Naar de inhoud

Ik heb mijn "oude ik" nog niet teruggevonden (6 hulpverleners aan het woord 1,5 jaar na de ramp)

Bron: NIVO

Ik heb mijn "oude ik" nog niet teruggevonden (6 hulpverleners aan het woord 1,5 jaar na de ramp)
,,In november vorig jaar gooide ik alles wat ik bewaard had met betrekking tot de ramp in een doos en plakte die dicht. En na is het af, dacht ik. Dacht ik. Want dit krijgt nooit een einde.” Net als de getroffen jongeren zijn er ook talloze hulpverleners die nog dagelijks of wekelijks de post traumatische stressstoornissen ondervinden van de ramp. In de afgelopen achttien maanden ondergingen ze ieder op hun eigen manier de psychische naweeën Het kwijtraken van het gevoel, problemen in de relationele sfeer, je anders voordoen dan je bent of voelt, een zoektocht naar je persoonlijkheid van voor de ramp. Of het verzwijgen van de problemen, zoals in vele gevallen gebeurt. Omdat niets aan je af te zien is, of omdat er inmiddels een tijd over been is gegaan en de buitenwacht verwacht dat je weer verder gaat. Waardoor velen zelfs moeite moeten doen om hun trauma te bewijzen. Zes hulpverleners praten anderhalf jaar na de Nieuwjaarsbrand over hun situatie.

Jan Tuijp
Jan Tuijp (dwars) is horecaman in hart en nieren. Na tien jaar De Smederij gold hij vijftien jaar lang als de vrolijke noot, de spil waar zowat alles om draaide, in bar Dc Molen. ,,Dan gebeurt er zojets wezenlijks, dan krijg je een heel andere kijk op het leven.” Met de periode van Kerstmis en Oud & Nieuw naderende, kreeg hij problemen rond de hartstreek. Inmiddels werkt hij drie dagen in de week en is in afwachting van de uitslag van de laatste onderzoeken.

,,Ik ben meteen weer aan het werk gegaan en twee dagen na de ramp dacht ik dat ik de draad al weer aardig had opgepikt. We gaan weer verder. Dacht ik, althans. Inmiddels weet ik beter. Je kunt er geen punt onder zetten. Ik moet het maar meenemen, de rest van mijn leven. Ik zit zowat bij alle instanties die er zijn. Dat had ik nooit verwacht van mezelf. Eerst vroeg ik me steeds af of ik de enige zou zijn, die naderhand problemen had. Watje, dacht ik. Maar ik blijk met de enige te zijn.”

,,Ik had die avond vrij. De Molen was gesloten. 1 januari is altijd mijn dag als barkeeper. Jaar in jaar uit bouwde ik dan een speciaal feestje op in De Molen, met muziek naar een climax toe. Dat zal nooit meer zo zijn. Ik werd op een gegeven moment gebeld, dat er brand was en of ik een neefje wilde zoeken op de dijk. Via de achteringang van café De Dijk trad ik binnen, waar Bep, de vrouw van Kees Sier, me opving. Doeken, water, van alles had ze nodig. Ik kijk wel effe in De Molen, zei ik. Ik ging via de kelder. En daar lag een jongen. Evert Smit (pitjes) zat bij hem. Wat is hier loos? vroeg ik. Evert knikte bevestigend toen ik hem vragend aankeek, of die jongen soms dood was.”

,,Pas later hoorde ik dat het Lennart Veerman was. ik ben naar boven gegaan en zag daar de chaos. Daarna heb ik continu drie jongens verzorgd in de keuken. En af en toe ging ik naar Evert Smit, om te vragen of het met hem ging en of hij het aan kon. ik dacht niet na, deed alsof het m’n werk was. Een beetje gekke praat verkopen om die jongens in de keuken bij te houden. ‘Je hebt mooie ogen’, zei ik tegen Niels Schilder. Prompt kwam er een ambulancebroeder binnen. ‘Nog meer’, zei hij. Ik moest kiezen wie er mee mocht. Jezus, zei ik, het lijkt wel Sophie Choice.”

,,Aan die jongens kon ik met zien hoe erg het was. Ze hielden zich goed. Toen ik later wat schoonmaakte en het putje in orde maakte, trof ik allemaal vellen van de huid van de jongens aan. Pas heel laat ging ik naar huis. Langzaam raakte De Molen leeg. Vervolgens werd het luguber, stil en koud. Ga nou weg Jan, zeiden ze tegen me, toen Lennart na een hele tijd werd weggedragen. Want die beelden blijven je bij. Goed of niet, ik bleef. En die beelden inderdaad ook. Laat in de nacht, toen ik thuis kwam, klapte ik in elkaar. Helemaal toen hier tegenover de politie kwam en bekend werd dat Nico Kwakman ook tot de overledenen behoorde.”

,,De jongens en meiden die bij ons in De Molen en De Dijk werkten, zag ik daarna weer. Maar veel hulpverleners niet meer, terwijl we toch iets hebben gedeeld in die nacht. Het duurde ook heel lang voordat bijvoorbeeld Niels Schilder weer binnen durfde te komen. Opeens stond die voor me en vroeg: Heb ik nog steeds mooie ogen?”

,,Door te werken, was ik bezig, had ik afleiding. ik vroeg me nooit zoiets af van wat heb ik nou allemaal meegemaakt? Maar het barkeeper zijn was bepaald geen uitje meer. Vlak na de ramp ontmoetten mensen elkaar in de kroeg en werd er gehuild en gelachen. Het uitgaansleven veranderde drastisch en je bent vaak discussieleider. Soms was je scheidsrechter tussen goede en slechte dingen die werden geroepen. Volgens mijn omgeving werd ik gaandeweg steeds vaker opvliegend en obstinaat.”

,,Ze hadden me voor een moeilijke periode gewaarschuwd, vooral richting de jaarwisseling. ik zag er ook als een berg tegen op, die feestdagen. Mag je niet lachen? Moet je het gezellig maken? Bijna niemand wist toch wat ie doen moest. Als ik met een slok op aan het discussiëren ging, had ik mezelf niet meer zo in de hand als voorheen. Weet je, de grenzen zijn verlegd. Als ik sommige mensen hoorden praten over een probleem van niets, dacht ik: waar lul je nou over. Kijk toch om je heen. Wat jij hebt is een luxeprobleem.”

,,Tegen de Kerst stond ik in de bar en ineens kreeg ik borstpijnen. En het werd erger. Via de dokter belandde ik in het ziekenhuis voor een opname. Misschien was het alles bij elkaar. Slaapproblemen, teveel alcohol, roofbouw op het lichaam plegen en het trauma van de ramp.”

,,Ik had dat jaar ook helemaal geen benul van de tijd. Wanneer wat was geweest. M’n dochtertje van tien is heel meegaand. Als er dan een woordenwisseling is geweest, komt ze op me af om me te troosten. ‘Het is wel goed hoor, papa heeft het even moeilijk’, zegt ze dan.”

,,Elke dag ben je er mee bezig. Je ontkomt er niet aan. Elke dag zie ik René ‘Ballap’, de tweelingbroer van Nico, lopen. En als ik dan op het Slobbeland een groep getroffenen bij elkaar zie, denk ik op een moment: ze hebben elkaar, het valt mee. Maar het valt helemaal niet mee. Het is verschrikkelijk. Want ik probeer er niet al te veel bij stil te staan, maar wat gaat er nog komen? Ik denk dat er nog een hoop dik in de problemen gaan komen. Je moet weliswaar positief blijven en niet doemdenken, maar hoe vergaat het sommigen lichamelijk en psychisch over een paar jaar? Hoe gaan degene er mee om die misschien alleen blijven, zonder partner?

Hoe ziet de maatschappij er dan uit? Want die kan keihard zijn. We zijn er in ieder geval nog met klaar mee. Maar ik merk dat velen er liever niet over willen praten. Terwijl er achter hun antwoord of gedrag veel meer schuil gaat.” ,,Inmiddels werk ik weer drie dagen per week, soms vier. Met de vinger aan de pols. Ik was murw na de afgelopen jaarwisseling. De conclusie was dat ik voorlopig met aan het werk mocht en daar heb ik me bij neergelegd. Ik had met verwacht dat het zo lang zou duren. In de bar heb ik wel eens moeite. Voor de ramp was ik nooit met leeftijd bezig. Alles kon, lekker gek. Maar ik ben nu 45 en het lijkt net of ik me oud ga voelen in zo’n bar. Niet dat m’n zin er af is, maar ik kan er minder goed tegen als er bijvoorbeeld iemand dronken binnenstapt.” ,,Je komt voor een dilemma. Straks krijg ik de uitslag van het laatste hartonderzoek. Het is moeilijk het beestje een naam te geven. Is het door mijn gesteldheid, of dat ik 45 ben? Als straks blijkt dat het een hartkwaal is, ben ik er mooi klaar mee. Dan moet ik misschien wat anders gaan doen. Maar het gaat er steeds meer naar uit zien dat het toch de naweeën van de ramp zijn. Daarvoor heb ik hulp gezocht en naast dat ik er vaak over praat met mijn broer, Evert, die als brandweerman aanwezig was tijdens de nacht, kom ik bij een psycholoog. Dan zien we straks wel waar het schip strandt. Het geeft wel onzekerheid, want in mijn hart hoor ik achter die bar. Maar vroeger leefde ik naar de kermis toe. Nu is de vraag of ik het nog aan kan, de drukte van zoveel mensen. Dingen zijn veranderd. Ons vak en de verantwoording. Het uitgaan van mijn generatiegenoten, de groep die geraakt is, is anders geworden en verminderd. En de denkwijze. ik heb twee kinderen en een vrouw met een goede baan. Voorheen was het een roeping, wat ik deed. Nu vraag ik me wel eens af waarvoor ik het doe.”

Gerrit Veerman (slinger)
,,We leefden langs elkaar heen. M’n vrouw kon haar ei niet meer kwijt bij mij en andersom.”

De EHBO post, zoals een bordje aan de muur van de woning aan de Haringstraat aangeeft, van Gerrit Veerman (slinger) werd in de loop der jaren vaak in het weekeinde gebruikt voor een sneetje of een wondje. ,,Meestal vervoer ik de gewonde dan zelf naar arts of ziekenhuis. Dat betekent dat je niet kan drinken in het weekeinde. Daar kies je voor.” In de rampnacht aarzelde hij geen moment en bij het horen van de eerste brandweersirene rende hij de dijk op, achtervolgd door zijn vrouw Ina. ,,M’n dochter Mariska was rond een uur of elf, grieperig, alsnog de dijk opgegaan. Ik ben er gaan observeren. Nog wel een enkele keer teruggeweest om thuis te kijken hoe het met m’n zoon Carlo ging en om jassen te halen om uit te delen. Meerdere mensen hebben die uren aangebeld en Carlo deed open. Sommige mensen verwonderden zich naderhand hoe het kon dat wij als ERBO post niet thuis waren. Toen ze later hoorden, dat wij boven hielpen en onze dochter zich ook in De Hemel bevond, begrepen ze de situatie.”

,,Ik zag jongeren het talud van de dijk afglijden. Iemand stond te hakken in het ijs, om water te krijgen. Ik zag zoveel om me heen, onder meer dat ze Yvonne Veerman probeerden te reanimeren, dat m’n dochter niet m’n eerste zorg was. M’n vrouw zocht haar, vond haar later en ging met ‘r naar de Kakatoe. Ik belandde daar ook. Ben van mezelf heel rustig, maar het viel me op dat bijna niemand echt in paniek raakte. M’n vrouw ook niet.”

,,Veel jongeren waren er nog niet in De Kakatoe, toen ik arts/fysio Johan Molenaar vroeg zeven gewonden aan te wijzen die met een vlakbij staande taxi meekonden. M’n dochter en vrouw gingen ook mee. Onze wegen scheidden dus. In vergelijking met anderen viel haar gezicht mee. Achteraf had ze derdegraads brandwonden aan haar voorhoofd, handen en een deel van de benen. ik wist uit ervaring dat degene die hard schreeuwde minder problemen had, omdat het dan om tweedegraads ging. Het was vooral stil onder de jongeren, wat inhield dat er veel derdegraads brandwonden tussen zaten. Veel ouders keken als het ware in kokers. Wisten naderhand ook niet meer wie ze allemaal gezien hadden en waren druk bezig geweest met hun eigen kroost.”

Ondertussen haalde ik emmers water bij Ome Jan en ging ik van jongere naar jongere. Soms was je stof op en dan moest een ander op ze inpraten. Ze antwoordden in het Volendams, waardoor het aanvoelde alsof het je eigen kinderen waren. Ik ben slecht in namen, dus wie er zaten, weet ik niet meer. Achteraf gezien misschien wel goed ook. Alleen van Nico Veerman weet ik het nog, want diens vader Klaas was er en die ken ik goed. Ik heb hem nog een jas gegeven. ik weet nog goed dat er iemand binnenkwam met een belangrijke tip. Om niet handdoeken erop te leggen, want die droogden gelijk, maar lauw water te blijven sprenkelen.”

,,Uiteindelijk bleven er twee jongeren over, voor wie ik vreesde. Maar ze hebben het naderhand overleefd. Rond half vier moest ik eruit, ik kon niet meer tegen de lucht van verbrand vlees. Het was me al die tijd opgevallen dat de mensen deden wat ik zei. Het werd geaccepteerd. Op een gegeven moment wilden ze naar buiten, naar de tent.
Die zat vol, waardoor ik iedereen terugstuurde. En ze gingen zo weer naar binnen. De saamhorigheid was groot in De Kakatoe. Frappant vond ik wel het moment rond Klaas Veerman en zijn later overleden zoon Nico. Toen hij de Sigmatent niet in mocht en gezegd werd te wachten, raakte hij Nico kwijt, want die zat plots in een ambulance. Als je je kinds hand niet stevig vasthad, kon je die dus kwijt zijn.”

Mariska lag aanvankelijk in het Boven ‘t IJ ziekenhuis. Ze was heel sterk, gaf ons vaak de oppepper die we nodig hadden. Want vlak voor de ramp had m’n vrouw Ina hartklachten gekregen. Later belandde Mariska in Beverwijk en reageerde ze steeds haar pijnen op ons af. Dat is dan in zo’n situatie. Tegen ander ziekenbezoek was ze aardig; de ouders waren de boosdoeners. Degene van wie je het meeste houdt, krijgen dan de meeste klappen. ik begreep het. De marteling die ze ‘s morgens met het verbinden moest doorstaan; we moesten ons er bij neerleggen.”

,,Eind januari mocht ze het ziekenhuis uit. Ze had nauwelijks iets gedronken en dus heeft ze veel gezien. Maar ze was er goed onder. Heeft een zeldzaam karakter. Later praatte ze er niet veel over, maar vooral in het begin heeft ze er goed over gesproken en lang van de psychische bijstand gebruik gemaakt. Zowel in Beverwijk als naderhand in Volendam. Belangrijk was de continue aanwezigheid van haar vriend Simon Tol, van wie we als ouders het bestaan voor de ramp niet wisten.”

,,Zelf leek het alsof je in de eerste vier weken op en neer pendelend naar Beverwijk van de aardbol was verdwenen. Je kreeg niets mee van bijvoorbeeld de bijeenkomsten die in Volendam werden gehouden. Het werd een rommelig jaar. M’n vrouw werd ondertussen enkele keren geopereerd vanwege de hartproblemen. Terwijl Mariska aan de beterende hand was, was m’n vrouw bezig met overleven. We hebben twee verschillende karakters. Zij is spraakzaam, terwijl ik heel rustig ben; laat alles over me heen komen en ga dan pas rustig reageren. Als druk en stress dan om de hoek komen, kun je een rare thuissituatie krijgen.”

,,Op een gegeven moment brak het contact. We leefden langs elkaar heen. M’n vrouw kon haar ei niet meer kwijt bij mij en andersom. We gingen met vakantie, maar vonden niet de rust die we zochten. Data was ik kwijt. Interesseerden me ook niet. Via de krant wist ik wat voor dag het was. Met beelden was ik niet zozeer bezig. Alleen de periode dat Nico Veerman overleed. Ik zag Klaas nog staan. Daar kreeg ik wel een brok in m’n keel van. De versteende moeders bij hun kinderen. Ik probeer het met te verdoezelen, die beelden, maar een plek krijgen ze nog niet. Ik laat het maar liggen. Als EHBO-er ga je gewoon helpen, dat zit in je aard. Daar hebben we allebei voor gekozen. Ik zou er zo weer op af gaan. Maar pas later besef je wat je gedaan hebt.” ,,Bij Pneuman werkte ik veel op mezelf. Dat was op een gegeven moment ook geen uitlaatklep meer. Ben ik er twee weken tussenuit gegaan. Routinedingen deed ik gewoon, maar als er iets extra’s opgeschreven stond, vergat ik dat gewoon. Dan sta je naderhand toch steeds raar van jezelf te kijken.”

,,M’n vrouw en ik kwamen er met z’n tweeën niet uit. Wat ik nooit had gedacht. Ik probeerde m’n stress weg te slapen. Mijn vrouw vliegt liever het dak uit. Ze is doelgerichter bij het oplossen van iets. ik ben afwachtend. Dat nam ze niet. Zij wilde echter niet steeds hier in herhaling vallen. Maar elders kon het niet, want die hadden het niet meegemaakt.” ,,Ik kreeg geen vat op haar en zij niet op mij. ik stond voor honderd procent achter haar, maar op een andere manier. Allebei hebben we psychische hulp gezocht. Daardoor ging het een stuk beter. In maart van dit jaar overleed m’n vader aan kanker. Dat kwam er nog even bij. Dan krijg je teveel op je weg.”

,,Maar voor die tijd was ik al op zoek naar m’n persoonlijkheid van voor 1 januari 2001. Ik wilde terug naar mijn oude ik. Maar ik heb mezelf nog niet gevonden. Daar zitten ongetwijfeld veel mensen mee, ook hulpverleners. Dat ze niet meer weten wat ze willen en waarvoor ze het doen. Het is moeilijk uit te leggen. Het is je zwakste punt wanneer je jezelf niet meer neer kunt zetten. Dat zijn gevoelens die niet bij je horen. En ik weet zeker dat ik niet de enige ben.”

,,Meteen na de ramp heb ik wel gezegd dat we goed moeten opletten op de betrokken jongeren aan wie je niets of nauwelijks iets afziet. Dat die het daarom misschien gaan wegstoppen. Dat zag je toen al en dat is nu veel erger.” ,,Mariska heeft het gelukkig goed opgepakt. Ze is onlangs geslaagd op school, werd in de tussentijd goed opgevangen door haar vriend en ook door Anja van Het Keldertje. Mariska had altijd al een vrolijk karakter. Ik heb haar gelijk voorgehouden dat ze verder moest. En zij ging gelijk aan de slag met de dingen die ze kon doen. Gelukkig maar. Anders hadden we nog dieper gezeten.”

Irene Schilder
,,Ik wilde gezien worden als Irene, 24 jaar jong, gezellig, Vrolijk, zonder zorgen. Niet als iemand waarvan ze
konden zeggen: jezus, die heeft een probleem. Die is depri.”

,,Mensen om me heen zeiden: het gaat vanzelf weg. Maar het gaat niet meer weg. Nooit.” Irene Schilder (24) raakte enige tijd na de ramp gevoelloos. Cijferde zich net als tijdens de rampnacht ook in de maanden daarna weg voor een ander. Totdat ze ging doen wat haar gemoedstoestand haar ingaf. ,,Als ik voordien ergens was en het gesprek een bepaalde kant op ging die me niet zinde, zette ik toch een smile op. Nu ga ik weg. Gok als ik bijvoorbeeld ergens op visite ben en de batterij leeg is. En dat is bijna elke week.” Zelfs het gevoel voor haar vriend was ze kwijt. ,,Het kon me allemaal niets schelen. Het gevoel voor hem komt gelukkig weer terug. Want ik ga hem vaker missen.”

,,In De Molen heb ik die nacht heel lang bij Maria Veerman gezeten. Ze had naast de derdegraads brandwonden op haar rug ontzettend veel pijnplekken en schreeuwde het uit. Je mocht nauwelijks bij haar in de buurt komen. ‘Als je nog één keer water gooit...’ zei ze dan. Had ik m’n grote bek maar opengedaan en toch water gegooid. Zo dacht ik toen ze enkele weken later op het randje van de dood balanceerde. Ik had haar niet goed geholpen, dacht ik op dat moment. Als ik haar tegenkom, ben ik altijd onzeker. Ik zit vol vragen. Maar stel dat ze iets negatiefs over me zegt, weet ik niet hoe ik zou moeten reageren. Toen ik enkele weken na de ramp hoorde dat ze in het ziekenhuis de dood in de ogen had gekeken, dacht ik: nu houdt de wereld op. Op slag voelde ik me oud worden.”

,,Ik weet alles nog, kan de beelden zo oproepen. Weet wie waar zat en lag. Ook m’n vriend Marco (Veerman (lut), red.) heeft veel gezien. Hij heeft een opleiding bij de marine genoten, dus je kan zeggen dat hij het beter kan hebben. De dag erna zijn we nog bij elkaar geweest met de hulpverleners. Een vol hoofd en een lege batterij.  Maar ik ging er wel gelijk makkelijk over praten, dat hielp.” ,,Ik kan op elk moment elk detail van de nacht terughalen. Weet welke kleding iemand droeg en wat er gezegd is. Maar met iemand die het niet heeft meegemaakt, sprak ik er niet over. Als ik zou vertellen wat ik allemaal gezien had, sliep diegene misschien die nacht niet. Daarom hield ik m’n mond wel. Je bent ook bang mensen te kwetsen. Soms vertel ik iets, in etappes.”

,,Eigenlijk heb ik het er naderhand niet eens meer over gehad met andere personen die er hulp hebben verleend, zoals Lucas Keizer, Alice Kiras, Jaap Kwakman. Op een of andere manier is de stap te groot om ze te benaderen. Je deelt iets met ze en toch durf je er niet zomaar over te beginnen. Als je eenmaal begint en anderen ook, wordt je veel vrijer. Dan zal er ook niemand zeggen van: jezus, daar heb je haar weer.”

,,De eerste tijd na de ramp boekte ik mijn agenda zo vol als mogelijk. Of ik had penodes dat ik juist helemaal niemand wilde zien. ik sliep slecht. Kon niks geven aan een ander: geen gevoel, geen liefde. Was chagrijnig, kattig. ‘s Nachts voerde ik dezelfde gesprekken als tijdens de rampnacht, of ik was zomaar Marco aan het verbinden. ik hoorde mezelf dingen zeggen en voelde dat ik niet leuk was tegen anderen. Maar ik deed er niets aan.”

,,Misschien een voorjaarsdepressie, of zo. M’n vader zei dat het misschien beter was met iemand te gaan praten. Het is alsof je op de dansvloer staat tijdens een bruiloft en je jezelf afvraagt: wat sta ik hier te doen? Een feestje werd niet gezellig en op m’n verjaardag maakte ik me druk: straks komen al die mensen, dacht ik. Ik voelde me opgejaagd. Ging twee weken uit m’n werk. Voor de ramp was ik bijna altijd spontaan, altijd aan het woord. Nu moest ik moeite doen om mezelf voor te doen zoals ik voor de ramp was. Om de gekste dingen kon ik uit m’n vel springen. Wel kon ik 24 uur zitten met het pas geboren zoontje van m’n broer Paul, Frank. Bij hem hoef ik me niet anders voor te doen dan hoe ik ben.”

,,Eén keer ben ik De Molen naderhand binnengestapt en ik raakte volledig in paniek. Al loop ik er maar langs of hoor ik een brandweer of ambulancesirene. Mensen verwachten: dit hebben we gehad en we gaan weer verder. Zo is het niet. In november vorig jaar trokken we in ons huis. Samenwonen. Er werd gevraagd of we gingen trouwen. ik weet zeker dat wanneer die ramp niet gebeurd was, ik zo uit huis was gaan trouwen. Dat wilde ik altijd al. Een sprookjesdag. Dan waren we al man en vrouw geweest. Nu kijk ik er anders tegen aan. Ik vergat naderhand zelfs het huis te laten zien, wanneer er visite kwam.”

,,Marco heeft het allemaal gepikt. Ik kwetste hem. Haalde hem niet even aan. Anderen zeiden: misschien ben je niet meer verliefd? Ik wilde gewoon op mezelf zijn. Ik voelde wel dat er geen enkel positief punt meer aan me viel te ontdekken. Dan moet ie wel erg veel van je houden, als ie dan toch bij je blijft. Nu is het m’n maatje. Ik kan hem alles vertellen.” ,,Lange tijd had ik zoiets van ‘laat me met rust’. Aan de andere kant kon iedereen met problemen bij me terecht. Ik was de spons. Tegen mij konden ze aanlullen. Ook familie met problemen. ik trok mensen met problemen aan. Om mijn eigen problemen maar weg te stoppen. ik had het voor elkaar, zo dacht iedereen. Een huis, een baan, Marco. Maar als diegene wegging en de deur ging dicht, moest ik huilen. Dan liet ik me gaan.”

,,Ik kon er met Marco over praten. ik ging aan alles twijfelen. Hiervoor liep het allemaal op rolletjes, maar ik werd steeds onzekerder. ‘s Morgens werd ik wakker en dan wist ik soms al: dit wordt niet mijn dag. Ook toen de tweelingbroer van Marco, Jim, ging trouwen. Maar het was hun feestdag en ik wilde niet met een lang gezicht gaan lopen. Maar het kost gewoon energie. Aan de andere kant, als ik dan weer iemand zie die ernstig aan het lichaam verwond is, denk ik: waar zeur je over?”

,,Lange tijd had ik de schijn opgehouden. De buitenwereld hoefde het niet te weten. Leuk doen, haar goed. Net zoals hiervoor. Toen was ik misschien ook wel eens een moeilijk mens, maar nu helemaal. ‘Dat ze het met me uithouden’, denk ik wel eens. ik wilde gezien worden als Irene, 24 jaar jong, gezellig, vrolijk, zonder zorgen. Niet als iemand waarvan ze konden zeggen: jezus, die heeft een probleem. Die is depri. Op een gegeven moment kom je er voor uit. Ik ben niet die geweldige meid waarvan ze denken dat die alles onder controle heeft.”

,,Weinig dingen zijn nu nog belangrijk. Om weinig kan ik me nog druk maken. Als iemand om een wissewasje klaagt, denk ik: waar maak je je in godsnaam druk over. ik kan me ook niet voorstellen dat mensen geestelijk ongeschonden onder deze gebeurtenis vandaan zijn gekomen. Dan ben je een supermens.”

,,Ik ben op een gegeven moment bij psychologe Gerda Buys beland. Daar vernam ik dat de reactie normaal is na zo’n gebeurtenis. Ik praat er goed over. Ben zoals gezegd anders gaan denken. Onlangs heb ik mijn baan opgezegd. Ik wilde doen wat ik leuk vond en ga, op m’n 24e, weer studeren, aan de PABO. Mensen begonnen bij het horen van dat besluit erover dat ik aan het vluchten ben. Want je moet hier toch aan een bepaald beeld voldoen. 24 jaar, dan denk je aan trouwen en kinderen. Maar ik denk dat dit goed voor me is. En Marco steunt me.”

Ria Visser
,,Hoe het nu gaat? Goed.” Ria Visser (19) glimlacht. ,,Af en toe zit er een slechte week tussen. Zoals laatst, toen ik pas echt besefte dat ik één van de laatste personen ben geweest die Liesbeth Buys heeft gesproken, alvorens ze uit Bar De Molen werd weggevoerd en uren later kwam te overlijden. Ik ben gelijk weer een week van slag geweest. Dan gaat het weer wel; dan gaat het weer niet.”

Ria heeft op 2 januari haar beleving van de nacht opgeschreven, tot in de details. ,,Ik wist niet waarom ik het deed. Daarna ben ik er verder mee gegaan. Wanneer er iets gebeurde, of als ik ergens mee zat. Dan schreef ik het van me af en voelde ik me daardoor beter.” Het is haar manier van praten over de ramp, want met anderen deelt ze niet zoveel van haar gedachten. ,,Toen het eerste kladblok vol was, heb ik het met plakband dichtgeplakt en het in de kast gelegd. ik lees het nooit meer na. Misschien later.”

Ria zat met haar vriendinnen na de avond in de Pius X in de Wir War, toen het drama zich voltrok. ,,We renden naar beneden, waar in De Blokhut gezegd werd dat het om een rookbommetje ging. Meteen gingen we weer naar boven en schoven weer aan de bar en wilden we de gezellige avond vervolgen. Heel raar, het gebeurde allemaal in secondes.”

,,Even later stond ik buiten en daar zag ik mijn vriendin Simone Runderkamp. We hielden elkaar vast, huilend en trillend van de schrik. Op het dak werd iemand gereanimeerd. Een jongen zat even verder op de dijk met een gewond meisje bij hem. ‘Laat haar alsjeblieft niet dood gaan’, schreeuwde hij. ik weet nog steeds niet wie de jongen is. Simone en ik hebben het meisje meegenomen naar De Molen, samen met een brandweerman. ik ben daarna steeds bij haar gebleven. Ze zei dat ze Liesbeth heette, dat haar broers Carlo en Jack waren. Ze had geen pijn, besefte niet dat ze dood kon gaan. Ik ook niet. Twee meter verderop lag Lennart. Ze hadden al gezegd dat hij was overleden, maar dat drong niet tot me door. Ik staarde naar zijn platte buik. Zijn lippen waren helemaal grauw, grauw van de dood. Maar niemand keek naar hem om. Alleen Evert Smit (pitjes). Die bleef zijn hand vasthouden.”

,,Alleen Liesbeth’s voeten deden pijn. Dat klopt wel, want die waren knalrood. Ze had dorst en vroeg om een glas water. Later moest ze overgeven, over m’n voeten heen. In de chaos vergaten we helemaal haar ouders te bellen. Anders hadden die haar misschien nog gesproken. Want dat ging daarna niet meer.”

,,Over dat laatste heb ik me wel schuldig gevoeld. Naderhand zijn Simone en ik bij haar ouders op bezoek geweest, dat heeft me heel goed gedaan. In de nacht zelf was ik verdoofd. ik keek om me heen. Was niet in paniek. Ik keek om en keek recht in het gezicht van Jeroen Kwakman (ballap). Die blik van hem zal ik nooit meer vergeten. Vol pijn, wanhoop en ongeloof. Hij was in een shock.”

,,Ik weet nog hoe Johan Jonk binnenkwam, op zoek naar zijn twee broertjes. Later kwam hij terug, toen hij er een had gevonden. Dit is toch een droom, Ria, zei hij. Zeg me dat het een droom is. Op dat moment hield ik alleen m’n hand voor mijn mond. Hield ik me sterk. Als ik nu aan zijn woorden denk, kan ik zo wel huilen. Nu wel, toen niet. Alleen die nacht kwam het los en bij het condoleren, de begrafenissen en het bezoek aan Liesbeth’s ouders.”

,,Simone en ik konden dingen delen. De andere vriendinnen begrepen het niet. Later begon Martine Norbart pas te praten. Zij stond op de trap toen het gebeurde, maar praatte er nooit over. Later bleek dat zij er ook mee zat, wanrdoor we er met z’n dxie~n over konden praten.” ,,Een andere hulpverlener zegt misschien nooit weer als zoiets zou gebeuren. Maar ik zou weer hetzelfde handelen. Vind het niet erg dat ik het meegemaakt, want ik ben heel anders tegen dingen aan gaan kijken.”

,,Ik vond echter dat ik geen hulp nodig had. Simone deed het wel. Ik ben wel bij een aantal groepsgesprekken geweest bij Het Anker. Ik sprak er yank met Simone over en soms, als het heel diep zat, ging ik weer schrijven. Dat is heel belangrijk voor me geweest. Af en toe wilde ik bellen met een psychologe, maar als ik op het punt stond te gaan bellen en ik voelde me op dat moment goed, stelde ik het weer uit. Maar onlangs heb ik het wel gedaan en hebben we een gesprek gehad met meerdere hulpverleners. Dat deed me goed. Nee, ik heb niet alleen geluisterd, ook mijn verhaal gedaan. Ik ben er tijdens dat gesprek pas achter gekomen aan wie ik mijn jas heb gegeven. Brandweerman Jan Jonk vertelde me dat het om Anja Kok ging. Ze lag in de hoek, bewusteloos. Ik gaf haar mijn jas. Later werd ze met allemaal stekkers op haar lichaam afgevoerd. Dat was echt verschrikkelijk. .

,,Pas met Kerstmis heb ik voor het eerst geprobeerd De Molen weer binnen te gaan. Het viel me op hoe klein het in werkelijkheid was. Die nacht gaf me het gevoel dat ie veel groter was. Ik zag iedereen weet zitten en liggen, dicht op elkaar gepakt. Ik ging er meteen uit, van de schrik. Het kwam allemaal weer boven. Dat zal voorlopig we] blijven, elke keer als ik daar terugkom.”

,,Ik ben niet zo’n prater als het om de ramp gaan. Laat niemand merken wat ik voel Simone praat met iedereen. Ook in de bar Terwijl ik ook wel eens zulke gesprekker over het onderwerp wil voeren. Dan denk ik wel eens, hoe doet ze dat toch? Ik begin zelf nooit over het onderwerp. Ik wil wel weten hoe het met een ander gaat, maar ze mogen met aan mij vragen hoe het met me gaat.” ,,Waarom? Ik weet het niet. Misschien omdat niet iedereen van mij hoeft te weten hoe het met me gaat. Als ze zouden doorvragen, dan zal ik mijn verhaal wel vertellen. Dat ik nog pieken en dalen heb. Ik ben goed gaan beseffen dat je iemand zo kwijt kunt zijn. Daarom moet er wel ‘doeg’ gezegd worden als iemand weggaat. Het kan zo de laatste keer zijn.”

,,Thuis praat ik er nauwelijks over. Ze zeiden wel tegen me: ga nou praten. Maar ik doe het niet. Misschien omdat ik bang ben dat m’n moeder over me in gaat zitten. Ze weten gerust wel hoe het met me gaat. Dat horen ze via via. Op zaterdagavond kan ik vaak emotioneel zijn. Zeker als ik alleen naar huis moet. Dan sla ik aan het denken. Daarom zoek ik meestal iemand om mee naar huis te lopen.”

,,Sommigen begrijpen met dat je er als hulpverlener nog mee kan zitten. Ik weet niet hoe ik er over zou denken, als ik er zelf met bij was geweest. ik zou in ieder geval wel luisteren en gaan praten met iemand die, het mee had gemaakt. En op die manier krijg je dus begrip voor de situatie van diegene.”

Jan Jonk
,,Niets interesseerde me. Als ik aan het werk Was, wilde ik naar huis en als ik thuis was, wilde ik naar m’n werk”
Brandweerman Jan Jonk (30) drong direct na 1 januari 2001 aan op een gesprek met de vrouwen van de brandweerlieden. ,,Want ze zouden een andere persoon terug kunnen krijgen na zo’n gebeurtenis.” Hij onderschatte echter aanvankelijk zijn eigen situatie. ,,Dacht dat ik de Jan van voor de ramp was.” Zijn relatie kwam onder hoogspanning te staan, maar hield mede dankzij het inroepen van psychische hulp stand.

,,Ik ben jarenlang vrachtwagenchauffeur geweest en in ‘99 was ik onderdeel van de transport van hulpgoederen naar Kosovo Albania. Daar werden op een gegeven moment onze vrachtwagens zes dagen vastgehouden. Wat een ander aan onmenselijke taferelen op tv zag, maakte ik daar in het echt mee. Je kon een kind kopen voor tien Mark, omdat dat kind dan een beter leven zou krijgen als daar bij haar moeder. ,,Maar een ander kon de tv nog uitzetten.. Ik hield er een flinke tik aan over. Maar het was daar te doen, dus eenmaal thuis was het na een paar nachten slecht slapen weer over.”

,,Maar dit is hier. Ik had die Oudejaarsdag de hele dag al een mar gevoel in m’n lijf. Dat zei ik ook tegen m’n vrouw Alie. Wetend dat alle barren tot de nok gevuld zouden zijn, kreeg ik een vreemd gevoel. Ik wist niet wat. Ik zat die avond bij een collega van de brandweer, tot de pieper ging. ik belandde in de tweede auto en ben op de dijk uitgestapt. Het eerste wat ik tegenkwam was een verbrande jongen, die op de grond lag en riep: ‘ik ben zestien, ik ben zestien’. ik heb ‘m opgetild en naar de eerste brandweerauto gebracht, waar met water werd gespoten.” ,,Ik had misschien twee biertjes gedronken en toch ben ik een stuk van de film kwijtgeraakt. Volgens zeggen heb ik boven m’n vermogen lopen tillen met jongeren en ik moet zeggen dat de volgende dag alle spieren stijf waren. Ik zat helemaal kapot. Eigenlijk wil ik dat stukje film niet meer terughebben.”

Het boek ‘Het verdriet van Volendam’ wordt opengeslagen. Op een van de eer

1 reactie

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.

  • Het is een wonder dat hier geen slachtoffers zijn gevallen. Je zal er met je gezinnetje toevallig even fietsen........
    Stelletje verstandloze idioten.