Naar de inhoud

Concept Nota Horecabeleid (H5 t/m H8)

Bron: Gemeente Edam-Volendam

HOOFDSTUK 5 EXPLOITATIEVERGUNNINGSTELSEL

Inleiding

De APV biedt een handvat om overlast in de zin van de openbare ordeproblematiek buiten een horeca-inrichting tegen te gaan. Omdat die overlast groot kan zijn, gaat de voorkeur uit naar het opnemen van een stelsel in de APV waardoor het mogelijk is preventief op te treden om ongewenste ontwikkelingen op het terrein van (de vestiging van) horeca-inrichtingen te voorkomen. Het exploitatievergunningstelsel wordt bij de komende integrale herziening van de APV hierin opgenomen, zodat er in de toekomst uitvoering aan kan worden gegeven.

Voor zover de bestemmingsplannen hierin niet voorzien, kunnen met dit preventieve middel ongewenste ontwikkelingen worden voorkomen. Voorts is in verband met de aard van de straat of de wijk, met andere woorden de woon- en leefsituatie ter plaatse, het aantal horecabedrijven te limiteren. Het is dus geoorloofd een vergunning te weigeren, indien het karakter van de betrokken straat of buurt zou worden aangetast door de vestiging van een nieuwe horeca-inrichting. Aanvullend op de bestaande regelgeving kan op basis van de APV het horecabeleid in de Gemeente Edam-Volendam in de toekomst "aangescherpt" worden.

De burgemeester heeft de bevoegdheid de vergunningplicht op te heffen. Hierdoor kunnen in de gemeente gebieden worden aangewezen waar zonder voorafgaande toestemming een horeca-inrichting kan worden geëxploiteerd. Als ondergrens geldt echter de norm dat de exploitatie van de horeca-inrichting echter ook dan de woon- en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig mag beïnvloeden. Indien nodig met het oog op voornoemde norm, kan bestuursdwang worden aangezegd of een dwangsom worden opgelegd.

Deze Nota is een belangrijk hulpmiddel bij het motiveren van het toekomstig te voeren beleid. In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een verzoek om een vergunning die niet strookt met het in deze Nota verwoorde beleid. Dat neemt niet weg dat de burgemeester steeds moet nagaan of bijzondere omstandigheden een uitzondering op dit beleid nodig maken. Iedere vergunningaanvraag dient zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen te worden beoordeeld.

Doel
Beoogd wordt vanuit preparatie en preventie nadere eisen te stellen aan de bedrijfsvoering met als oogmerk overlast van de buurt en verstoring van de openbare orde te voorkomen. De rode draad hierbij is te komen tot een "aanvaardbaar" niveau van overlast. De horecaondernemer heeft hierbinnen een centrale functie en zal primair zorg moeten dragen voor een goede uitstraling naar de openbare buitenruimte en moeten zorgen dat de bedrijfsvoering op een ordelijke wijze plaatsvindt. Het exploitatievergunningstelsel omvat zowel horecaondernemers met, als horecaondernemers zonder Drank- en Horecavergunning.

Waarom een exploitatievergunning
Uitgangspunt vanuit de maatschappelijke functie is dat niet alleen het uitgaansleven wordt gestimuleerd, maar dat ook het wonen en werken in Edam-Volendam plezierig moet blijven. In de exploitatievergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden opgenomen die de aard van de inrichting bepalen. Nieuw is dat niet alleen voorwaarden kunnen worden gesteld met betrekking tot de gevolgen van deze exploitatie buiten de inrichting. De exploitant wordt daarbij aansprakelijk gesteld voor het gedrag van zijn klanten bij het verlaten van de inrichting. Dit kan variëren van een verbod tot lawaai maken, het hinderlijk parkeren, het zodanig plaatsen van fietsen dat de doorgang op het trottoir wordt belemmerd. Binnen bepaalde grenzen kan de exploitant verantwoordelijk worden gesteld voor het gedrag van zijn klanten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting. Dit heeft mede betrekking op overlast en vandalisme.

Inhoud exploitatievergunning
Onder de horeca-inrichtingen vallen een breed scala van ondernemingen, zoals hotels, restaurants, cafés, cafetaria's snackbars, discotheken en aanverwante inrichtingen. De inhoud van de exploitatievergunning is sterk afhankelijk van het soort bedrijf. Ten aanzien van bijvoorbeeld een restaurant zullen andere aanvullende voorschriften en beperkingen worden gesteld dan aan een discotheek. Inhoudelijk is de exploitatievergunning gericht op het voorkomen dat de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat worden aangetast.

De exploitatievergunning

Hiervoor is reeds aangegeven wat de achtergrond van de horeca-exploitatievergunning is. Het gaat hier in feite om een overlastvergunning die is toegespitst op horeca-inrichtingen. Het biedt de mogelijkheid de vraag te toetsen of het in werking hebben van een horeca-inrichting zich wel verdraagt met het woon- en leefklimaat en met openbare orde belangen. Vanuit de regelgeving (artikel 1.9 APV) is het mogelijk nadere voorschriften en beperkingen te stellen.

Het exploiteren van een horeca-inrichting kan in de toekomst worden aangevuld met een exploitatieplan. Het exploitatieplan kan een essentieel onderdeel van de Drank- en Horecavergunning worden. Hierin kunnen voorschriften en beperkingen worden vastgelegd op grond waarvan de Drank- en Horecavergunning wordt verstrekt. Bij het niet nakomen van de voorschriften en beperkingen bestaat de mogelijkheid de Drank- en Horecavergunning in te trekken op basis van het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens, zodat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest. In het algemeen kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden die betrekking hebben op de exploitatie. In casu kunnen de volgende aanvullende voorschriften en beperkingen onderdeel uitmaken bij de aanvraag van een Drank- en Horecavergunning toegespitst op het soort onderneming:

a. het aan de burgemeester overleggen van een exploitatieplan met hierin uitgewerkt de personele en organisatorische maatregelen gericht op een ordelijke bedrijfsvoering;
b. het aangeven van de doelgroep waarop de exploitant zich richt;
c. het aanbrengen en het gebruik van voorzieningen binnen de inrichting zoals fysieke toegangscontrole door middel van detectiepoorten;
d. portiers en ordedienst zijn verantwoordelijk voor de toegang, anticiperen op moeilijkheden, halen overheersende groepen uit elkaar en zorgen ervoor dat de nooduitgangen vrijblijven;
e. bij het toelaten van publiek mag niet worden gediscrimineerd;
f. het gebruik van tot de inrichting behorende parkeervoorzieningen voorzien van toegangscontrole en parkeerwachten;
g. het houden van toezicht in de directe omgeving van de horeca-inrichting;
h. het aanstellen van gekwalificeerde portiers in bezit van een erkend beveiligingsdiploma, die gescreend worden door de politie (antecedenten onderzoek);
i. het invoeren van een vervoersregeling "discobus".

Waaraan en de mate waarin een ondernemer moet voldoen, is afhankelijk van het soort horeca. In de vergunningaanvraag dient de ondernemer in te gaan op het soort horecabedrijf dat hij wil gaan vestigen en bovendien dient hij aan te geven hoe hij voorziet in de opsomming als hiervoor onder a t/m i is weergegeven. Dit bepaalt ook welke voorschriften en beperkingen worden opgelegd en de mate van verfijning daarvan.

In het algemeen wordt het standpunt gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning/ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Het verdient uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in een regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt verleend. Daarbij dient tevens te worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning/ontheffing is gesteld. Niet nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor toepassing van andere administratieve sancties.

 

HOOFDSTUK 6 PARACOMMERCIALISME

Inleiding

Bij zogenaamde paracommerciële horecabedrijven kan soms sprake zijn van oneerlijke concurrentie ten opzichte van de reguliere horeca. Het betreft niet commerciële rechtspersonen (verenigingen en stichtingen) die zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. Voorbeelden zijn dorpshuizen, buurthuizen, clubhuizen, verenigingsgebouwen, sportverenigingen en dergelijke. In de loop der jaren gingen deze instellingen activiteiten op horecaterrein bedrijven en aldus hun inkomsten verhogen. Deze activiteiten werden in sommige gevallen steeds meer uitgebreid; te denken valt aan bruiloften, recepties, jubilea en het verhuren van de accommodatie aan derden, gepaard gaande met de verstrekking van drank. In dergelijke gevallen doet zich regelmatig de situatie voor waarbij sportverenigingen, dorps-, buurt- en clubhuizen, kerkelijke instellingen en dergelijke onder ongelijke voorwaarden in concurrentie treden met reguliere horecaondernemingen. Dit verschijnsel wordt in het algemeen aangeduid met de term paracommercialisme.

De horecabranche heeft tegen dezen vorm van "oneerlijke concurrentie" met succes geprotesteerd in die zin dat daartoe de Drank- en Horecawet met ingang van 1 juni 1991 is aangepast. De essentie van deze wijziging was dat, één of meer beperkingen konden worden verbonden aan de Drank- en Horecavergunning van instellingen die zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. De beperkingen werden door burgemeester en wethouders vastgesteld. De reguliere (commerciële) horeca viel buiten de reikwijdte van de aanpassing van 1991.

In het algemeen kunnen aan Drank- en Horecavergunningen, behoudens bij gemeentelijke verordening op grond van artikel 23, geen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Een uitzondering vormen paracommerciële instellingen waarbij aan de vergunning alleen voorschriften of beperkingen kunnen worden gesteld met betrekking tot:

· bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen;
· openlijk aanprijzen van de mogelijkheid tot het houden van dergelijke bijeenkomsten;
· de tijden waarop alcoholhoudende drank wordt verstrekt.

Tot 1 maart 1992 hadden gemeenten de tijd om alle reeds verleende vergunningen te lichten van paracommerciële instellingen om daaraan alsnog voorschriften of beperkingen te verbinden. Nadien kunnen nog slechts voorwaarden of beperkingen aan reeds verleende vergunningen worden verbonden indien dit in verband met een wijziging van de plaatselijke of regionale omstandigheden nodig is. Bij nieuw af te geven Drank- en Horecavergunningen moet altijd worden nagegaan of het nodig is, gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden, voorschriften of beperkingen aan de vergunning te verbinden.

De Drank- en Horecawet spreekt over het verbinden van voorschriften of beperkingen aan een Drank- en Horecavergunning, die gelet op plaatselijke of regionale omstandigheden nodig zijn ter voorkoming van mededinging, door het verstrekken van alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk en economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van de toetsing van plaatselijke of regionale omstandigheden diende gestalte te krijgen door:

· per geval te bekijken in hoeverre voorschriften of beperkingen aan de vergunning verbonden moesten worden;
· het vaststellen van een beleidsnotitie door burgemeester en wethouders. Deze beleidsnotitie bevatte een lijn waaraan in voorkomend geval getoetst diende te worden.

In de Gemeente Edam-Volendam werd per geval bekeken voor welke instellingen voorschriften en beperkingen moesten gelden. In de afgelopen jaren zijn diverse vergunningen verleend met beperkingen en voorschriften. Gezien het destijds geringe aantal vergunningen, te weten vier stuks, is er hieromtrent geen beleid vastgelegd in een beleidsnotitie. Het betrof toentertijd het verbinden van voorschriften en beperkingen aan de Drank- en Horecavergunningen van het Pius X-gebouw, onderdelen van het stadion van F.C. Volendam, Jongerencentrum Nohol en Postduivenvereniging S.V.E.L..

Bij paracommerciële instellingen werkt men veelal met vrijwilligers. In de praktijk bleek het voor deze instellingen moeilijk te zijn vrijwilligers te vinden die beschikten over een bewijs van kennis en inzicht in sociale hygiëne of die bereid zijn deze cursus te volgen. Dit is de reden dat voor paracommerciële instellingen een afwijkende regeling en andere eisen gelden. In het kort gelden, sinds de invoering van de nieuwe Drank- en Horecawet in november 2000, de volgende eisen voor paracommerciële instellingen:

· het bestuur stelt een bestuursreglement vast;
· twee leidinggevenden moeten het diploma sociale hygiëne hebben;
· gedurende de tijden dat alcohol wordt geschonken, dient een leidinggevende met sociale hygiëne aanwezig te zijn of een barvrijwilliger die door het bestuur is geïnstrueerd over verantwoord alcoholgebruik;
· de tijden waarop alcohol geschonken wordt, moeten zichtbaar worden aangegeven.

Naast de hierboven in het kort omschreven vereisten, dienen paracommerciële instellingen ook aan de overige in de Drank- en Horecawet gestelde eisen te voldoen.

Het bestuur van een paracommerciële instelling dient dus een reglement vast te stellen dat waarborgt dat de verstrekking van alcoholhoudende drank in de inrichting gedurende de openingstijden vanuit het oogpunt van sociale hygiëne te allen tijde geschiedt door op dit gebied gekwalificeerde personen. Gemeenten moeten het zogenaamde bestuursreglement toetsen. Indien de regels van het bestuursreglement worden overtreden, kan de gemeente de vergunning intrekken. De volgende elementen moeten verplicht in het reglement worden vastgesteld:

· hoe het bestuur waarborgt dat de verstrekking van alcoholhoudende dranken geschiedt door personen die voldoende inzicht en kennis hebben in sociale hygiëne. Het bestuur stelt kwaliteitseisen op voor barvrijwilligers over verantwoord alcoholgebruik;
· op welke dagen en tijdstippen alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Deze dagen en tijdstippen moeten duidelijk zichtbaar in de horecalokaliteit worden aangegeven;
· hoe het toezicht op de naleving van de inhoud van het reglement zal plaatsvinden.

Door de Minister van VWS kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur meer specifieke criteria worden omschreven waaraan een bestuursreglement van paracommerciële instellingen moet voldoen.

Plaatselijke en regionale omstandigheden

Op dit moment zijn er in de Gemeente Edam-Volendam ongeveer 70 horecabedrijven die vergunningsplichtig zijn op grond van de Drank- en Horecawet. Het horeca-aanbod in de Gemeente Edam-Volendam is redelijk gevarieerd. Edam-Volendam kent in verhouding veel commerciële horecabedrijven. Hierdoor is de kans dat de commerciële horeca concurrentie ondervindt van de niet-commerciële horeca minder groot te achten, dan wanneer er meer niet-commerciële horeca zou zijn. Het is, mede gelet op het beginsel dat gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden, aan te bevelen aan alle (nog te verlenen) vergunningen voor niet-commerciële horecabedrijven eenduidige voorschriften te verbinden. Hierbij kan aansluiting worden gezocht bij de reeds gevoerde praktijk. De eventuele voorschriften of beperkingen mogen alleen betrekking hebben op:

1. de in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen;
2. het openlijk aanprijzen van de mogelijkheid tot het houden van een bijeenkomst van persoonlijke aard;
3. de tijden gedurende welke in de inrichting alcoholhoudende drank wordt verstrekt.

Ad 1). Bijeenkomsten van persoonlijke aard.
Met "bijeenkomsten van persoonlijke aard" wordt gedoeld op bijeenkomsten met een veelal feestelijk karakter, waarbij alcoholhoudende drank pleegt te worden genuttigd, die geen direct verband houden met de activiteiten van de rechtspersoon. Daarbij moet gedacht worden aan bruiloften, recepties bij jubilea en dergelijke. Voor zover die bijeenkomsten tevens een zakelijk karakter, direct verband houdend met de activiteiten van een rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van een vereniging, vallen deze niet onder het bereik van de onderhavige bepaling.

 

Ad 2). Openlijk aanprijzen.
Hiermee wordt volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten bedoeld, het maken van handelsreclame, bijvoorbeeld door middel van advertenties. Deze reclame zou beperkt kunnen worden tot de publicaties die zijn bestemd voor de leden, donateurs en vaste deelnemers van de instelling.

Ad 3). Openingstijden.
Bij de tijden gedurende welke in de betrokken inrichting alcoholhoudende dranken worden verstrekt, kan worden overwogen om de bedrijfsmatige verstrekking te beperken van een uur voor tot een uur na de activiteit die uit de doelstelling volgt.

Drank- en Horecaverordening

De Drank- en Horecawet geeft in een aantal artikelen de mogelijkheid aan een gemeente om bij verordening nadere regels te stellen ten aanzien van alcoholverstrekkende horecabedrijven. Het moet daarbij gaan om nadere regels vanuit sociaalhygiënische of sociaal-economische doeleinden. Indien andere doeleinden ten grondslag liggen aan de verordening, zoals doeleinden van openbare orde of milieuhygiënische motieven, dan zullen deze bepalingen onverbindend moeten worden verklaard. Wel is van belang dat de nadere regelgeving niet afdoet aan datgene dat reeds in de Drank- en Horecawet is geregeld.

Nadere regelgeving bij verordening is mogelijk op de navolgende terreinen:

· voorschriften of beperkingen van paracommerciële instellingen (artikel 4, derde lid Drank- en Horecawet);
· de leeftijd van personen waaraan drank mag worden verkocht (artikel 20, vijfde lid Drank- en Horecawet);
· verbieden van alcoholverstrekking in (delen) van de gemeente (artikel 23 Drank- en Horecawet);
· gegevensverstrekking bij de aanvraag van een Drank- en Horecavergunning (artikel 26 Drank- en Horecawet).

Op 16 december 1993 is door de raad van de Gemeente Edam-Volendam een Drank- en Horecaverordening vastgesteld. Hierin is onder andere het volgende opgenomen:

· het is verboden anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting:
a. waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe etenswaren, zoals belegde broodjes, patates-frites en kroketten worden verkocht;
b. waarin onderwijs wordt gegeven;
c. welke of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of -instellingen;
d. welke of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen;
e. die gelegen is op een recreatie-, kampeer- of caravanterrein(artikel 5).
· het is verboden bedrijfsmatig sterke drank voor gebruik elders dan ter plekke te verstrekken in een inrichting als bedoeld in artikel 5 (artikel 6).
· de burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in artikel 3 en 5. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend; aan een ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden, een ontheffing kan al dan niet tijdelijk worden ingetrokken of gewijzigd (artikel 4 en 7).

 

HOOFDSTUK 7 TERRASSENBELEID

Inleiding

De Gemeente Edam-Volendam beschikt over fraaie oude centra en prachtige natuurgebieden met volop recreatiemogelijkheden. Het toeristische karakter van de Gemeente Edam-Volendam brengt met zich mee, dat er in de centra naast de winkels ook een concentratie van horecagelegenheden is. Dit heeft tot gevolg, dat er zich vooral in het zomerseizoen op en achter de Dijk terrassen, uitstallingen, reclameborden, zonneschermen en dergelijke op of boven de openbare weg bevinden. Op zich hoeft dit niet bezwaarlijk te zijn, zolang de bruikbaarheid van de openbare weg niet in het geding komt, het straatbeeld de kwaliteit bezit die de gemeente nastreeft en gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken er geen onaanvaardbare hinder van ondervinden.

Aanleiding opstellen beleid
In de praktijk kan het gebruik van het voor hen bestemde gedeelte van de openbare weg door voetgangers, rolstoelgebruikers en mensen met kinderwagens in het nauw komen. Vaak dienen zij uit te wijken naar de rijbaan, hetgeen gevaarlijke situaties kan opleveren. De verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de openbare weg moeten derhalve gewaarborgd worden. Ten gevolge van de uitstalling van diverse objecten ontstaat er een wat onoverzichtelijk straatbeeld. Aangezien de gemeente de kwaliteit van de ruimte hoog in het vaandel heeft staan, vormt het versterken c.q. handhaven van de kwaliteit van het openbaar gebied, tevens reden tot het opstellen van beleid. Daarnaast komt het voor dat met name bewoners van het centrum hinder ondervinden van diverse objecten in de nabijheid van hun woning; ter voorkoming of beperking daarvan is regelgeving van belang. Tenslotte is het als eigenaar van de openbare ruimte belangrijk het gebruik van de openbare ruimte te regelen al dan niet tegen betaling van een vergoeding.

Met het opstellen van dit beleid willen wij voor de toekomst vastleggen onder welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de openbare weg voor andere dan verkeersdoeleinden kan worden gebruikt. Hierbij is het niet de bedoeling om andere dan verkeersactiviteiten op de openbare weg te verbieden; dat zou namelijk de levendigheid van het straatbeeld teveel aantasten en tekort doen aan een bredere functie die met name het Dijkgebied heeft. Wij willen echter komen tot een zekere ordening van andere dan verkeersactiviteiten op de weg, zodat de weg aan zijn oorspronkelijke bestemming kan blijven beantwoorden en de openbare ruimte de kwaliteit bezit die de gemeente nastreeft.

Instrumenten
Met het opstellen van beleid staan een aantal instrumenten tot de beschikking. Genoemd worden de APV, het bestemmingsplan en nadere regelgeving waaronder bijvoorbeeld de Drank- en Horecawet, die alle publiekrechtelijk van aard zijn. Daarnaast brengt de eigendom van onroerende zaken met zich mee dat ook privaatrechtelijke bevoegdheden ingezet kunnen worden. Bij het realiseren van het beleid zullen die instrumenten hetzij apart, hetzij in combinatie worden gebruikt.

Beleid
Bij het formuleren van het beleid moet worden uitgegaan van duidelijke regels, zodat iedereen weet wat er van hem of haar verwacht wordt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen algemene beleidslijnen en specifieke beleidslijnen, omdat er bijvoorbeeld voor het plaatsen van een terras op de openbare weg andere uitgangspunten kunnen zijn dan voor reclameborden. Het beleid beperkt zich tot een regeling voor terrassen.

Handhaving
Op de naleving van de regels zal consequent moeten worden toegezien, wil de doelstelling van het beleid gehaald worden. Hierin ligt een gezamenlijke taak voor de gemeente en politie.


Gebruik gemeentegrond
Het gebruik van openbare ruimte zal geregeld moeten worden, waarbij een keuze gemaakt kan worden tussen de publiekrechtelijke weg en de privaatrechtelijke weg. Aangezien de Gemeente Edam-Volendam reeds beschikt over een precarioverordening, zal doorgaans voor de publiekrechtelijke weg worden gekozen.


Algemene beleidsregels

De bepalingen inzake voorwerpen of stoffen op, aan of boven de openbare weg uit de APV zijn vrij ruim geformuleerd teneinde een basis te hebben voor het gemeentelijk toezicht op het gebruik van de openbare weg. Uit de tekst valt niet altijd direct af te lezen of bepaalde activiteiten op de openbare weg al dan niet zijn toegestaan. Evenmin is het duidelijk welke regels in acht dienen te worden genomen. Ze dienen dan ook meer als een juridisch kader om ongewenst gebruik tegen te gaan.

Tot op heden is bij de verlening van vergunningen voor het hebben van voorwerpen of stoffen op, aan of boven de openbare weg – voor zover deze vergunningen werden aangevraagd – het "beleid" gevoerd, dat er op het voor voetgangers bestemde gedeelte van de openbare weg te allen tijde een doorgang gewaarborgd dient te blijven. Aan een consequente handhaving van dit beleid en aan een constante controle op het al dan niet aanwezig zijn van benodigde vergunningen heeft het in de praktijk ontbroken met als gevolg een wildgroei van obstakels op de openbare weg.

Om meer expliciet aan te geven welke regels in acht dienen te worden genomen ten aanzien van het gebruik van de openbare weg, dienen de bepalingen dus verder geconcretiseerd te worden.

Uit artikel 2.1.5.1. van de APV is gebleken dat er een drietal weigeringsgronden zijn:

1. de verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de openbare weg;
2. het niet voldoen aan de redelijke eisen van welstand;
3. de overlast of hinder die gebruikers van de in nabijheid gelegen onroerende zaken ervan kunnen ondervinden.

Verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de weg
Het belangrijkste criterium voor de toelaatbaarheid van het plaatsen van objecten op de openbare weg is, dat deze objecten zowel direct als indirect geen gevaar, hinder of overlast voor de gebruikers mogen veroorzaken.

Direct gevaar, hinder of overlast voor gebruikers van de openbare weg
Het spreekt voor zich dat het vanuit oogpunt van verkeersveiligheid nooit de bedoeling kan zijn dat obstakels geplaatst worden op de voor de rijbaan bestemde gedeelten van de openbare weg. Daarnaast dient boven dit gedeelte minimaal 4,50 meter vrije ruimte te bestaan, gebaseerd op de normen voor de maximale hoogte van vrachtverkeer, die 4,20 meter bedragen.

Voor wat betreft het waarborgen van voldoende vrije ruimte op de voor voetgangers bestemde gedeelten van de openbare weg, zodat uitwijken naar de rijbaan en daarmee verkeersonveiligheid voorkomen kan worden, heeft de gemeente volledige beleidsvrijheid. Uit de richtlijnen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en uit jurisprudentie zijn echter normen te destilleren die als richtsnoer gelden. Daarnaast beveelt het "handboek verkeersvoorzieningen voor mensen met een handicap" als profiel van vrije ruimte aan:
- voor mensen die met een wandelstok lopen: 0,90 meter;
- voor een blinde of slechtziende met een tasstok: 1,20 meter;
- voor een rolstoelgebruiker: 1,50 meter.
Boven dit gedeelte dient minimaal 2,20 meter vrije ruimte te bestaan teneinde te voorkomen dat men het hoofd stoot.

Over het algemeen is het onderscheid tussen de verschillende bestemde gedeelten van de openbare weg fysiek zichtbaar door verschil in gebruikt bestratingmateriaal, hoogteverschil (trottoirs) dan wel door middel van aangebrachte belijning.

Beleidsregels
Beleidsregel 1
De voor de rijbaan bestemde gedeelten van de openbare weg dienen volledig obstakelvrij te zijn, terwijl de vrije doorrijhoogte minimaal 4,50 meter bedraagt. In de Gemeente Edam-Volendam geldt als richtlijn 0,90 meter als gehanteerde norm voor vrije ruimte op de voor voetgangers bestemde gedeelten van de openbare weg meter, terwijl hierboven 2,20 meter vrij moet blijven.

Indirect gevaar, hinder of overlast voor gebruikers van de openbare weg
Indirect gevaar, hinder of overlast kan ontstaan wanneer het object schade aan de weg veroorzaakt, waardoor de feitelijke bruikbaarheid van de weg in het geding komt. Doorgaans betreft dit zware objecten zoals containers en bouwmaterialen, of vervuilende objecten zoals autowrakken. Het mag duidelijk zijn dat deze laatste in geen geval geplaatst mogen worden en direct optreden vereisen. Voor wat betreft het plaatsen van zware materialen kan toestemming worden verleend, met inachtneming van de toegankelijkheidsnorm en mits er goede afspraken gemaakt worden ter voorkoming van schade dan wel het direct herstellen van de schade. Het verwijderen van klinkers of tegels voor het plaatsen van objecten is enkel mogelijk wanneer er geen goede alternatieven zijn en alleen onder toezicht van de gemeente.

Beleidsregel 2
Vervuilende objecten die schade aan de weg kunnen veroorzaken zijn nooit toegestaan, zware objecten dan wel objecten die geplaatst worden door middel van het verwijderen van klinkers of tegels, alleen onder nadere voorwaarden.

De redelijke eisen van welstand
Het plaatsen van een object kan vanwege zijn verschijningsvorm of juist de beoogde locatie niet voldoen aan de redelijke eisen van welstand en daarom ongewenst zijn. Hiervoor dient te worden teruggegrepen op het bepaalde in de welstandsnota, die volgens de Woningwet nodig is. Per soort object dienen daarin toetsingscriteria te worden geformuleerd.

Beleidsregel 3
Voor de verschillende soorten objecten kunnen "welstandscriteria" geformuleerd worden gelet op de verschijningsvorm en/of de beoogde locatie.

Overlast voor gebruikers van in nabijheid gelegen onroerende zaken
In zijn algemeenheid moet overlast c.q. hinder voor gebruikers van de in nabijheid gelegen onroerende zaken ten gevolge van de aanwezigheid van objecten op de openbare weg voorkomen dan wel beperkt worden. Met name bewoners kunnen – direct dan wel indirect – hinder van objecten ondervinden.

Directe hinder ten gevolge van een object
Directe hinder ontstaat natuurlijk wanneer de toegang of ontsluiting van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken onmogelijk wordt gemaakt door de plaatsing van het object. Bij het verlenen van medewerking zal toegezien worden op de precieze locatie. Blijkt hinder of overlast onontkoombaar dan zal medewerking geweigerd worden.

Beleidsregel 4
De toegang of ontsluiting van belendende percelen mag niet belemmerd worden.

Indirecte hinder ten gevolge van een object
Van indirecte hinder is sprake wanneer ten gevolge van de aanwezigheid van het object hinder ontstaat. Gedacht kan worden aan licht- en geluidsoverlast. Bepalend is natuurlijk of hierbij de aanvaardbare grenzen overschreden worden. Hierbij zijn de normen van de hierop toeziende regelgeving van toepassing (bijvoorbeeld het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer).

Beleidsregel 5
Teneinde indirecte hinder of overlast van objecten te voorkomen, zijn de aanvaardbare normen van hierop toeziende regelgeving van toepassing.


Bestemmingsplan
Zoals eerder gesteld voorziet het bestemmingsplan elke onroerende zaak van een bestemming waaruit de eventuele gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden af te leiden zijn. De openbare weg en/of ruimte heeft meestal de bestemming verkeers- en verblijfsdoeleinden. Dit betekent echter niet dat het plaatsen van objecten op, aan of boven de openbare weg automatisch strijdigheid tot gevolg heeft. Wanneer een en ander past binnen het kader van de APV, is er geen aanleiding voor optreden.

Nadere regelgeving
Het plaatsen van objecten aan, op of boven de openbare weg is veelal onderhevig aan nadere regelgeving. Per soort object dient dit in beeld te worden gebracht en meegenomen te worden in de behandeling van de aanvraag van de vergunning.

Eigenaarbevoegdheden
Hoewel de openbare weg veelal gemeente-eigendom betreft, wordt vanuit de visie dat het tevens publieke ruimte betreft meer toegestaan dan op basis van het privaatrecht behoeft. Zolang voldaan wordt aan de eisen uit de publiekrechtelijke regelingen hoeft dit ook geen problemen op te leveren. Desalniettemin is het zaak het gebruik goed te regelen. De Gemeente Edam-Volendam heeft een precarioverordening op basis waarvan gebruikers van gemeentegrond belasting betalen.

Beleidsregel 6
Voor het gebruik van gemeentegrond is precariobelasting verschuldigd.

Beleidsregels voor het plaatsen van terrassen op de openbare weg
Vanuit de algemene beleidsregels kunnen ten aanzien van het plaatsen van terrassen de volgende specifieke beleidsregels worden geformuleerd, waarbij uitgegaan wordt van normale omstandigheden. In bijzondere gevallen (bijvoorbeeld tijdens evenementen) kan worden afgeweken van deze beleidsregels. Onder verwijzing naar het gestelde onder "evenementen" zal hierop verder worden ingegaan.

Betreffende het plaatsen van terrasmeubilair is ons

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.