Concept Nota Horecabeleid (H1 t/m H4)
INLEIDING
Voor u ligt de Nota Horecabeleid Edam-Volendam. In de Gemeente Edam-Volendam moet plaats zijn voor een evenwichtig en gevarieerd horeca-aanbod. In veel gemeenten wordt de discussie gedomineerd door de problemen in en rond de horeca. De positieve aspecten die de horeca te bieden heeft, dreigen daardoor naar de achtergrond te verdwijnen. Door haar functie van ontmoetingsplaats is de maatschappelijke en, in mindere mate, de economische betekenis van de horeca groot. Horeca-inrichtingen ondersteunen en versterken andere functies, zoals wonen, winkelen, recreatie en toerisme. Bovendien leveren horeca-inrichtingen een aandeel in de werkgelegenheid.
In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de vraag waarom er een Nota Horecabeleid in de Gemeente Edam-Volendam moest komen. Tevens wordt ingegaan op de doelstellingen van de nota.
In hoofdstuk 2 vindt u in hoofdlijnen een overzicht van het geldende juridische kader - en daarmee het instrumentarium – ter regulering van de horeca. Aan de orde komen landelijke en wet- en regelgeving en gemeentelijke regelgeving .
Hoofdstuk 3 beschrijft de horecarelevante aspecten. In dit hoofdstuk wordt kort uiteengezet op welke terreinen overheidsbemoeienis met de horeca zoal kan plaatsvinden. Er wordt niet nader ingegaan op instrumenten die de gemeente op deze terreinen ter beschikking staan in verband met de horeca.
Ruimtelijke ordening in relatie tot de horeca komt aan de orde in hoofdstuk 4. Het bestaande beleid wordt beschreven, waarbij een overzicht wordt gegeven van categorieën waarin horecagelegenheden kunnen worden onderverdeeld. Hierbij worden ook de uitgangspunten voor het toekomstig beleid belicht.
In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het exploitatievergunningstelsel. De APV biedt een handvat om overlast in de zin van de openbare ordeproblematiek buiten een horeca-inrichting tegen te gaan.
Paracommercialisme wordt behandeld in hoofdstuk 6. Bij zogenaamde paracommerciële horecabedrijven kan soms sprake zijn van oneerlijke concurrentie ten opzichte van de reguliere horeca. Het betreft niet-commerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.
In hoofdstuk 7 komt het nieuw ontwikkelde terrassenbeleid aan de orde. Naast een aantal algemene beleidsregels treft u ook specifieke beleidsregels voor het plaatsen van terrassen op de openbare weg aan.
In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op het aspect handhaving. In dit hoofdstuk wordt een link gelegd met de Kadernota Handhaving.
In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de verordening op de heffing en invordering van precariobelasting en op de verordening op de heffing en invordering van leges.
In hoofdstuk 10 worden een aantal zaken naar voren gebracht waarover de raad geacht wordt te beslissen. De beslispunten zijn per hoofdstuk ingedeeld.
In hoofdstuk 11 wordt ingegaan op evaluatie van de Nota Horecabeleid en eventuele bijstelling van de beleidsdoelstellingen.
HOOFDSTUK 1 DOELSTELLING EN STATUS
Waarom een nota?
Landelijke en gemeentelijke ontwikkelingen hebben hun weerslag op de horecavoorzieningen in de gemeente. De ontwikkelingen rechtvaardigen het neerleggen van doelstellingen in een aparte nota.
Op landelijk niveau hebben zich ontwikkelingen voorgedaan in de sfeer van de regelgeving. Met name de milieuwetgeving is na 1990 ingrijpend herzien. Zo bestaat het instrument van de hinderwetvergunning niet langer en zijn er in de vorm van de "AMvB Horeca" landelijke geluidseisen geïntroduceerd. Tevens zijn de Drank- en Horecawet en de Vestigingswetgeving herzien, hetgeen onder andere heeft geresulteerd in het invoeren van een bewijs van sociale hygiëne voor het verkrijgen van een Drank- en Horecavergunning en het diploma Algemene Ondernemersvaardig-heden voor het verkrijgen van een vestigingsvergunning.
Door de omvang van de Gemeente Edam-Volendam met zo'n 28.000 inwoners, zal het voorzieningenniveau van de gemeente, in verhouding moeten staan tot het aantal inwoners. Hier zal de horeca ook onderdeel vanuit moeten maken.
Op 27 februari 1997 is de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de Gemeente Edam-Volendam in werking getreden. Sinds 1997 is een aantal wijzigingen in de APV vastgesteld. Thans wordt gewerkt aan een integrale herziening van de APV. De bedoeling is dat deze herziene APV begin 2003 in werking zal treden.
Door bovenstaande ontwikkelingen is het wenselijk uniform horecabeleid vast te stellen. De voorliggende nota zal, zodra deze door de raad is vastgesteld, als kader dienen voor het horecabeleid in de Gemeente Edam-Volendam gedurende een periode van vijf jaren. De doelstellingen van deze nota kunnen als volgt worden geformuleerd:
1. het geven van inzicht in het gemeentelijk beleid en de diverse regelingen ten aanzien van de horeca;
2. het vormen van een juridisch toetsingskader voor de beoordeling van aanvragen voor diverse vergunningen voor horecabedrijven;
3. het bieden van een richtinggevend kader voor de verdere uitwerking van beleid op andere terreinen, die direct of indirect, betrekking hebben op de horeca (bijvoorbeeld verkeersbeleid, ruimtelijk beleid).
Het bovenstaande is van toepassing voor zover er sprake is van beleidsvrijheid (autonomie of discretionaire bevoegdheid) van het gemeentebestuur. Indien wettelijke regelingen door de gemeente verplicht moeten worden uitgevoerd zonder dat er sprake is van beleidsruimte, is de nota niet van toepassing.
HOOFDSTUK 2 JURIDISCH KADER HORECABELEID
Inleiding
Op horecabedrijven is een veelheid van vaak complexe wettelijke regels van toepassing. Het betreft wettelijke regelingen van zowel Rijk als gemeenten, die sectoraal tot stand zijn gekomen en onderling soms niet of niet voldoende op elkaar zijn afgestemd. Er bestaat dus geen "integrale horecawetgeving" die alle aspecten rondom de horeca regelt. Dit heeft onder meer tot gevolg dat er in de diverse wetten verschillende definities worden gehanteerd voor het begrip horeca. De uitvoering van de diverse wetten berust bij verschillende instanties.
Algemeen uitgangspunt is dat hogere regelingen prevaleren boven lagere regelingen. Hetgeen in wetten – en in AMvB's/besluiten krachtens deze wetten – is geregeld, mag niet tevens in een gemeentelijke verordening worden geregeld. Indien in een wet of een besluit een onderwerp niet uitputtend geregeld is, bestaat de mogelijkheid tot nadere regelgeving, bijvoorbeeld in de APV Het is ook mogelijk een zelfde onderwerp te regelen op voorwaarde dat een ander doel wordt beoogd. Dit is bijvoorbeeld het geval met sluitingstijden van horecabedrijven. Met behulp van de APV kunnen de sluitingstijden in het algemeen worden geregeld met als doel de bescherming van de openbare orde.
In dit hoofdstuk wordt in hoofdlijnen een overzicht gegeven van het geldende juridische kader - en
daarmee van het instrumentarium – ter regulering van de horeca. Achtereenvolgens komen aan de orde:
– Wet- en regelgeving, die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de horeca:
– Drank- en Horecawet en Vestigingswetgeving;
– Wet Milieubeheer;
– Wet op de Kansspelen;
– Wet op de Ruimtelijke Ordening;
– Gemeentewet;
– Algemene wet bestuursrecht;
– Opiumwet.
– Gemeentelijke regelgeving:
– APV;
– Bouwverordening;
– Drank- en Horecaverordening;
– Horecaconvenant;
– Horecabeleid tijdens kermissen;
– Bestemmingsplan;
– Nota lokaal drugsbeleid Gemeente Edam-Volendam;
– Leefmilieuverordening.
Landelijke regelgeving
Drank- en Horecawet en Vestigingswetgeving
De Drank- en Horecawet stelt vanuit sociaalhygiënisch oogpunt regels aan het verstrekken van alcoholhoudende drank vanwege het veronderstelde gevaarlijke karakter van met name sterke drank op mens en samenleving. Voor het verstrekken van alcoholhoudende drank wordt dan ook een vergunning vereist en zijn tal van verboden opgenomen rond de wijze van alcoholverstrekking. Het college van B&W voert op lokaal niveau de Drank- en Horecawet in medebewind uit. Een vergunning moet worden verleend als er geen in de Drank- en Horecawet genoemde weigeringsgronden aanwezig zijn.
Artikel 27 van de Drank- en Horecawet luidt:
1. Een vergunning wordt geweigerd indien:
a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen;
b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn;
c. artikel 7, tweede lid, of artikel 31, derde lid, zich tegen de verlening van de gevraagde vergunning verzet;
d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
2. Een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31,
eerste lid, onder d, is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van
ten hoogste vijf jaar worden geweigerd.
De gemeente is dus aan strikte voorwaarden gebonden en mag, behoudens enkele uitzonderingen, geen eigen vergunningvoorwaarden stellen. Derhalve moet de Drank- en Horecavergunning worden afgegeven aan een ondernemer die voldoet aan de in de Drank- en Horecawet gestelde eisen.
Op 1 november 2000 is een herziene versie van de Drank- en Horecawet in werking getreden. De centrale doelstelling van deze nieuwe Drank- en Horecawet is alcoholmatiging, in het bijzonder ter voorkoming van gezondheidsrisico's en maatschappelijke problemen door misbruik van alcoholhoudende dranken. De nieuwe bepalingen zijn zowel gericht op beperking van het aantal verkooppunten, op matiging van het alcoholgebruik en op beperking van het risico van alcoholgerelateerde problemen tijdens specifieke risicosituaties en/of door kwetsbare groepen. Een wijziging in de nieuwe Drank- en Horecawet is dat niet meer gesproken wordt van ondernemers, bedrijfsleiders en beheerders, maar van leidinggevenden.
Tot 1 januari 1996 moest ook voldaan worden aan de vestigingseisen: eisen van handelskennis en vakbekwaamheid. De bedrijfsleider moest in het bezit zijn van een diploma handelskennis en de beheerder van een diploma vakbekwaamheid voor het cafébedrijf. Vestigingseisen werden voorheen in drie aparte wetten geregeld, te weten de Vestigingswet Bedrijven 1954, de Vestigingswet Detailhandel en de Drank- en Horecawet. Nu zijn de vestigingseisen opgenomen in één wet, de Vestigingswet Bedrijven 1954. Als gevolg van deze wijziging heeft een ondernemer geen diploma vakbekwaamheid voor het cafébedrijf meer nodig om een vestigingsvergunning te krijgen, maar dient de ondernemer wel in het bezit te zijn van het diploma Ondernemersvaardigheden. De volksgezondheidseisen blijven daarentegen op grond van de Drank- en Horecawet onverminderd van kracht voor elke leidinggevende (ook voor de ondernemer). Volgens de Drank- en Horecawet dienen alle leidinggevenden te beschikken over een Verklaring Sociale Hygiëne, voordat een Drank- en Horecavergunning kan worden verstrekt (artikel 8, lid 4). Bij sociale hygiëne gaat het in het algemeen om het scheppen van randvoorwaarden in de sfeer van de openbare volksgezondheid. De gedachte is dat de horecaondernemer de risico's van alcoholverstrekking dient te kennen en hierop goed weet te reageren. De vestigingsvergunning wordt afgegeven door de Kamer van Koophandel.
Wet Milieubeheer
De Wet Milieubeheer stelt algemene regels voor horeca-inrichtingen, met name voor geluid en de wet bevat een vergunningstelsel voor grotere bedrijven. De wet bevat een regeling om hinder in of vanuit een horeca-inrichting te voorkomen of te beperken. Een horecaondernemer kan verplicht worden, zonodig met bestuursdwang, voorzieningen te treffen, maatregelen te nemen of gedragsregels na te leven.
De meeste horeca-inrichtingen hoeven, voordat er met de exploitatie van de inrichting kan worden begonnen, zich slechts te melden aan het bevoegd gezag. Deze inrichtingen worden dan ook meldingsplichtige inrichtingen genoemd. In de praktijk vindt deze melding plaats bij de afdeling Milieu van de gemeente. In een deel van de horeca-inrichtingen – de zogenaamde zwaardere bedrijven – kan pas met het bedrijf begonnen worden indien men een vergunning heeft. Deze inrichtingen worden wel vergunningsplichtige inrichtingen genoemd. Het college van B&W verleent de vergunning en is formeel sanctiebevoegd. De controle op de vergunning gebeurt door genoemde afdeling en de politie.
Wet op de Kansspelen
In 1986 werd door wetgeving de gelduitkerende speelautomaat (kansspel- of behendigheidsautomaat) onder strikte voorwaarden gelegaliseerd. Hierbij is gekozen voor een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de rijks- en lokale overheid. De rijksoverheid bepaalt de randvoorwaarden zoals de afgifte van exploitatievergunningen, de toelating van typen speelautomaten, de technische eisen en het aangeven van de soort (horeca)locaties waar kansspelautomaten mogen staan. Gemeenten bepalen het uitvoeringsbeleid inzake de plaatsing van speelautomaten en de burgemeester geeft de zogenoemde aanwezigheidsvergunning af.
In 2000 is de Wet op de Kansspelen herzien. De belangrijkste wijziging betreft het opstelplaatsenbeleid van de kansautomaten. Het onderscheid hoog- en laagdrempelig is wettelijk vastgelegd waardoor gemeenten het oude criterium van natte en droge horeca niet meer kunnen hanteren. Gemeenten moeten vergunning verlenen voor maximaal twee kansspelautomaten in hoogdrempelige inrichtingen en mogen geen vergunning voor kansspelautomaten verlenen voor laagdrempelige inrichtingen.
Wet op de Ruimtelijke Ordening
De Wet op de Ruimtelijke Ordening dient voor de horeca voornamelijk om de problematiek van onrechtmatige of onwenselijke vestiging van exploitatie tegen te gaan. De gemeenteraad kan de vestiging van (horeca)inrichtingen reguleren door de bestemming van een bepaald stuk grond te bepalen met een bestemmingsplan en door eventueel in bestemmingsvoorschriften regels te stellen voor het gebruik. De Wet op de Ruimtelijke Ordening noemt een aantal mogelijkheden en randvoorwaarden voor gemeentelijke bestemmingsplannen, zoals nadere eisen, procedures, vrijstellingen, intrekking et cetera. De verdere invulling wordt aan gemeenten zelf overgelaten.
Gemeentewet
De Gemeentewet speelt voornamelijk een rol bij de probleemcategorie "openbare orde" en "vestiging en exploitatie", voor zover deze wet de bevoegdheid geeft tot het vaststellen van verordeningen op dit terrein. Behalve op basis van de Gemeentewet kunnen gemeenten ook verordeningen opstellen in het geval een specifieke wet daartoe bevoegdheid geeft (bijvoorbeeld speelautomatenverordening of op basis van artikel 23 van de nieuwe Drank- en Horecawet). Verordeningen op basis van een specifieke wet zijn echter gebonden aan de reikwijdte van de betreffende wet. In een verordening op basis van de Gemeentewet kan veel meer geregeld worden.
Algemene wet bestuursrecht
De Algemene wet bestuursrecht bevat handhavingsprocedures (bijvoorbeeld het toepassen van bestuursdwang) die een belangrijke basis vormen voor de verschillende "horecagerelateerde" regelgeving. Op basis van de Algemene wet bestuursrecht kunnen bij of krachtens bijzondere wet personen worden aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving van de wet.
Opiumwet
Met artikel 13b van de Opiumwet (ook wel de Wet Damocles genoemd), heeft de burgemeester een instrument in handen gekregen om publiek toegankelijke inrichtingen aan te pakken, ook als er geen sprake is van overlast. Het doel van de Opiumwet is, net als de Drank- en Horecawet, de bescherming van de volksgezondheid. Er kan tot sancties worden overgegaan zonder dat er sprake is van concrete overlast of verstoring van de openbare orde. De bevoegdheid tot bestuursdwang is geattribueerd aan de burgemeester.
Gemeentelijke wet- en regelgeving
APV
Via de APV kan een gemeente vele aspecten van de horeca regelen waarvoor de Drank- en Horecawet geen uitkomsten biedt. Op 27 februari 1997 is de APV van de Gemeente Edam-Volendam in werking getreden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een herziene versie van de APV In hoofdstuk 2, afdeling 3 is het "Toezicht op openbare inrichtingen" opgenomen. Het motief van dit hoofdstuk is het streven naar beheersing van het woon- en leefklimaat. Door middel van regulering van de vestiging en van de exploitatie van horecabedrijven wordt getracht een aantasting van de woon- en leefsituatie, gerelateerd aan de vestiging van horecabedrijven, zoveel mogelijk te voorkomen.
In de huidige APV zijn onder andere bepalingen opgenomen omtrent het sluitingsuur van horecabedrijven en sluitingsbepalingen voor horecabedrijven, die gevaar opleveren voor de openbare orde of zedelijkheid of voor het woon- en leefklimaat.
Bouwverordening
In een bouwverordening is het brandveilig gebruik van bouwwerken geregeld en is het verboden zonder een gebruiksvergunning een bouwwerk (zoals een horecapand) in gebruik te hebben of te houden. Aan de gebruiksvergunning worden veelal voorwaarden gesteld in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.
In de Gemeente Edam-Volendam is ook een bouwverordening van toepassing. Deze bouwverordening dateert uit 1994. De zevende serie wijzigingen van voornoemde bouwverordening is vastgesteld op 21 december 2000. In artikel 6.1.1. staat vermeld dat het verboden is zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden. In de Gemeente Edam-Volendam is de sector Brandweer/Veiligheid belast met het afgeven van gebruiksvergunningen.
Drank- en Horecaverordening
In de Gemeente Edam-Volendam is op 23 december 1993 een Drank- en Horecaverordening vastgesteld. In deze Drank- en Horecaverordening zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de aanwezigheid van personen beneden de 16 jaar en bepalingen inzake beperking van de verstrekking van sterke drank.
Horecaconvenant
Op 27 januari 2000 is een horecaconvenant tussen de Gemeente Edam-Volendam, de individuele horecaondernemers in Edam-Volendam, de politieregio Zaanstreek-Waterland en het Openbaar Ministerie te Haarlem vastgesteld. Binnen korte tijd volgt actualisering van het convenant. De doelstelling van het convenant is overlast als gevolg van het uitgaansleven voorkomen. De Gemeente Edam-Volendam is verantwoordelijk voor het lokale veiligheidsbeleid, zij heeft de regie bij het in stand houden van het structurele horecaoverleg. De horecaondernemers zijn primair verantwoordelijk voor de gang van zaken in hun bedrijf. De verantwoordelijkheid van de politie is gericht op de opsporing van strafbare feiten en op het houden van toezicht. Het Openbaar Ministerie zet zich in om tot een adequate en spoedige afhandeling te komen van strafbare feiten die in verband staan met de kwaliteit van het uitgaansleven.
Horecabeleid tijdens kermissen
In de Gemeente Edam-Volendam is apart horecabeleid tijdens kermissen vastgesteld. Dit ter voorkoming van mogelijke onduidelijkheden over wat tijdens de kermisdagen wel en niet wordt getolereerd. Dit beleid houdt het volgende in:
· de verkoop van alcoholhoudende drank is alleen toegestaan binnen de inrichting en niet op of aan de openbare weg;
· de alcoholschenkende inrichtingen dienen om 02:30 uur het ten gehore brengen van muziek te staken en om 03:00 uur gesloten te zijn;
· de alcoholvrije inrichtingen dienen om 03:30 uur het ten gehore brengen van muziek te staken en om 04:00 uur gesloten te zijn;
· eetgelegenheden en winkels mogen, net als de alcoholvrije inrichtingen, tot 04:00 uur geopend zijn;
· de controle door de politie op geopende ramen en deuren tijdens het ten gehore brengen van muziek zal plaatsvinden vanaf 02:00 uur;
· het plaatsen van "biertonnen" is toegestaan met inachtneming van een aantal voorwaarden;
Bestemmingsplannen
Op basis van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet een gemeenteraad bestemmingsplannen opstellen. De bestemmingsplannen van de Gemeente Edam-Volendam regelen met een kaart en bijbehorende voorschriften de bestemmingen van de in de plannen begrepen grond en geven regels voor het gebruik van grond en opstallen. Met betrekking tot de horeca zijn het bestemmingsplan "Stadsgezicht Edam" dat dateert uit 1985 en het bestemmingsplan "Oud Volendam" dat dateert uit 1998 in het bijzonder relevant. Een bestemmingsplan is bindend voor burgers en bestuur. Het legt de bestemmingen positief vast, het regelt namelijk wat mag.
Het is in het algemeen verboden horeca-activiteiten te ontplooien buiten de daarvoor bestemde panden en locaties. Vestiging in een niet tot horeca bestemd pand of op een niet voor horeca bestemde locatie kan, indien de mogelijkheid aanwezig is alleen met vrijstelling, of na aanpassing van het bestemmingsplan worden toegestaan. Daartegenover staat dat in de meeste bestemmingsplannen aan panden of locaties met een horecabestemming geen of onvoldoende voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het soort horeca (pensions en hotels uitgezonderd). Dit in tegenstelling tot het bestemmingsplan Oud Volendam, waarin wel eisen aan panden of locaties met een specifieke horecabestemming zijn gesteld.
Het verplichte overgangsrecht van bestemmingsplannen is duidelijk: een bepaalde vorm van gebruik die in strijd met het nieuwe bestemmingsplan plaatsvindt, maar die al (legaal) bestond voordat het nieuwe bestemmingsplan onherroepelijk werd, mag worden voortgezet. Horecabedrijven kunnen in dat geval een beroep doen op het overgangsrecht. Het gebruik is gekoppeld aan de grond en de zich eventueel daarop bevindende opstallen en niet aan degene die het gebruik uitoefent. Wanneer het gebruik structureel wordt gestaakt, kan geen beroep worden gedaan op het overgangsrecht. Op dit onderwerp wordt nog specifiek teruggekomen in deze nota.
Nota lokaal drugsbeleid Gemeente Edam-Volendam
In januari 2000 is de Nota lokaal drugsbeleid Gemeente Edam-Volendam vastgesteld. In deze nota is een nul-optiebeleid vastgesteld, dat ziet op het volledig weren van inrichtingen die (mede) zijn gericht op de verkoop van softdrugs (zgn. coffeeshops). Om de navolgende redenen is de Gemeente Edam-Volendam van mening dat een nul-optiebeleid redelijk en wenselijk wordt geacht voor Edam-Volendam:
· de vestiging van een inrichting die - mede – gericht is op de verkoop van softdrugs (zgn. coffeeshops) past niet binnen het eigen karakter van de Gemeente;
· inwoners zijn in overgrote meerderheid tegen het gebruik van en de handel in soft- en harddrugs;
· er wordt getracht te bereiken dat jongeren niet de directe gelegenheid geboden wordt in aanraking te komen met drugs;
· ongewenste aanzuigende werking op personen van buiten de gemeente die softdrugs willen verkrijgen dient voorkomen te worden;
· de vrees voor aantasting van het woon- en leefklimaat en de openbare orde.
De nota geeft niet alleen het door de Gemeente Edam-Volendam gewenste beleid ten aanzien van coffeeshops aan, maar ook de bestuurs- en strafrechtelijke middelen hoe om kan worden gegaan met drugsproblematiek.
Leefmilieuverordening
Een leefmilieuverordening, gebaseerd op de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing kan worden gezien als een instrument op basis waarvan dreigende of reeds ingetreden achteruitgang van woon- en werkomstandigheden in bepaalde gebieden kan worden geweerd of gestuit. De verordening kan worden getypeerd als een tijdelijke, niet verplichte beheersmaatregel met een werende strekking. Zij is functiegericht en de voorschriften zijn gekoppeld aan het gebied en niet aan de bestemmingen. De bepalingen van de verordening prevaleren boven het bestemmingsplan om bepaalde ongewenste ontwikkelingen de voorkomen. Deze noodmaatregel wordt vastgesteld door de gemeenteraad en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. Het instrument kan onder meer worden ingezet om het aantal horecavestigingen in een gebied te limiteren in verband met mogelijke overlast. De achteruitgang van het woon– en leefklimaat vormt de enige basis voor de vaststelling van de verordening. De gezichtspunten van de horeca-ondernemers zijn in dat opzicht niet van belang. Thans zijn in de Gemeente Edam-Volendam geen leefmilieuverordeningen van kracht.
HOOFDSTUK 3 HORECARELEVANTE ASPECTEN
Inleiding
De constatering dat horecagelegenheden verschillende functies voor de gemeente kunnen vervullen en dat horeca-activiteiten meerdere maatschappelijke belangen raken waarop overheidsoptreden gewenst wordt, geeft aan, dat op diverse beleidsterreinen bemoeienis kan ontstaan met de horeca. In dit hoofdstuk wordt kort uiteengezet op welke terreinen deze bemoeienis zoal kan plaatsvinden. Deze uiteenzetting beperkt zicht tot de soort van bemoeienis, met de bedoeling een algemeen overzicht te scheppen. Er zal niet nader in worden gegaan op instrumenten die de gemeente op deze terreinen ter beschikking staan in verband met de horeca (zie hiervoor). Wel zal in hoofdstuk 4 een overzicht worden gegeven van categorieën waarin horecagelegenheden kunnen worden onderverdeeld.
Beleidsterreinen
Beleidsterreinen
Economisch welzijn
Aan de horecasector kleven verschillende economische aspecten. De ordening van het economisch leven is echter een taak die voornamelijk op rijksniveau ligt. De gemeente heeft vooral te maken met de economische effecten die samenhangen met de aanwezigheid van horecagelegenheden. In eerste instantie kan hierbij gedacht worden aan werkgelegenheidseffecten. Hierbij gaat het zowel om werkgelegenheid binnen de bedrijven als om de secundaire werkgelegenheidseffecten, zoals bijvoorbeeld toeleveringsbedrijven. Aan deze werkgelegenheidseffecten is automatisch ook de zorg omtrent arbeidsomstandigheden verbonden. Dit is overigens geen taak voor de gemeentelijke overheid. Daarnaast hebben horecabedrijven een ondersteunende functie ten behoeve van het recreatief winkelen en recreatieve en toeristische voorzieningen.
Mogelijkheden voor de gemeente op het terrein van het economisch welzijn liggen met name in de randvoorwaardenscheppende sfeer. Hierbij kan gedacht worden aan het meewerken bij het zoeken naar geschikte locaties, het stimuleren van het vestigen van bepaalde ondernemingen en het creëren van vestigingsmogelijkheden. Omgevingsfactoren spelen bij de vestiging van horecabedrijven een belangrijke rol. Verfraaiing van straten en pleinen kan bijvoorbeeld een positieve invloed hebben op het vestigingsklimaat. Daarnaast heeft de gemeente een taak in het bestrijden van oneerlijke concurrentie die samenhangt met het zogenaamde paracommercialisme. Hieraan wordt elders in deze nota aandacht besteed.
Maatschappelijk welzijn
Op het terrein van het maatschappelijk welzijn zijn verschillende horecarelevante aspecten te onderkennen. Allereerst de sociaal-hygiënische aspecten die verband houden met het schenken van alcohol, te weten de omgeving waarin dit plaatsvindt (het horecabedrijf) en de personen die verantwoordelijk zijn voor de gang van zaken in deze inrichting. In de Drank- en Horecawet zijn met het oog op deze zaken eisen gesteld aan de inrichting en de leidinggevenden van de horecagelegenheid. Aanvullend kan de gemeente in het kader van het alcoholpreventiebeleid nog wel andere acties ondernemen (via wet- en regelgeving, controle en toezicht, overleg et cetera).
Daarnaast zijn het met name de horecabedrijven waar de kans- en behendigheidsspelen een plaats gevonden hebben. Preventie en bestrijding van gokverslaving richt zich dan ook voor een groot deel op deze inrichtingen. Op dit gebied heeft de gemeente wat meer beleidsvrijheid. De gemeente heeft hiertoe in 2000 een verordening tot wijziging van de APV Edam-Volendam vastgesteld.
Vanuit het oogpunt van maatschappelijk welzijn kan tevens worden gewezen op de sociale en maatschappelijke functie van horecagelegenheden. Horecagelegenheden zijn ontmoetingsplaatsen voor de inwoners van de gemeente. Niet alle inwoners gaan naar dezelfde soort gelegenheden. Binnen verschillende culturen vervult de horecagelegenheid bij uitstek een ontmoetingsfunctie.
Volksgezondheid
Voor wat betreft de hygiënische aspecten die verband kunnen houden met het bereiden en verstrekken van drank- en etenswaren is aan de Keuringsdienst van Waren een toezichthoudende taak opgedragen. De gemeente komt in beeld als het gaat om de algemeen-hygiënische aspecten. De gemeente dient namelijk te controleren of alle leidinggevenden beschikken over een Verklaring Sociale Hygiëne, voordat een Drank- en Horecavergunning kan worden verstrekt. Bij sociale hygiëne gaat het in het algemeen om het scheppen van randvoorwaarden in de sfeer van de openbare volksgezondheid. De gedachte is dat de exploitant de risico's van alcoholverstrekking dient te kennen en hierop goed weet te reageren.
Milieu
Op het milieubeleidsterrein zijn verschillende horecarelevante aspecten te onderkennen. Allereerst kan gewezen worden op de geluidhinder vanuit en rond de horecabedrijven als gevolg van bijvoorbeeld muziek, bezoekers en de verkeersaantrekkende werking. Daarnaast kan stankoverlast optreden als gevolg van het bereiden van etenswaren. Ook zijn horecagelegenheden in beeld als het gaat om afval. Het gaat dan zowel om lozingen van afvalstoffen in het riool alsmede afval in de vorm van verpakkingsmateriaal en resten van bijvoorbeeld etenswaren. Tenslotte kan nog gewezen worden op de risico's die samenhangen met de aanwezigheid van elektromotoren of gasflessen voor bierpompen.
Openbare orde, rust en zedelijkheid
De openbare orde is van oudsher een beleidsterrein van gemeenten, in samenwerking met de politie. Met name waar het gaat om gedrag van bezoekers krijgen horecagelegenheden aandacht. Veelal wordt een relatie gelegd tussen de aanwezigheid van horecagelegenheden en verstoringen van de openbare orde. Enerzijds is hierbij de vraag in hoeverre het gedrag van bezoekers kan en moet worden toegeschreven aan de (aanwezigheid van de) horecagelegenheid. Anderzijds hebben horecaondernemers vaak mogelijkheden om maatregelen of voorzieningen te treffen die tot afname van verstoringen van de openbare orde leiden. Hierbij kan gedacht worden aan een Horecaconvenant.
Woon- en leefmilieu (binnenshuis)
In horecagelegenheden is relatief vaak sprake van bouw- en verbouwactiviteiten. Vanuit verschillende invalshoeken kunnen eisen worden gesteld om ongewenste toestanden tegen te gaan. Door middel van het bouw- en woningtoezicht heeft de gemeente de taak om toe te zien of aan alle eisen wordt voldaan. Horecagelegenheden hebben te maken met meerdere soorten inrichtingseisen. Een groot deel daarvan is geregeld in de Bouwverordening, maar ook worden er inrichtingseisen gesteld op grond van andere wetten en regelingen. Aanvragen van horecaondernemers om tot verbouwing over te gaan moeten dan ook aan deze verschillende eisen worden getoetst.
Verkeer en vervoer
De gemeentelijke bemoeienis met de horeca vanuit het verkeer- en vervoersbeleid kan zich op twee zaken richten. Ten eerste kan het gaan om de verkeersaantrekkende werking van horecagelegenheden. Hierbij spelen zaken als het af- en aanrijden van (vracht- dan wel personen-) auto's, de parkeergelegenheid, verkeersveiligheid en –intensiteit een rol. Ten tweede kan het gaan om de bereikbaarheid van horecagelegenheden. Deze twee zaken kunnen met elkaar conflicteren. Het is daarom van belang om bij de sturing van het aantal èn soort horecagelegenheden in de gemeente afstemming na te streven met het verkeer- en vervoersbeleid.
Recreatie
Horeca heeft veelal een belangrijke (aanvullende) functie binnen het recreatiebeleid van de gemeente. Afhankelijk van de aard van de recreatievoorzieningen die in een gemeente aanwezig zijn, zal er meer of minder behoefte zijn aan verschillende vormen van horecagelegenheden.
Financiën
Verschillende gemeentelijke belastingen, heffingen en leges hebben, al dan niet specifiek, betrekking op horecabedrijven. Een concreet voorbeeld is de toeristenbelasting, waarvoor momenteel een voorstel wordt ontwikk