Normen en waarden voor bungeejumpers
Normen en waarden voor bungeejumpers
Nederland voelt zich van nature onveilig. Tegelijkertijd hechten we aan een grote mate van vrijheid waarin alles moet kunnen. En als het uit de hand loopt, leggen we de schuld graag bij een ander.
Op een avond wordt Pieter Franken uit Rotterdam zomaar door vijftien man het ziekenhuis ingeslagen. Franken doet aangifte in februari en hoort niets meer. Pas in mei krijgt hij een brief. De Rotterdamse politie meldt in ambtelijke taal dat zaken als de zijne niet de hoogste ,,prioritering'' hebben. Daarvoor is geen ,,capaciteit''. Zijn zaak is geseponeerd.
Veiligheid en bureaucratie - naast de migratie waren het belangrijke thema's van de op 6 mei vermoorde politicus Pim Fortuyn. De bureaucratie moest weg en de veiligheid moest terug. Juist in het Rotterdam van Pieter Franken behaalde Fortuyn een monsterzege bij de gemeenteraadsverkiezingen van dit voorjaar. In één klap werd zijn partij er de grootste, met 17 van de 45 zetels. Vanaf dat moment waren zowel Fortuyn als het thema 'veiligheid' in de landelijke politiek een factor van betekenis.
Tot het vermoorden van een Nederlandse politicus dit voorjaar mogelijk bleek, waren onze nationale gevoelens over veiligheid zo onbestendig als ons klimaat. Elf september had hier een merkwaardig gevolg: we gingen ons in onze eigen buurt tijdelijk aanzienlijk veíliger voelen. Drie weken na de aanslagen werd dat wetenschappelijk vastgesteld. ,,Dankzij Osama Bin Laden durfden we de straat weer op'', grapt rechtspsycholoog Peter van Koppen, één van de onderzoekers. ,,Onveiligheidsgevoel hangt nu eenmaal vooral samen met waarop je let.''
En Nederlanders letten graag op anderen. Ons trotse gezegde 'waar een klein land groot in kan zijn' zegt veel over onze competitie met wat ons omringt - en dat vaak zoveel groter en sterker is. Door ons formaat voelen wij ons van nature onveilig en dat maskeren we graag met wat grootheidswaan. Tot het 11 september plotseling aantrekkelijk bleek om klein en onbeduidend te zijn. Hier hadden terroristen niets te zoeken. Wat een fijn land!
We kregen oog voor onze eigen omgeving. Maar wat zagen we? Nog altijd lag hier en daar een drugsverslaafde in het portiek. Was het zwerfvuil niet opgeruimd. Er bleek nog een meisje te zijn vermoord - ook dat was niet nieuw, alleen werd er nu veel meer over bericht. Ook werd nog steeds incidenteel iemand doodgeschopt, zomaar. Er was weinig veranderd, teleurstellend weinig. Maar nu was het genoeg! (Dit had Pim Fortuyn ons geleerd. ,,Ik zeg wat ik denk!'', was zijn motto. Waarna een boutade volgde.) Nu was het genoeg! Maar wat precies?
Zijn de Nederlandse criminaliteitscijfers kortgeleden soms gestegen? Welnee, zegt rechtspsycholoog Van Koppen, die als hoofdonderzoeker van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving een goed overzicht heeft. De criminaliteit ,,verhardde zich wat'', dat wel. Zo worden nu meer geweldsdelicten gepleegd dan vroeger. En in achterstandswijken lijden mensen werkelijk onder die dreiging. Koppen: ,,die mensen hebben groot gelijk als ze om herstel van normen en waarden vragen''.
Maar nationaal gezien? Nederland, zegt Van Koppen, is in de eerste plaats lang niet zo onveilig als men in het buitenland denkt. Dat lijkt maar zo omdat wij in tegenstelling tot andere landen niet alleen 'moord' maar ook 'pogingen tot moord' meenemen in de statistieken.
Nederland, zegt van Koppen, is in de tweede plaats ook niet zo onveilig als Nederland zelf denkt. Meer dan door de misdaad zelf wordt de roep om veiligheid hier versterkt door de toegenomen aandacht voor misdaad, en het idee ,,dat daar niets aan gedaan wordt''. Op verzoek van een nieuwe en ambitieuze burgemeester onderzocht Van Koppen eens de onveiligheid in het provincieplaatsje Middelharnis. ,,Mijn conclusie was: er gebeurt hier aan criminaliteit geen ene moer. En toch bleken de mensen zich er even onveilig te voelen als in Rotterdam.''
Wat er op het moment met Nederland gebeurt? Je kunt beter vragen wat er niet gebeurde. Neem het jaar 1999. Op basis van betrouwbare slachtofferenquêtes is berekend dat toen ongeveer 4,8 miljoen delicten zijn gepleegd. Daarvan heeft de politie minder dan 250.000 misdrijven opgelost - nog geen vijf procent. Zolang dat aantal niet stijgt, zal de roep om 'meer blauw op straat' bij verkiezingen weerkeren. Zeker als justitie zoals begin dit jaar 'bolletjesslikkers' bewust laat lopen - de gelukszoekers die tegen een relatieve fooi hun maag vol cocaïne stoppen om het vliegtuig richting Nederland te nemen. Dat was opnieuw een kwestie van 'prioritering' en 'capaciteit'.
Wat niet gebeurt? Neem het jaar 2000. Toen in Enschede een vuurwerkfabriek ontplofte, 22 mensen omkwamen en een hele woonwijk werd verwoest. De overheid stelde wel regels op voor de opslag van vuurwerk, maar controleerde niet of die regels ook werden nageleefd. Dus draagt de overheid schuld, zo redeneert de kiezer. In het jaar van de vuurwerkramp stelden de christendemocraten voor het eerst voor om het recht op veiligheid in de Nederlandse grondwet op te nemen. Maar is veiligheid iets dat een overheid kan beloven, laat staan garanderen? Elf september zegt genoeg.
Op een bord dat in Nederlandse woonwijken gewoon is geworden staat: 'Attentie: Buurtpreventie'. In buurten waar de politie bij gebrek aan mankracht niet veel meer komt, lopen bewoners bij toerbeurt hun ronde om criminaliteit en overlast te weren. Populair zijn ook de 'Marokkaanse buurtvaders'. Zij houden met succes de wacht in wijken waar Marokkaanse jongens voor veel overlast zorgen - en waar de politie volgens sommige berichten niet eens meer dúrft te komen. In welgestelde dorpen, zoals Laren, betalen bewoners gezamenlijk een particuliere beveiligingsbeambte in die zijn rondjes rijdt.
Nederland is een handelsnatie, ook hier is veiligheid te koop. Binnenkort is het aantal particuliere beveiligers zelfs groter dan het aantal agenten - ze lopen nog maar een vierde achter. Een politiecommissaris wees eens op een relevant bezwaar: ,,Het zijn profitorganisaties. Die doen aan marketing. Dat betekent dat ze er belang bij hebben dat mensen zich ónveilig voelen.''
In 2001 stierven in Volendam veertien jongeren bij een cafébrand; deze keer controleerde niemand of de cafébaas zich aan de brandvoorschriften hield. Daar had de lokale overheid voor moeten zorgen, zo luidde opnieuw de publieke opinie. Maar toen de eerste tranen gedroogd waren durfden sommigen het ook anders te stellen: hadden burgers geen eigen verantwoordelijkheid? Was het verstandig een overvol café in te gaan, waar het plafond was versierd met een tapijt van brandbare kersttakken?
Volgens Hans Boutellier, sociaal-psycholoog en in het dagelijks leven een hoge ambtenaar op het ministerie van Justitie, typeert wat in Volendam gebeurde als een heel Nederlandse houding: we begeven ons in een risicovolle situatie en vinden evengoed dat die situatie verboden had moeten worden. Boutellier schreef daarover de afgelopen twee jaar in zijn vrije tijd een boek met de titel De Veiligheidsutopie: hedendaags onbehagen en verlangen rond misdaad en straf. Hij geeft een interessante verklaring voor de roep om veiligheid die niemand echt goed zag aankomen en die Fortuyn zo goed wist te bespelen.
Boutellier beschrijft de spanning die er in de westerse cultuur is ontstaan tussen veiligheid en, zoals hij het noemt, vitaliteit. Hij bedoelt ,,de ongekende en ongeremde vrijheidsbeleving'' van tegenwoordig, ,,hedonisme en narcisme, drugs en seks''. Het soort zaken waar Nederland in de wereld bekend om is. Vitaliteit is op zijn best daadkracht, zegt Boutellier. ,,Maar op zijn slechtst slaat die daadkracht om in grenzeloos gedrag, grensoverschrijdend gedrag, criminaliteit.''
Juist vitaliteit roept volgens Boutellier dan ook behoefte aan beteugeling op. Op zijn boek staat een afbeelding van een bungeejumper. ,,Die symboliseert voor mij de veiligheidsutopie: de hoop dat vrijheid en veiligheid kunnen samenvallen. Je maakt die sprong, maar wenst je beschermd door het elastiek aan je voeten.''
Er zijn volgens Boutellier weinig westerse landen waar de wens om veiligheid en vitaliteit te combineren zo groot is als hier. ,,Sinds de jaren '60 is Nederland daarin spraakmakend. De tolerantie ging hier heel ver. Typerend was het 'bespreekbaar willen maken' van álles. Drugs, seks, wat dan ook.''
Dat juist in Nederland een politicus zo populair wordt met het motto Ik zeg wat ik denk, kan nauwelijks toeval zijn. Pim Fortuyn, vindt Boutellier, was de verpersoonlijking van onze vitalistische cultuur. ,,De bungeejumper van onze tijd. Hedonistisch en narcistisch was hij, homoseksueel, sprak openlijk over seks, maar had ook iets kleinburgerlijks.''
Lang mocht in Nederland niet gezegd worden dat Marokkaanse jongens, de zonen van de immigranten, onze dubbelhartigheid niet altijd lijken te begrijpen. Dat ze hoog scoren in de criminaliteitscijfers en soms een Nederlands meisje aanranden. Terwijl dat toch een typisch gevolg van ons vitalisme is. Vanzelfsprekend sprak Pim Fortuyn er wel over.
Nu een politicus is vermoord is de grens van ons vitalisme echt in zicht. Die grens, onze laatste norm, is het strafrecht. Dus schreeuwen we nu om justitie. Strengheid willen we! Afgelopen week werden ons in de kabinetsformatie twee ministers van justitie beloofd. Het conceptregeerakkoord is rond en staat geheel in het teken van plichten. Voor wie? Voornamelijk voor buitenlanders - wij lijden nu eenmaal aan een diep geworteld vrijheidsgevoel en onze normen, die gelden voor anderen.