Pastoor van gehavend Volendam (met foto)
De pastoor van Volendam, die titel zal hem tot in lengte der dagen tooien. Ook nu Jan Berkhout per 1 oktober het vissersstadje en de loodzware taak daar verlaat voor een aanzienlijk kleinere parochie in Breezand. Zijn wereld veranderde radicaal door de nieuwjaarsbrand in café ´t Hemeltje in 2001. Van pastoor van een welvarende gemeente werd hij herder van een deerlijk gehavende kudde. Ruim twee jaar na die ongeluksnacht kwam Berkhout zichzelf tegen. In Schoorl komt hij nu tot rust. Jan Berkhout staat ook na vertrek altijd klaar voor slachtoffers nieuwjaarsbrand
Pastoor van GEHAVEND VOLENDAM
De zeewind steekt plots op. „Hoor”, attendeert Jan Berkhout op het golvende ruisen van de hoge bomen. „Hier geniet ik zo van.” Pastoor Berkhout (63) komt, op doktersadvies, tot rust in het landelijk gelegen huis van zijn zus en zwager in Schoorl. „Ik heb zelfs geen laptopje bij me! Maar straks ga ik toch weer even naar Volendam naar de Vincentius-kerk. Door de rechtszaak komt bij iedereen alles boven, er is een bijeenkomst voor de ouders van gestorven kinderen. Daar wil ik bij zijn. Ik wil het met ze blijven delen, ook als ik straks in Breezand zit. Daar zal mijn achterdeur ook voor ze openstaan.” Het verhaal van die rampnacht op 1 januari 2001 is bekend: veertien jonge Volendammers dood, honderden verminkt tijdens de nieuwjaarsbrand. Geen familie binnen deze hechte katholieke ge verdringen veel, maar het leed komt een keer boven.
Verdoofd
Volendam, de 20.000 inwoners zijn overwegend katholiek. Vóór de ramp was het al een hectische parochie met missen, begrafenissen, dopen, huwelijken, communies. Daarna werd het beroep op Berkhout nog groter. „Die eerste ochtend, in de wachtkamer van het AMC in Amsterdam waar vijftig kinderen naartoe waren gebracht, ik wist niet wat ik tegen die ongeruste ouders moest zeggen. Zat daar maar, verdoofd, net als iedereen. Toen pas drong de volle omvang van de ramp tot ma door.”
Veertien uitvaarten in een week, een stille tocht, een herdenkingsbijeenkomst. „Daarna al die ziekenhuisbezoeken, de gewonden lagen kriskras door het hele land, tot in Duitsland en België toe. De gesprekken met de ouders van de omgekomen kinderen, van de zwaargewonde jongeren. Families, oma´s, opa´s, broers en zussen, vrienden, vriendinnen zochten troost. En ik zeg geen nee als er bij me wordt aangebeld. Nooit. Het was druk, maar gek genoeg kreeg ik er juist energie van.” Voor één man was het wel veelgevraagd: „Twee keer bij de één op bezoek en niet bij een ander kan niet. Met argusogen werd in de gaten gehouden hoe lang ik bij het ene bed stond en hoeveel minuten bij het volgende. Mijn volle aandacht ging het eerste jaar naar de kring van getroffenen uit. Later kreeg ik het verwijt van ouders die jaren eerder een kind hadden verloren. Voor hen was er geen aandacht op tv, geen monument, geen speciale avond op de pastorie. De begrijp hun gevoelens, leed moet erkend en herkend worden. Daarom had dat meisje van de week tijdens het proces in Haarlem ook een truitje zonder mouwen aan. Haar verbrande, verminkte armen moesten worden gezien. Ze wilde de rechters en Jan Veerman ermee confronteren en gaf daarmee aan dat het meer is dan een juridische strijd, ook een emotionele strijd.” Ook Berkhout is aanwezig bij het proces tegen cafébaas Jan Veerman: „Hij houdt elk persoonlijk contact met de slachtoffers en ouders af. En of hij nou schuldig of onschuldig wordt bevonden, gestraft wordt of niet, hij is erbij betrokken. Net als iedereen in Volendam.”
Weigeren
Het is een beetje welles-nietes: Veerman ontkende deze week voor de rechter nog dat hij zich afzijdig had gehouden én zei dat hij zich in de steek gelaten voelde door burgemeester en pastoor. Berkhout: „Ik heb hem wel degelijk hulp aangeboden, maar die heeft hij geweigerd.” Voor de opvolger van Berkhout is er werk aan de winkel. „Volendam is verdeeld in twee kampen. Die aan de, zeg maar, Veerman-kant, degenen die roepen, ´het is nu tweeënhalf jaar geleden, we hebben het er niet meer over, het leven gaat door´. En de ge troffenen die er middenin zitten met hun verstoorde toekomstdromen, hun gehavende uiterlijk. En er is zelfs een hiërarchie in leed: „Ik ben erger verbrand dan jij.” Op een avond reed een jongen mee naar zijn opa, die in het ziekenhuis bediend moest worden. Ik vroeg hem of hij bij de brand betrokken was geweest. Hij barstte in snikken uit: hij was erbij geweest en ontkomen. Maar ´s nachts deed hij geen oog dicht, zag steeds die beelden voor zich en daarover kon hij met niemand praten. Ik was de eerste die ernaar vroeg.”
Jan Berkhout, pastoor van Volendam, komt op adem in Schoort. ”Mijn bloeddruk is alweer prachtig gezakt." FOTO: MATTY VAN WIJNBERGEN
„In het begin liep iedereen over van meeleven, van zorg voor elkaar, maar dat is weggeebd. Die menselijkheid moet weer terugkomen en het is de taak van het pastoraat daarop te hameren. De brand is niet passé, nooit. De slachtoffers zijn jong, nog geen twintig, en richten zich op hun toekomst. Ze verdringen veel, maar het leed komt een keer boven. Over drie jaar, over dertig jaar, morgen. Ik ken een stelletje van wie het meisje geschonden is en de jongen niet. Als hij ook maar vluchtig naar een ander meisje kijkt, is zijn vriendin al in paniek. Want, denkt ze, ´zie je wel, zij is mooi en ik niet meer´. Het zelfvertrouwen is weg, ze is onzeker geworden. Ze durft zichzelf nauwelijks te geven.” Vorige zomer schreef hij zijn boek: Pastoor van Volendam. Een indrukwekkend verslag van zijn ervaringen. „Pas tijdens het schrijven kwamen bij mij de tranen.”
Uniek
In pensioen heeft hij geen zin. „Maar in Volendam red ik het niet in mijn eentje, dan word ik niet oud. Jammer, ik zal ze missen, die unieke, eigenwijze gemeenschap. De palingpop van BZN, The Cats, Jan Smit. Het voetbal. De noodzakelijke bijnamen, omdat al die achternamen hetzelfde zijn, familie van familie. Daarom trof die ramp ook het hele dorp, zeg maar kamerbreed. Weetje, een Volendammer herken je aan de andere kant van de wereld nog in een oogopslag. Het zit ´m in de manier van kleden, en zelfs van lopen. Een volk dat met de rug naar het Koninkrijk der Nederlanden staat, heer en meester van de zee én geregeerd door het water.” Dit voorjaar ging het ineens niet meer: „Het werk dat ik zo graag en enthousiast doe, werd een last. Als iemand belde voor een afspraak, ging ik ertegen opzien. Twee weken na Pasen memoreerde iemand de mooie paasmis. Ik kon me er niets van herinneren, ook niet na diep nadenken. Opge brand, ja. En toen die torenhoge bloeddruk, die niet wegging na een goede nachtrust... Ik was er op tijd bij.”
Een ontspannen glimlach: „Dat maandje rust heeft me trouwens al goed gedaan, mijn bloeddruk is prachtig, ik ga de medicijnen afbouwen. Ik luister veel naar muziek, wandel en lees en ga één keer per dag naar de abdij in Egmond.” Berkhout is 63 jaar en van plan in Breezand met zijn tweeduizend inwoners werkend oud te worden. Veert op: „Ik ben geboren op 9 april 1940. Op exact dezelfde dag, in hetzelfde jaar als burgemeester Mans van Enschede. En dan allebei zo´n ramp. Toeval bestaat niet...”
Op het strand kijken zonnebaders de ´media-pater´ na als hij door het mulle zand ploetert. „Ik ben een bekend gezicht geworden en daar moet ik nog steeds aan wennen. Maar ik hoef nog niet te wuiven als de paus hoor. IJdel?” hij proeft het woord bijna. „Mediageil noemden ze me ook wel. Maar ik heb het niet gezocht, het kwam op mijn pad, niet anders. Men zegt dat ik op tv naturel overkom en daarop ben ik wel trots. Omroeppastor zou ik niet willen zijn op tv, maar een pastoraatrubriek op de radio zou ik wel willen, lekker anoniem." Zijn ogen turen in de blauwe lucht. Een man die vooruitkijkt? „Gewoon een hemelse blik!” In zijn logeerhuis wacht hem alleen oppashond Pancho: „Het celibaat hoort bij het ambt en dat is maar goed ook. Tijd voor een gezin heb je niet naast het werk. Aan de andere kant word ik ook niet gecorrigeerd en kan ik mijn verhaal niet kwijt als ik thuiskom. En dat is eenzaam, ja.”