Naar de inhoud

Brief aan 2e kamer voortgangsrapportage actiepunten enschede en volendam

Bron: Ministerie BZK

Brief aan 2e kamer voortgangsrapportage actiepunten Enschede en Volendam

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag,  15 april 2002

Hierbij bied ik, als coördinerend bewindspersoon, uw Kamer de halfjaarlijkse voortgangsrapportage Actiepunten Enschede Volendam aan. In bijlage 1 en 2  1) van deze voortgangsrapportage treft u de stand van zaken per 22 maart jl. aan betreffende actiepunten die zijn voortgekomen uit de kabinetsstandpunten naar aanleiding van de Vuurwerkramp in Enschede en de Nieuwjaarsbrand in Volendam. Op basis van deze stand van zaken en gesprekken die ik met de betrokken Ministeries en mede-overheden heb gevoerd kan ik uw Kamer melden dat de uitvoering van de actiepunten naar wens verloopt. In beide kabinetsstandpunten zijn veel actiepunten opgenomen die in korte tijd veel inzet vergen op het gebied van veiligheid en handhaving door het Rijk, provincies en gemeenten. Nog niet altijd zijn organisaties in staat gebleken op korte termijn voldoende, zowel kwantitatief als kwalitatief, personeel te werven en te behouden. Waar in het verleden de lessen die uit rampen konden worden getrokken niet altijd tot zichtbare veranderingen hebben geleid, kan nu worden gesteld dat reeds veel en over de volle breedte actie is ondernomen.
1. Algemeen beeld actiepunten Enschede Volendam
In deze voortgangsrapportage vindt uw Kamer een actiepuntenlijst met een actuele stand van zaken per actiepunt. In deze aanbiedingsbrief ga ik in op de algemene voortgang en enkele thema’s.

In de voortgangsrapportage van december 2001 heb ik gemeld dat een aantal actiepunten, waarvan de toegezegde einddatum 31december 2001 was, niet voor die datum gerealiseerd zou zijn. Dit betrof met name actiepunten uit het kabinetsstandpunt Nieuwjaarsbrand Volendam, dat op 3 oktober 2001 met uw Kamer is besproken. Voor de huidige voortgangsrapportage geldt 1 april 2002 als peildatum. Op deze datum zouden 75 actiepunten moeten zijn afgerond. Inmiddels zijn 66 actiepunten afgerond. Redenen voor vertraging zijn o.a. de doorlooptijd van wetgevingstrajecten en de onderlinge afhankelijkheden van actiepunten. In deze brief en in het bijgevoegde actiepuntenoverzicht wordt dit nader onderbouwd en toegelicht. Voor alle actiepunten geldt dat, voor zover ze nog niet zijn afgerond, inmiddels tot de uitvoering ervan is overgegaan.

Actiepunten zijn afgerond als zij hebben voldaan aan de in de kabinetsstandpunten gestelde tekst, maar de realisatie van een actiepunt is vaak het begin van een traject waarin maatregelen moeten worden geïmplementeerd. De te nemen vervolgstappen zijn van groot belang voor het daadwerkelijke verbeteren van de veiligheid. Daarom zal ik ook in de komende jaren toezicht houden op de verdere uitwerking en implementatie van de actiepunten op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. De Taskforce ‘Slagen voor Veiligheid’ –waarin Rijk, provincies en gemeenten samenwerken- heeft hier een bijzondere taak in.
2. Mede-overheden
Door de Vuurwerkramp en door de Nieuwjaarsbrand Volendam is nogmaals duidelijk geworden dat een andere denkwijze nodig is. Het is niet mogelijk om enkel vanuit de eigen verantwoordelijkheid te kijken naar veiligheid en rampenbestrijding. Veiligheid is een onderwerp dat, waar mogelijk, integraal met alle partners moet worden aangepakt, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de partners niet uit het oog mag worden verloren. Het Rijk, provincies en gemeenten moeten gezamenlijk en in overleg met burgers en bedrijfsleven de veiligheid vergroten. Elke partij is mede verantwoordelijk voor preventie en voor handhaving van regels. Bij de uitvoering van de actiepunten Enschede Volendam wordt daar speciaal aandacht aan geschonken en vindt afstemming plaats tussen de betrokken partijen, o.a. in de Taskforce ‘Slagen voor Veiligheid’ en het bedrijfslevenoverleg.

2.1 Taskforce ‘Slagen voor Veiligheid’
De Taskforce ‘Slagen voor Veiligheid’ (hierna de Taskforce) komt maandelijks bijeen onder voorzitterschap van de heer Ouwerkerk, burgemeester van Almere. In de Taskforce vindt afstemming plaats over de gezamenlijke uitvoering van actiepunten door gemeenten, provincies en het Rijk. De Taskforce heeft een schaduwlijst aangelegd met actiepunten die, hoewel afgerond volgens de in de kabinetsstandpunten gestelde voorwaarden, een vervolgtraject kennen op provinciaal en/of gemeentelijk niveau. Het IPO heeft door middel van de instelling van de interprovinciale werkgroep ‘Provinciaal Handhavings- en Veiligheidsbeleid’ een stevige basis gecreëerd om de provinciale inbreng in de Taskforce te waarborgen en de provinciale activiteiten op het gebied van veiligheid en handhaving te coördineren en te versterken. De VNG heeft in samenspraak met de Taskforce en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna BZK) het programma ‘Slagen voor veiligheid’ ontwikkeld om de uitvoering van de actiepunten en de communicatie naar gemeenten toe te coördineren.

2.2 Actieprogramma ‘Slagen voor Veiligheid’
De implementatie van bepaalde actiepunten in gemeenten is afhankelijk van regelingen, wetswijzigingen, modellen, enz., die eerst op rijksniveau tot stand moeten worden gebracht. Het actieprogramma ‘Slagen voor Veiligheid’ richt zich op het ondersteunen van lokale besturen en regionale samenwerkingsverbanden bij de uitwerking, uitvoering en implementatie van gemeentelijke c.q. regionale actiepunten. Het doel is actiepunten samenhangend en in goede volgorde, volgens een vastgesteld tijdschema uit te voeren. Het Ministerie van BZK heeft voor het actieprogramma budget beschikbaar gesteld.

Het actieprogramma ’Slagen voor veiligheid’ van de VNG kenmerkt zich door een vraaggericht concept, waarin de behoefte aan informatie en ondersteuning van lokale besturen en regionale samenwerkingsverbanden centraal staat. Naast het verstrekken en delen van kennis, wordt ook kennis gehaald. Deze kennis en informatie zal het inzicht op rijksniveau ten goede komen en het overzicht van de stand van zaken aangaande de implementatie van de actiepunten vergroten. Om kennisuitwisseling tot stand te brengen zal het programma ‘Slagen voor Veiligheid’ een aantal organisatorische maatregelen nemen, zoals: het instellen van een regiegroep ‘Slagen voor veiligheid’, het aanstellen van regionale contactpersonen, regionale consulenten (ofwel ambassadeurs) en een procesmanager Slagen voor Veiligheid. Daarnaast worden handreikingen ontwikkeld, werkconferenties georganiseerd die gericht zijn op ondersteuning van gemeenten en ondersteuning van het actieprogramma ‘Slagen voor Veiligheid’. Het concept veronderstelt dat overheden en publieke organen nauw met elkaar samenwerken, van elkaar leren en elkaars activiteiten laten (bij)sturen.

2.3 Website ‘Slagen voor Veiligheid’
Op de website van het Ministerie van BZK is alle relevante informatie te vinden over de uitvoering van de Actiepunten Enschede Volendam. Daarnaast is de werkgroep communicatie van de Taskforce bezig met de realisatie van de gezamenlijke Taskforce website www.slagenvoorveiligheid.nl. De communicatiewerkgroep van de Taskforce is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de website. De VNG zorgt voor de inrichting en het beheer van de website. De website zal uiteindelijk eigendom van de VNG worden en ten dienste komen te staan van het lokale integrale veiligheidsbeleid. Conform planning is de site medio april gereed in een eerste versie. De uiteindelijke versie is medio juli gereed. Naast algemene informatie zal deze website specifieke informatie bieden aan alle betrokkenen die zijn belast met de uitwerking en implementatie van de actiepunten.

2.4 Doorlichting veiligheidsregelgeving
Het kabinet heeft de Taskforce verzocht met een voorstel te komen om de complexiteit van regelgeving te verminderen en geconstateerde tegenstrijdigheden weg te nemen. De Taskforce heeft de Minister van Justitie verzocht hierin het voortouw te nemen voor de veiligheidsregelgeving.

In november 2001 is onder leiding van de Minister van Justitie de projectgroep doorlichting veiligheidsregelgeving ingesteld die een overzicht zal opstellen van knelpunten in de uitvoering, controle en handhaving met betrekking tot veiligheidsregelgeving en inzicht zal bieden in complexe, tegenstrijdige en niet goed afgestemde regels, zowel op het niveau van bestuurlijke en handhavende bevoegdheden als op het niveau van normstelling.

Ten behoeve van de doorlichting is een lijst opgesteld met een aantal thema’s en per thema verschillende objecten. Aan de hand van een aantal criteria is de doorlichting in deze fase gericht op de volgende drie objecten, te weten: basisscholen, eetcafé’s en voor publiek toegankelijke ruimten van stations. Voor het onderzoek binnen deze drie objecten zijn begeleidingscommissies ingesteld waarin naast brancheorganisaties ook bestuurders zijn vertegenwoordigd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt door de projectgroep een oplossingsmodel ontwikkeld voor verschillende typen knelpunten in de uitvoering en handhaving. Dit oplossingsmodel zal als uitgangspunt dienen voor toepassing op andere objecten. De projectgroep zal daarnaast met aanbevelingen komen om reeds geconstateerde knelpunten in de wet- en regelgeving aan te pakken.

Naar verwachting wordt het concept-eindrapport begin juli door de projectgroep aan de Taskforce aangeboden.

2.5 Handhaving
Op het gebied van handhaving worden veel activiteiten ontplooid door het Rijk, provincies en gemeenten. Zo is door de Minister van Justitie een stuurgroep ‘Handhaven op Niveau’ ingesteld die tot doel heeft de ambitie de kwaliteit, intensiteit en doelmatigheid van de handhaving op het terrein van de ordeningswetgeving te verhogen tot een maatschappelijk gewenst niveau. Deze stuurgroep ontwikkelt adequate werkwijzen van handhaving en stelt deze beschikbaar aan overheden en handhavende instanties. Daarnaast is deze stuurgroep een project gestart dat gericht is op programmatisch handhaven. Doel van dit project is overheden en handhavende instanties te bewegen tot een systematische en programmatische aanpak van handhavingsvraagstukken. Centraal hierbij staat steeds de versterking van de samenwerking tussen en de verdere professionalisering van handhavers. Bij de uitvoering van dit actieprogramma wordt nauw samengewerkt met VNG, IPO en Unie van Waterschappen.

Inmiddels zijn twee conferenties gehouden om draagvlak voor het concept programmatisch handhaven te creëren en kennis over te dragen aan zowel bestuurders als ambtenaren. In de loop van dit jaar krijgen bestuurders, gemeenteraadsleden en handhavingcoördinatoren via regionale workshops en congressen een instrumentarium aangereikt, waarmee zij een handhavingsprogramma kunnen opstellen.

De voorzitter van de VNG, burgemeester Deetman van Den Haag, heeft mij op 11 maart jl. het manifest ’Om het vertrouwen van de burger’ aangeboden. In dit manifest verwoorden de gemeenten hun ambities op het terrein van handhaving voor de periode 2002-2006. In reactie hierop heb ik aangegeven graag –in het kader van het vervolg bestuursakkoord tussen Rijk, IPO en VNG- een ‘vergelijkingsprogramma’ te willen starten waarmee overheden hun prestaties meet- en toetsbaar maken. Een voor de hand liggend thema voor vergelijking is wat mij betreft handhaving, daarmee kunnen we laten zien wat we doen om de fysieke veiligheid te verbeteren.

De VNG heeft verder in samenwerking met de stuurgroep en het informatiecentrum Milieuvergunningen een steunpunt Handhavingsbeleid opgezet. In de eerste plaats is dit steunpunt bedoeld voor gemeenten. Daarnaast kunnen andere handhavende instanties, waarmee de gemeenten samenwerken, zoals het Openbaar Ministerie, de Politie, bijzondere opsporingsdiensten, provincies en waterschappen, ook gebruik maken van de diensten van het steunpunt. Het doel van het steunpunt is de kennis over het tot stand komen, onderhouden en evalueren van handhavingsbeleid te delen. Aan het steunpunt is een website verbonden, www.handhavingsbeleid.nl.

Verder voert de VNG samen met het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna VROM) het Actieprogramma Handhaving Bouwregelgeving uit. Dit actieprogramma is samen met de VNG in december 2000 opgesteld naar aanleiding van de onderzoeken van de VROM-inspectie. Bij de uitvoering worden tevens de handhavingsacties op het gebied van bouwregelgeving die voortvloeien uit het kabinetsstandpunt Nieuwjaarsbrand Volendam integraal opgepakt. Deze handhavingsacties richten zich op het verbeteren van de juridische handhavingsmogelijkheden voor gemeenten, het vergroten van de bevoegdheden van het tweede lijnstoezicht, het ontwikkelen van hulpmiddelen voor gemeenten en het onderzoeken van mogelijkheden van certificering.
3. Externe Veiligheid
Het kabinet heeft de Minister van VROM een coördinerende rol toegekend op het gebied van de externe veiligheid. De Minister van VROM heeft in zijn ‘Septemberbrief’ (TK 26 604, nr. 13) Externe Veiligheid geschetst hoe het kabinet zich voorneemt het externe veiligheidsbeleid in de komende jaren te voeren. Daarbij is gekozen voor een programmatische aanpak, die voortbouwt op de beleidslijnen die zijn beschreven in het NMP4 en in het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp Enschede. De Minister van VROM heeft in die brief toegezegd halfjaarlijks met een voortgangsrapportage te komen waarin de ontwikkelingen op het gebied van externe veiligheid worden weergegeven. Op 4 april 2002 is de toegezegde voortgangsrapportage verzonden aan uw Kamer. In deze brief wordt ook een aantal actiepunten behandeld uit het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp. Op deze plaats wordt daarom kortheidshalve verwezen naar de voortgangsrapportage Externe Veiligheid en naar het actiepuntenoverzicht waarin per actiepunt wordt aangegeven wat de stand van zaken is.

3.1 Classificatie en transport van vuurwerk
De Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna V&W) heeft naar aanleiding van het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp ondermeer de classificatie van vuurwerk als speerpunt voor acties genomen. Aan de hand van een zgn. defaultlijst kan classificatie van vuurwerk ten behoeve van het vervoer plaatsvinden. Er is inmiddels een defaultlijst opgesteld en deze wordt in de praktijk reeds gebruikt bij de handhaving. Bij de toelating van vuurwerk in de Nederlandse zeehavens wordt echter vooralsnog vuurwerk behandeld als zijnde van de zwaarste categorie. Dit in verband met de onmogelijkheid van een fysieke controle vooraf en de onzekerheid in de opgegeven classificatie. Voor de handhaving, waarbij controleurs fysiek aanwezig zijn wordt de defaultlijst gebruikt. Ook voor de internationale samenwerking is en blijft het ontwikkelen van de defaultlijst een belangrijk element om te komen tot een beter uitvoerbaar en handhaafbaar systeem voor de classificatie van vuurwerk.

Het Ministerie van V&W heeft verder voor het wegvervoer van vuurwerk interimbeleid ontwikkeld in afwachting van wijzigingen in de internationaal vastgelegde regels ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Dit interimbeleid is, voor zover goedgekeurd door de EU, opgenomen in de regeling Vervoer over Land van Gevaarlijke stoffen (VLG) die op 4 januari 2002 in werking is getreden.
4. Brandveiligheid
Medio december 2001 is door de inspectie Brandweer het onderzoek gestart naar de kwaliteit van de gemeentelijke actieprogramma’s brandveiligheid en een kwantitatief overzicht van de implementatie ervan. Bij dit onderzoek wordt tevens het toezicht betrokken dat de provincies uitoefenen op de daadwerkelijke invulling van de gemeentelijke actieprogramma’s brandveiligheid. Naar verwachting kan in juli 2002 het definitieve rapport aan de Staatssecretaris van BZK worden aangeboden. 

Aan alle gemeenten is de ‘Handreiking brandpreventiebeleid bestaande bouw’ toegezonden ter ondersteuning van de inhaaloperatie voor de afgifte van gebruiksvergunningen is. Deze handreiking is op initiatief van de gemeente Amsterdam door het Nibra ontwikkeld en door het Ministerie van BZK aangekocht ter verspreiding onder alle gemeenten.
5. Rampenbestrijding
Het veld van de rampenbestrijding is een complex veld waarin samenwerking tussen partijen met verschillende bestuurlijke, operationele en financiële verantwoordelijkheden van groot belang is. Het terrein van de rampenbestrijding is sterk in beweging. Op 12 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van BZK uw Kamer een zogenaamde midterm-evaluatie (TK 26956, nr. 7) toegezonden waarin de beleidsnota Rampenbestrijding 2000 -2004 ‘Rampenbestrijding. De Veiligheidsketen gesmeed’ (TK 26956, nr. 2) is geëvalueerd.

5.1 Regiovorming
De hiervoor genoemde evaluatie geeft het beeld dat regiovorming de professionele multidisciplinaire samenwerking ten goede komt, maar dat nog een lange weg te gaan is om de organisatie van de rampenbestrijding op het vereiste niveau te krijgen. Het bestuurlijk overleg over de regiovorming is daarbij een vertragende factor, zo geeft de evaluatie aan. Bestuurlijke integratie van de diverse veiligheidsregio’s kan een belangrijke bijdrage leveren aan het effectief en efficiënt organiseren van de rampenbestrijding op regionaal niveau. Aan de Raad voor het Openbaar Bestuur heeft het kabinet gevraagd om, zo mogelijk voor medio mei 2002, over de bestuurlijke inbedding van de drie hulpverleningsregio’s met haar advies te komen, danwel tussentijds op hoofdlijnen te adviseren. Bij brief van 8 maart heeft de staatssecretaris van BZK uw Kamer hierover geïnformeerd.

In bijna alle provincies is het besluitvormingsproces om te komen tot een congruente gebiedsindeling voor de politie-, brandweer- en GHOR-regio’s afgerond en zijn formele intentieverklaringen om te komen tot congruente gebiedsindelingen afgegeven. Met betrekking tot de huidige incongruente indeling van de gemeente Haarlemmermeer en de incongruentie van de GHOR-agglomeratie Amsterdam laten de Staatssecretaris van BZK en ik, na overleg met onze collega van VWS, de Tweede Kamer binnenkort separaat weten welk standpunt wij hieromtrent innemen.

5.2 Risico-analyse
Veel brandweerregio’s hebben inmiddels een risico-analyse uitgevoerd. Binnen het Ministerie van BZK wordt hard gewerkt aan de model risico-kaart, in overleg met het IPO en de VNG. Tevens wordt nauw samengewerkt met het Ministerie van VROM in verband met de ontwikkeling van het Register ‘gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen’. De noodzakelijke inhoudelijke, procedurele en technische afstemming met dit Register vraagt echter extra inspanning.

5.3 Pro-actie/preventie
Op het gebied van pro-actie en preventie is behoefte aan gemeentelijke en regionale uitbreiding van capaciteit en deskundigheid. De brandweerregio’s hebben voor versterking van de regionale organisatie een financiële bijdrage ontvangen. Het aanpassen van het opleidingspakket en het ontwikkelen van een maatlat voor de pro-actie en preventie-activiteiten is gaande. In overleg met de regio’s wordt bekeken of tot gezamenlijke werving van personeel kan worden gekomen.

De Staatssecretaris van BZK heeft uw Kamer op 27 februari 2002 (TK 26 956, nr. 8) geïnformeerd over de actualisering van de rampenplannen door het overgrote deel van de gemeenten. In het wetsvoorstel Kwaliteitsbevordering Rampenbestrijding (dat naar verwachting eind 2003 van kracht zal zijn) wordt bepaald, dat provincies elke vier jaar de regionale beheersplannen en daarmee de algemene voorbereiding op de rampenbestrijding gaan toetsen. De provincies rapporteren vervolgens op basis van deze toetsing aan het Rijk.

De samenhang en de afstemming tussen gemeenten en brandweerregio’s aangaande het regionale versterkingsproces is een punt van aandacht. Veel gemeenten zoeken naar het evenwicht tussen wat er op regionaal niveau moet gebeuren en wat de gemeenten blijven doen. Vanuit het Ministerie van BZK worden daarom met betrokkenheid van het bureau ‘Slagen voor Veiligheid’ van de VNG regionale bijeenkomsten georganiseerd om het regionale versterkingsproces door te spreken en eenduidigheid van aanpak en afstemming te bevorderen.

5.4 Geneeskundige Hulp bij Ongevallen en Rampen
De uitvoering van de actiepunten op het gebied van de GHOR vindt plaats in een constellatie waarin een groot aantal partijen (regio’s, instellingen voor gezondheidszorg, gemeenten, provincies) opereren met verschillende bestuurlijke, operationele en financiële verantwoordelijkheden. Het inzichtelijk maken van de bestuurlijke en operationele taken en verantwoordelijkheden van de GHOR-participanten is daarom van groot belang. Het project ‘Optimalisatie Organisatie GHOR’ (O.O.G.) heeft tot doel een handboek te leveren dat inzicht verschaft in de hierboven genoemde verantwoordelijkheden. Op basis van dit handboek kunnen vervolgens afspraken worden gemaakt over de verdeling van de onderscheiden verantwoordelijkheden. Actiepunten die specifiek betrekking hebben op de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen zullen voor zover mogelijk onderdeel uitmaken van het project of zijn sterk afhankelijk van de uitkomst van dit project. De Staatssecretaris van BZK en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna VWS) werken nauw samen bij de uitvoering van dit project. Uitgangspunt voor de aanpak van de problematiek blijft dat het openbaar bestuur invloed houdt op de organisatie van de geneeskundige hulpverlening bij rampen. Zo zal de GHOR-paragraaf van het regionale ambulanceplan worden gekoppeld aan de toetsing van het regionale beheersplan.

Op 28 februari 2002 verscheen het evaluatierapport van het College voor Zorgverzekeringen over de traumazorg. Naar aanleiding van dit rapport wordt een beleidsstandpunt bepaald over de traumazorg en de aanwending van de in de Zorgnota beschikbaar gestelde middelen. Op 18 maart 2002 is overleg geweest tussen het Ministerie van VWS en het Landelijk Beraad Traumacentra (LBTC) over de traumazorg en hun voorstel voor een verbeterde opzet van de Mobiele Medische Teams. Afgesproken is dat het LBTC vóór 1 mei 2002 met een nadere uitwerking komt van een aantal MMT-scenario's. Ook is afgesproken dat het LBTC vóór 1 mei 2002 aangeeft hoe ‘door de traumacentra vorm gegeven zal worden aan een systeem van zelfregulering’.

Het College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen en de Nederlandse vereniging Intensive Care hebben in februari 2002 een eerste deelrapportage uitgebracht over de beschikbare capaciteit aan IC-bedden. Deze informatie wordt ook per regio aan de RGF-en gegeven. De behoefte aan inzicht in de regionale capaciteit wordt meegenomen in de vervolg-uitvoeringstoets. Essentieel daarbij is de website die de Stuurgroep IC uitwerkt en die regelmatig wordt geactualiseerd en inzicht geeft in beschikbare bedden.

Voor bestaande belemmeringen voor grensoverschrijdende spoedeisende hulpverlening (ambulancezorg) tussen Nederland en België zijn inmiddels oplossingen gevonden. Met betrekking tot de belemmeringen tussen Nederland en Duitsland zijn besprekingen gaande. Uw Kamer wordt door de Minister van VWS en de Staatssecretaris van BZK per separate brief geïnformeerd over de exacte stand van zaken. Aangaande het benutten van ziekenhuiscapaciteit in het buitenland bij grootschalige rampen kan worden vastgesteld dat bij grootschalige rampen binnen Nederland in principe voldoende plaatsen beschikbaar zijn. Voor hooggespecialiseerde voorzieningen zoals opvang voor brandwondenslachtoffers kan zich, zoals gebleken na de Nieuwjaarsbrand in Volendam, een probleem voordoen. Er bestaan reeds jaren contacten tussen de brandwondencentra in Nederland, België en Duitsland voor wederzijdse bijstand in voorkomende gevallen. Het is van belang deze informele contacten te formaliseren en in protocollen vast te leggen. De Minister van VWS heeft zich inmiddels tot de Minister van Volksgezondheid in België gewend met het verzoek om medewerking. De Nederlandse brandwondenstichting in Beverwijk zal van Nederlandse zijde voor de invulling van de afspraken zorgdragen.

GGD Nederland heeft in samenwerking met het Ministerie van VWS een onderzoek gedaan naar de functie van de medisch milieukundige bij de GGD. Thans zijn gesprekken gaande met VNG en het Ministerie van VROM om een duurzame organisatie van de medisch milieukundige bij de GGD tot stand te brengen. Een van de uitgangspunten van die toekomstige organisatie is dat de basistaak medisch milieukundige zodanig wordt ingericht dat opschaling voor uitvoering van taken van de geneeskundige hulp bij ongevallen en rampen mogelijk is. Het implementatietraject zal naar verwachting een aantal jaren vergen. Het voornemen is dit implementatietraject nog voor de zomer te starten.

Het RIVM heeft een concept-protocol opgesteld voor gezondheidsonderzoek- en monitoring dat thans met expertisecentra en deskundigen wordt geconcretiseerd zodat een heldere beslis- en uitvoeringsstructuur voor de uitvoering van gezondheidsonderzoek ontstaat. In het tweede kwartaal vindt hierover overleg met het veld plaats zodat dit actiepunt voor de zomer kan worden afgerond.

5.5 Opleiden/oefenen
In de voortgangsrapportage van 12 oktober 2001 (TK 27 157, nr. 44) heb ik u gemeld dat door de Staatssecretaris van BZK het project ‘Op weg naar effectief oefenen’ is gestart. Binnen dit project wordt gewerkt aan de verbetering en professionalisering van het multidisciplinair en bestuurlijk oefenen, waarvoor is gestart met de volgende deelprojecten:
1. Kwaliteit Oefenen,
2. Landgrensoverschrijdend Oefenen,
3. Oefenbank Rampenbestrijding,
4. ICT-ondersteund Oefenen en
5. Poolvorming Oefenen.
Behoudens het deelproject ICT-ondersteund Oefenen (gereed 2003) worden de producten van de andere vier deelprojecten eind mei/begin juni 2002 opgeleverd.

In oktober 2001 is een multidisciplinaire interdepartementale werkgroep aan de slag gegaan met als opdracht het doen ontwikkelen van een multidisciplinaire basismodule voor politie- en brandweercentralisten en centralisten van de Regionale Ambulance Voorziening, waarin tevens de ervaringen worden meegenomen die bij de vuurwerkramp zijn opgedaan. Tevens wordt hierin het lesmateriaal GMS/C2000 meegenomen, alsmede relevante bevindingen uit het inspectierapport ‘Melding en opschaling, informatie en communicatie bij acute rampen’. Bovendien wordt bijzondere aandacht besteed aan de wijze van verplichtstelling van de multidisciplinaire basismodule in de drie disciplinaire kolommen. Het lesmateriaal zal medio 2002 worden opgeleverd.

5.6 Toezicht
Begin april 2002 heeft de Staatssecretaris van BZK het wetsvoorstel ‘Kwaliteitsbevordering rampenbestrijding’ via de Ministerraad aan de Raad van State voor advies gezonden. De belangrijkste wijziging betreft de aanscherping van de verplichtingen voor de gemeenten met betrekking tot de rampenplannen en rampbestrijdingsplannen. Zo wordt de toetsingsbevoegdheid van provincies ten aanzien van de rampenplannen en de rampbestrijdingsplannen aangescherpt. Momenteel werken de provincies eveneens aan de ontwikkeling van uniforme toetsingscriteria. Verder gaat het wetsvoorstel in op de invoering van het regionale beheersplan, dat door de provincie wordt getoetst en op de invoering van bestuurlijke rapportages van de brandweerregio’s aan de provincie en van de provincie aan het Rijk. Daarnaast wordt een aanwijzingsbevoegdheid ingevoerd van de Commissaris van de Koningin met betrekking tot de prioritering van de activiteiten bij de uitvoering van het beheersplan.
6. Financiële afwikkeling en wederopbouw
6.1 Commissie Financiële Afwikkeling II
Op 6 februari 2002 heb ik u het eindrapport van de Commissie Financiële Afwikkeling II (CFA II) toegezonden met daarbij een brief waarin het kabinetsstandpunt is verwoord (TK 27 157, nr. 47). Het ‘Advies aanvullende financiële tegemoetkomingen getroffenen vuurwerkramp” is een advisering op hoofdlijnen en resulteert in aanvullingen op bestaande regelingen van de CFA I (particulieren, groepen en ondernemers) en in nieuwe regelingen van de CFA II: “Regeling tegemoetkoming kosten en inkomensderving eerste jaar bij ziekte” en de “Regeling materiële personenschade”. Na het uitbrengen van de officiële advisering is de advisering op hoofdlijnen, naar aanleiding van reacties van de bewoners/belangenvereniging, op de twee genoemde regelingen enigszins aangepast. Hierover wordt uw Kamer separaat geïnformeerd.

De Staatssecretaris van BZK heeft de CFA II verzocht ook te adviseren over tegemoetkoming in de materiële schade, letselschade daaronder begrepen, die de slachtoffers van de nieuwjaarsbrand Volendam hebben geleden. Dit ter uitvoering van de motie Wagenaar c.s. (Kamerstukken II, 2001-2002, 27 575 nr 7), die is ingediend tijdens het debat op 3 oktober 2001 over de ‘Cafébrand in Volendam’. De commissie draagt de naam “Commissie financiële afwikkeling II ‘Nieuwjaarsbrand Volendam’. Voorzitter is drs J. van Lidth de Jeude, burgemeester van Deventer. De commissie is gevraagd om voor 1 juli 2002 voorstellen te doen. Leden van de CFA II ‘Nieuwjaarsbrand Volendam’ zijn vertegenwoordigers van de gemeente Edam-Volendam, van de Ministeries van SZW, VWS en van BZK, alsmede een onafhankelijk verzekeringsdeskundige. Adviserende leden zijn vertegenwoordigers van ‘Het Anker advies- en informatiecentrum’ en van de Stichting slachtoffers nieuwjaarsbrand Volendam. Een team van juridische en verzekeringsexperts staat de CFA II ‘Nieuwjaarsbrand Volendam’ terzijde. Vanuit de CFA II ‘Nieuwjaarsbrand Volendam’ zal regelmatig overleg worden gevoerd met vertegenwoordigers van de belangenvereniging van de slachtoffers.

6.2 Wederopbouw Enschede
Het Rijk heeft een wederopbouwconvenant gesloten met de gemeente Enschede en de provincie Overijssel, waarin is vastgelegd dat Enschede in 2001 het initiatief neemt tot overleg over de aard en omvang van de kwaliteitsimpuls van de weder op te bouwen wijk. Op 1 juni 2001 heeft Enschede het overleg geopend. De uitgangspunten voor de wederopbouw zijn neergelegd in het Voorontwerp stedenbouwkundige structuurvisie. In overleg tussen Enschede, Overijssel en het Rijk is op 6 december 2001 een convenant gesloten over een bijdrage aan de Kwaliteitsimpuls (Rijksbijdrage eenmalig 60 mln. gulden in 2001 en de provincie Overijssel 10 mln. gulden). Enschede heeft, mede in combinatie met de eerder beschikbaar gekomen middelen voor de wederopbouw van 270 mln. gulden, nu een goede positie om te komen tot herstel van de getroffen rampwijk.

7. Tot slot
In voorgaande hoofdstukken heeft u de stand van zaken kunnen lezen aangaande de uitvoering van de Actiepunten Enschede Volendam. Naar mijn mening is er reeds veel gerealiseerd maar het vervolgtraject van veel actiepunten blijft ook in de komende jaren onze aandacht vragen. In bijlage 1 vindt u alle actiepunten terug met de bijbehorende stand van zaken. In oktober 2002 zal ik opnieuw aan uw Kamer rapporteren over de voortgang van de Actiepunten Enschede Volendam.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

 

K.G. de Vries


1) Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.