Naar de inhoud

Wir War Bar

Bron: J.N. veerman Horeca BV

Volendam, 21-8-2002

Geacht College,

Inzake: Wir War Bar
 
College van Burgemeester en Wethouders
van de Gemeente Edam-Volendam
Postbus 180
1130 AD VOLENDAM


In aanvulling op mijn brief van 1 mei 2002 en het oriënterend gesprek dat op 24 juni jl. tussen uw College en mij en mijn adviseurs plaatsvond, vraag ik u in het kader van de voorlopige besluitvorming nog aandacht voor het volgende.

In een persbericht van 25 juni jl. heeft uw College zijn voorlopig standpunt uiteengezet.

In mijn brief van 1 mei 2002 heb ik - op grond van de in die brief uitvoerig uiteengezette gronden - het voorstel gedaan om de horeca-exploitatie van de panden Haven 154 en 156 te staken en gestaakt te houden, met uitzondering van Bar “De Blokhut” (zij het dat de toegang tot De Blokhut uitsluitend vanuit de naastgelegen nieuwe panden mogelijk zou worden gemaakt). Mijn voorstel voorzag er voorts in, dat de horeca-activiteiten zoals die werden uitgeoefend in de “Wir War Bar” en “De Hemel” zouden worden verplaatst naar de naastgelegen nieuw te realiseren panden.

Het voorlopig standpunt van uw College zou voorzien in een beperkte realisering van mijn voorstel. De exploitatie van “De Blokhut” zou, naar uw voorlopig oordeel, volledig worden gestaakt en in de naastgelegen nieuw te realiseren opstallen zou uitsluitend op dijkniveau horeca-exploitatie plaatsvinden. 
 
Het voorlopig oordeel van uw College zou leiden tot een aanmerkelijk beperktere omvang van horeca-exploitatie dan in mijn voorstel was voorzien (welk voorstel reeds tot een beperking van de omvang van de voorheen bestaande horeca-exploitatie zou leiden). Een verdere beperking, zoals in het voorlopig oordeel van uw College ligt besloten, heeft als nadeel dat de opbrengsten van de exploitatie aanmerkelijk lager komen te liggen.

Juist omdat de exploitant - J.N. Veerman Horeca B.V. - zich bereid verklaard heeft vanuit die opbrengsten een significante financiële tegemoetkoming aan de slachtoffers te betalen, zou een (verdere) beperking van de horeca-exploitatie naar mijn oordeel minder opportuun zijn.

Anderzijds heb ik vanzelfsprekend oog voor de overwegingen die aan het voorlopig oordeel van uw College ten grondslag liggen. Bij nadere overweging zou ik mij kunnen voorstellen dat een oplossing zou kunnen zijn gelegen in een situatie waarbij, indien de Raad daarmee instemt, het voorlopig oordeel van uw College zou worden gevolgd en uitsluitend horeca-exploitatie zou plaatsvinden op het dijkniveau van de panden Haven 146/148. Anderzijds zouden Raad en uw College de hiervoor geschetste financiële nadelen van de verdere beperking van de horeca-exploitatie kunnen compenseren door de exploitant toe te staan een aanvullende horeca-exploitatie op een andere plaats binnen Volendam te gaan starten. Ik heb reeds een concrete locatie in gedachten, die voor een dergelijke horeca-exploitatie geschikt zou zijn. Ik licht u dat gaarne binnenkort nader toe.

Het voordeel van deze ‘gecombineerde’ aanpak is dat er meer financiële armslag ontstaat voor de tegemoetkoming aan de slachtoffers, terwijl tevens wordt voorzien in de sterke behoefte aan een extra horecavoorziening binnen de Gemeente.

Ten aanzien van de exploitatie van de horecavoorziening aan de Haven hecht 1k er voor de goede orde aan, dat ik voornemens ben uitsluitend In de opstartfase nog zelf direct betrokken te zijn bij de leiding over de onderneming; nadien zal ik zelf geen rechtstreekse leiding meer aan de onderneming aldaar geven.

Ten slotte merk ik nog op, dat de wens van de exploitant tot de herstart van horeca activiteiten natuurlijk een verband houdt met het schikkingoverleg dat met vertegenwoordigers van de slachtoffers wordt gevoerd. Maar ook los van het op korte termijn bereiken van een definitieve regeling, Is deze herstart geboden. daar ook In dat geval een tegemoetkoming aan de slachtoffers wordt nagestreefd. Het zou kortom onjuist zijn om de besluitvorming door Uw College en Raad uitsluitend te koppelen aan de totstandkoming van een definitieve, de exploitant kwijtende, regeling. 
 
In verband met de definitieve standpuntbepaling van uw College ter voorbereiding van de besluitvorming voor de Raad zou ik met het oog op het vorenstaande gaarne op korte termijn met uw College nader van gedachten willen wisselen. Daartoe zou ik gaarne, voordat u een en ander aan de Raad voorlegt, een uitnodiging tot een gesprek van u willen ontvangen.

In afwachting van uw verdere berichten verblijft,


met de meeste hoogachting,

JN Veerman
Kathammerzeedijk 16
1131 CW Volendam

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.