'Er zullen altijd slachtoffers zijn'
'Er zullen altijd slachtoffers zijn'
'Niet iedereen die hetzelfde meemaakt, is direct een slachtoffer. Sommige mensen zijn meer vatbaar voor het ontwikkelen van hardnekkige klachten dan anderen. Dat houdt verband met hun geestelijke constitutie.' Dr. mr. Frans Willem Winkel (54) uit Almere is onlangs benoemd tot de eerste Nederlandse hoogleraar victimologie, slachtofferkunde. Hij gaat zich aan de faculteit psychologie en pedagogiek van de Vrije Universiteit in Amsterdam bezighouden met de positie van het slachtoffer.
Winkel is gepromoveerd psycholoog en jurist en doet al jaren onderzoek naar diverse aspecten van het 'slachtofferschap'. Hij heeft een groot aantal wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan, waarin de psychische gevolgen worden belicht voor mensen die ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt. Winkel was verder jarenlang bestuurslid van de stichting Slachtofferhulp Nederland, de organisatie die via 75 buro's hulp aan slachtoffers biedt.
Herkennen
De nieuwe hoogleraar gaat zich, behalve op de effecten van traumatische voorvallen op slachtoffers, ook richten op het (verder) ontwikkelen van methodes voor het herkennen van slachtoffers. Zijn aandacht gaat vooral uit naar de mensen die niet direct (als) potentieel slachtoffer aan het licht zijn gekomen. Winkel schat hun aantal op 100.000 mensen, die hardnekkige klachten hebben ontwikkeld als gevolg van een verkeersongeluk, misdrijf of andere ingrijpende gebeurtenis. Dat zijn er evenveel als de buro's Slachtofferhulp jaarlijks over de vloer krijgen en die meestal wel hulp krijgen.
'Volendam, de Bijlmer, dat zijn 'bekende' slachtoffers. Het ligt ook voor de hand dat zich bij slachtoffers van zware criminaliteit klachten ontwikkelen. Die komen ook vaak, hetzij via Slachtofferhulp of huisarts, in contact met hulpverleners. De 'anonieme' groep slachtoffers van zogeheten lichte criminaliteit en minder in het oog springende gebeurtenissen is echter veel groter en van hen ontwikkelt een aantal eveneens hardnekkige klachten. Zij worden niet herkend en blijven hierdoor verstoken van hulp.
Verhaal
'Debriefing is één methodiek om potentiële slachtoffers te herkennen. Volgens Winkel houdt dit in dat betrokkenen van bijvoorbeeld een grootschalig verkeersongeluk de gelegenheid krijgen om hun verhaal te vertellen. De slachtoffers die om hulp vragen, kunnen zodoende direct in contact worden gebracht met hulpverleners. Verder kan tijdens die debriefing mensen worden geleerd hoe zij klachten die zij later ontwikkelen bij zichzelf kunnen herkennen. 'Ik ben, in tegenstelling tot sommige collega's, voorstander van een snelle debriefing, omdat die de meeste (potentiële) slachtoffers aan het licht brengt. Het moet wel zorgvuldig gebeuren, zodat het niet averechts werkt en mensen als gevolg van die voorlichting juist klachten ontwikkelen.'
'Een belangrijk hulpmiddel bij het herkennen van slachtoffers is de mede door Winkel ontwikkelde checklist. Deze lijst bevat vijftien é twintig gerichte vragen en kan worden gebruikt door mensen die de eerste opvang van slachtoffers doen. De antwoorden geven een indicatie of iemand hulp nodig heeft of vatbaar is voor het ontwikkelen van hardnekkige klachten en eventueel in een later stadium hulp nodig zal hebben. Winkel heeft zelf een voorkeur de stichting Slachtofferhulp te blijven inschakelen bij de eerste opvang van slachtoffers.
Vangnet
'Slachtofferhulp werkt in de directe opvang met 1500 vrijwilligers en ik vind het een goede gedachte om slachtoffers door andere 'burgers' te laten opvangen. Ik pleit ervoor een aantal van die 1500 mensen te trainen om onder de slachtoffers die risicogroepen te herkennen. Verder zou Slachtofferhulp een meer directieve houding moeten krijgen, zodat efficiënter en sneller kan worden doorverwezen.'
Hij betreurt het verder dat de overheid bij het veiligheidsdebat de nadruk legt op repressie en preventie. 'Wat voor systeem je ook ontwikkelt, het kan nooit waterdicht zijn; er zullen altijd slachtoffers zijn. De overheid moet die mensen een vangnet bieden. Dat klinkt logisch, maar de overheid heeft juist vaak gezegd; slachtoffers moeten het zelf maar zien te redden en hun eigen hulpverlening regelen. Zij worden helaas nog steeds gezien als een sluitpost op de begroting. De inzet van vrijwilligers daarbij is goed, maar als je dat vangnet in stand wil houden en verder professionaliseren kost dat geld. De politiek moet er zich rekenschap van geven dat slachtofferhulp een integraal onderdeel van het veiligheidsbeleid moet zijn. In Nederland heeft altijd de dader of veroorzaker centraal gestaan, maar in de meeste andere Europese landen is er veel meer een anti-dader en pro-slachtoffergedachte.'
Het gevolg van die achterstand in de belangstelling voor slachtoffers is dat Slachtofferhulp de subsidie uit verschillende bronnen ontvangt, via de ministeries van Justitie (voor slachtoffers van geweld) en Verkeer en Waterstaat (voor slachtoffers van verkeersongevallen), de gemeenten en uit andere bronnen. 'Het risico ontstaat dan dat de organisatie niet zeker is van een constante geldstroom, maar afhankelijk is van hoe de diverse ministers en departementen over slachtoffers denken. Ik vind dat bovendien principieel volstrekt onjuist. Slachtofferhulp is gewoon eerste lijns gezondheidszorg. De minister van Volksgezondheid zou ook moeten zeggen: dat is mijn verantwoordelijkheid, daar trek ik geld voor uit.'