Uitgeputte pastoor Berkhout moet post Volendam opgeven
Uitgeputte pastoor Berkhout moet post Volendam opgeven
Burn-out scoort hoog onder pastores, blijkt uit godsdienstpsychologisch onderzoek (staat onderaan dit artikel, red.) En uitgerekend nu blijkt dat pastoor Jan Berkhout van Volendam, sinds de Nieuwjaarsbrand een bekende Nederlander, zijn post moet verlaten - de uitputting nabij. Op de website van de Volendamse jongeren zegt hij ronduit: ,,Het werk werd een last, terwijl ik het zo graag doe.'' Met soms twee uitvaarten, een huwelijk plus de zondagspreek in één weekend en alles wat erbij kwam was het de pastoor te veel geworden, zijn bloeddruk was tot onaanvaardbare hoogte opgejaagd. Op termijn krijgt hij een kleinere parochie.
Is de Nieuwjaarsbrand, de zorg, de tragiek én alle media-aandacht de schuldige? Berkhout spreekt het tegen: ,,Ik moest gewoon. Ik ben blij en dankbaar dat ik het allemaal heb kunnen doen.'' Over zijn ervaringen schreef hij het boek 'Pastoor van Volendam': ,,Het rolde als vanzelf uit de computer''. Maar het jaar van de ramp verweet hij zijn bisschop openlijk dat die hem liet stikken, terwijl volgens bisschop Punt hij juist bij Berkhout op een muur van onwil stuitte toen hij hem personele bijstand aanbood. In de wereld is zoiets voor hogerhand vaak een teken om in te grijpen. Berkhout klaagt ook over zijn woon/werksituatie. Een pastorie zonder tuin of balkon. ,,Een priester heeft rust en stilte nodig om zijn werk goed te doen.''
Godsdienstpsychologisch onderzoek : Tak van kennis zoekt een boom
door Pieter van der Ven
Honderd jaar 'The Varieties of Religious Experience' van William James levert én een nieuwe Nederlandse uitgave op én een internationaal congres aan de Vrije Universiteit, want 'wat weten wij nu eigenlijk méér dan James over psychologie en godsdienst?' Twee lijvige handboeken op het bureau van dr. Peter Roelofsma laten het zien: het gaat niet goed met de godsdienstpsychologie. Doornroosje slaapt al veel te lang. In deze dagen herbergt de Vrije Universiteit een internationaal congres dat de schone slaapster moet helpen wekken. Psychologie en godsdienstpsychologie zijn vreemden geworden voor elkaar en zij moeten weer partners worden. Roelofsma neemt het Amerikaanse handboek voor psychologie erbij. Dat bestrijkt het hele terrein, de methodes, de grote namen, de deelgebieden. Hij slaat het register op: religion? Niets. God? Bekering? Religieuze ervaring? Het komt er niet in voor. Volgende boek, ook heel dik en recent. 'Psychology of Religion'. Even bladeren: na 400 pagina's ben je nog altijd maar bij Jung, die al meer dan veertig jaar dood is. De laatste trends, namen, theorieën, modulen van het grote moedervak komen niet echt aan bod.
Roelofsma was onlangs op deze pagina present als de man die van de VU weer een oord wil maken waar ze dagelijks de Heer loven met praise en worship. Maar zijn vak is de psychologie en hij heeft zijn stek ver weg van de godgeleerden en aanstaande dominees op de bovenste etage; hij huist in de laagbouw, tussen de bèta's, waar overal gemeten, gerekend, geëxperimenteerd, getest en bewezen wordt. Zonde dat het rijke arsenaal van modern psychologisch onderzoek zo weinig op religieuze thema's wordt toegepast en zonde dat godsdienstpsychologie in de theologie- en ambtsopleidingen maar zo'n bescheiden plaats heeft.
Honderd jaar geleden verscheen het beroemde werk van William James [zie inzet] over de religieuze ervaring. Het is een boek met voor hedendaagse ogen vele onvolkomenheden en niet-bewezen stellingen, maar James' casus-beschrijvingen, beelden, anekdoten, citaten en commentaren verschaffen nog steeds levendig en leesbaar een zicht op het veld. Ook kan diens nuchtere invalshoek aanspreken. James is niet geïnteresseerd in dogma's, riten, kerkstructuren, gewoontes of universele symboliek. Het gaat hem om de persoonlijke ervaring, de individuele emotie en om het effect ervan: werkt godsdienst vruchtbaar op jouw leven en je welbevinden? Hij geloofde -ook vanuit zijn eigen ervaring met depressies- in het heilzame potentieel van godsdienst; dus als religie iemand lijkt ziek te maken bepleit hij eerder een beter gebruik dan afwijzing ervan.
De jeugdheilige Aloysius van Gonzaga krijgt van James geen vroom applaus als deze tienjarige snotneus zijn onbedorven maagdelijkheid voor eeuwig aan Maria schenkt en vervolgens zijn moeder en andere vrouwen in huis nooit meer wil zien. En Luther had volgens James liever zijn rechterhand afgehakt dan zijn stellingen aangespijkerd, als hij had geweten tot welk een vrijzinnigheid deze zouden leiden. Tobbend over de kwijnende godsdienstpsychologie, dachten Roelofsma en zijn kompanen vorig jaar ineens aan James en diens honderdjarige boek 'Varieties'. En een zei het onthutsend scherp: 'Wat weten wij eigenlijk meer dan James?' En zo buigt een gezelschap van tientallen geleerden uit Amerika, Groot-Brittannië, Duitsland, België zich dezer dagen over issues and trends in a century long quest - honderd jaar van psychologie en godsdienst.
Je hoeft geen genie te zijn om te begrijpen waarom het zo gelopen is. Niet lang geleden dachten psychologen net als andere wetenschappers dat het met de godsdienst over en uit was, niet meer 'relevant' voor de moderniteit. Maar het is anders. Kerkgangers in Amerika betalen minder ziektekostenpremie omdat zij gemiddeld de gezondere en goedkopere klanten blijken; burn-out scoort van de andere kant hoog onder pastores; seksueel misbruik en misbruik van kinderen komt onder kerkelijke hulpverleners meer voor dan bij vergelijkbare beroepen. En bovenal: wie denkt na '11 september' nog dat godsdienst niet relevant is, een non-item voor onderzoek? James hamerde erop dat de waarde van de godsdienst niet aan de wortels en oorsprong moet worden afgelezen maar aan de vruchten. De boommetafoor spreekt ook Roelofsma aan. Godsdienstpsychologie moet weer worden geënt op de stam waar ze van is losgeraakt, vindt hij. In de exacte wetenschap groeit kennis altijd op basis van al verworven kennis. Daartegenover willen sommigen in filosofische disciplines liever los van die boom der kennis telkens helemaal opnieuw beginnen. Roelofsma hoopt dat de mensen die hij nu naar Amsterdam heeft gehaald niet alleen hun ei komen leggen en dan weer haastig weggaan. Het enten moet ook hier gebeuren, door naar elkaar te luisteren en de kennis te koppelen.
Dat is niet alleen goed om de levenssappen in Doornroosje als geleerde terug te brengen. Roelofsma wil dat ook pastores er wat aan hebben of in de geest van William James gezegd: dit congres moet voor hen vruchten dragen, voor hun pastorale werk én voor hun zicht op de duistere kanten in zichzelf en op hun professionele levensweg met zijn vele valkuilen. Prof. Archibald Hart doet in zijn keynote bijdrage verslag van vijftig jaar onderzoek naar het welzijn van pastores. De persoonlijke ervaring die beslist over wat uiteindelijk wáár-voor-mij is en een religie die bovenal therapeutisch lijkt, en James' allervaagste godsbegrip, klinkt dat niet erg naar new age? Past dat wel in een geloof dat om objectieve Waarheid gaat en waarin Jezus de enige is die redt? Roelofsma met zijn Praise & Worship voor de Heer is bepaald geen new-ageman. Maar net als James gelooft hij dat zijn godsdienst werkelijk een kracht is, een kracht om zelfs de negatieve ervaringen die mensen in en door de religie oplopen door positieve te overwinnen.