het eind van zo'n avond. Ik mis haar in alles. Ik leefde voor haar in de tijd dat ze ziek was. Als ik thuis kwam, was het snel eten en meteen naar Heliomare. Elke dag. Het is zo raar dat ze nu weg is. Ik zie haar vriendinnen, die vanwege de MRSA-bacterie destijds niet bij haar mochten komen, regelmatig. Dan hebben we het over van alles. Met haar ouders, broer en zus heb ik een band opgebouwd. Die zou ik altijd willen behouden.
Vlak na het overlijden van Anja ben ik bij psychologe Gerda Buys beland. Ik had hulp nodig. Met m'n vrienden sprak ik er daarvoor niet of nauwelijks over. M'n hoofd zat vol. Ik heb er nu veel baat bij. Je moet er wel in geloven en het moet klikken. Want ik wist ook niet wat ik ervan moest verwachten. Veel jongeren met brandwonden moeten er niets van hebben. Maar iedereen heeft het toch weer anders beleefd. En ik schaam me er niet voor dat ik hulp heb gezocht.
Erover praten is goed. Eerst wilde ik niet. Maar nu merk ik dat het goed doet. Je leert anders tegen dingen aan te kijken. Ik denk dat getroffenen onderling soms niet weten hoe ze een gesprek moeten beginnen of waar ze het precies over moeten hebben. Hoe erover te praten. Ik was zelf ook eerst gesloten. Maar nu sta ik er open voor. Alleen als ik geen behoefte heb, zeg ik 'nu even niet'. Maar het gaat beter dan een tijdje geleden.

Bianca Koning
Bianca Koning (16): ,,Ik had thuis gezeten met vriendinnen en ben, eenmaal in De Hemel, eerst naar achteren gelopen. Achteraan zaten vriendinnen en heb ik bijvoorbeeld met Monique Tuyp en Melanie Klene staan te praten. Daarna ben ik een stukje teruggelopen. Ik zag plotseling het licht van de sterretjes. Het ging verkeerd. Ik ben onder een inham van de bar gaan zitten. M'n oren werden warm en het leek alsof ik mijn gezicht voelde verbranden. Ik zag jongeren op elkaar klimmen. Sommigen hingen aan de takken. Flessen knapten en ik zag vuur.

Ik hoorde geluiden alsof ze aan het stikken waren. Ik werd boos. Ik wilde hier niet dood gaan en werd bang. Ik probeerde geluid te maken, maar het lukte niet meer. Ik voelde dat ik aan het doodgaan was. Ik viel weg.
Toen ik weer bijkwam zag ik stapels mensen. Ze hingen over de krukken, ik zag iemand onder de bar liggen. Ik ben op een stapel gaan staan. Gooide een smeltende jas weg, wat ik daarna erg vond want nu kreeg iemand anders de jas op zijn of haar lichaam. Achteraf vond ik het verschrikkelijk dat ik niemand heb geholpen.
Ik zag dat de deur bij de dansvloer openstond en ging die kant uit. Ik heb nog één keer omgekeken en zag René Schilder (pius) aan de bar zitten. Met verbrande kleren. Hein en Tom Tuip hebben me er daarna uitgetild, via het ingeslagen raam.

Beneden liep ik tegen m'n vriend Martijn op. Met hem ben ik ook naar het ziekenhuis in Purmerend gegaan. Hij had brandwonden aan zijn neus, oren en handen. Ik dacht dat alle vriendinnen dood waren. Die zaten achteraan, waar het vuur het ergst was. Uiteindelijk waren er elf verbrand. Anja Kok is later overleden.
De eerste drie maanden was ik benauwd. Ik kon niet eens fietsen. Als ik ging slapen, moesten de lichten aan. Inmiddels mag het licht uit, maar de deur móet op een kier. Met Martijn heb ik het uitgemaakt. Ik wist niet meer wat ik voelde. Wilde in het begin niemand spreken en wilde dat niemand vroeg hoe ik me voelde. Later heb ik er met hem nog over gepraat.

Op school werd ik niet als een echt slachtoffer gezien. Ik was boos. Had een schuldgevoel tegenover mijn vriendinnen, die allemaal verbrand waren. Ik had niks. Alleen m'n handen een beetje. Ik bezocht wel alle ziekenhuizen en ging naar de begrafenissen. Ik kon er niet van slapen en stopte het allemaal weg. Tot na het einde van het schooljaar. Toen kwamen de problemen.
Anja Kok kwam nog poffertjes bij me halen op de dijk. Tijdens mijn vakantie overleed zij. Ik heb geen afscheid van haar kunnen nemen en had haar nog graag willen spreken. Dat zij overleden is, houdt me nog het meest bezig. Dat vind ik het ergst. In de maanden daarna heb ik twee keer van haar gedroomd. De eerste keer was ze vrolijk. De tweede keer huilde ze met haar handen voor haar ogen. Ze zei dat ze alle foto's in het stiltecentrum had gezien. Ook haar eigen foto. Ik denk dat ze besefte dat ze dood is…
Aan het bezoek van de Zweden heb ik vorige maand veel gehad. Tot november heb ik iedere dag gehuild. Nu is het iets minder. Op het Don Bosco College wordt je er steeds mee geconfronteerd. Van de eigen overleden leerlingen hebben ze grote foto's opgehangen. Elke keer als je naar een ander lokaal moet, kom je ze weer tegen. Dan raak je weer even de draad kwijt. Maar er wordt wel verwacht dat je daarna weer meteen met de les kan beginnen. En waarom hebben ze niet de foto's van alle overledenen opgehangen?
Ik spreek veel jongeren en daar praat ik goed mee. Ik wil er eigenlijk vanaf, maar ik besef dat ik het nooit helemaal zal vergeten. Maar ik wil weer eens vrolijk zijn. Door te praten hoop ik dat het mi

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.