Nivel tussenrapportage over gezondheidsproblemen voor en na de Nieuwjaarsbrand

Nivel tussenrapportage over gezondheidsproblemen voor en na de Nieuwjaarsbrand
Pas in een later stadium valt te overzien welke schade een ramp teweeg beeft gebracht voor de langere termijn. Ouders van de bij de nieuwjaarsbrand betrokken jongeren kampen met gezondheidsproblemen. En wat te denken van de oma’s en opa’s en de broers en zussen. “Let vooral op het gezin. Denk niet dat het meevalt voor de andere gezinsleden en grootouders”, klinken de woorden van waakzaamheid van de heer Joris IJzermans, programmaleider van het Nivel (Nederlands Instituut voor Onderzoek van de gezondheidszorg). IJzermans weet zich in zijn opmerking gesteund door de statistieken die via de contacten met de Volendamse buisartsen tot stand kwamen. Afgelopen vrijdag werd de tussenrapportage aan de Tweede Kamer gepresenteerd.
In opdracht van het Ministerie van VWS (Volksgezondheid) deed het Nivel een onderzoek naar de gezondheidsproblemen en het zorggebruik voor ~n na de nieuwjaarsbrand. Dat deed het voor jong (11-24 ·jaar) en ouder (35-54) die bij de ramp betrokken waren, en om te vergelijken bij een referentiegroep uit Volendam van dezelfde leeftijdscategorie die niet bij de ramp betrokken was. “Daarnaast zetten we de cijfers af tegen een landelijke controlegroep, mensen van· die leeftijd uit een dorp/stad van ongeveer dezelfde grootte”, licht IJzermans in Utrecht, waar het Nivel huist, toe.
Anoniem
De gegevens zijn afgetapt bij de huisartsen. “Alles is anoniem”, benadrukt hij. “We hebben hier geen enkele naam.” Dat is ook een bewuste keuze van het team. In Enschede is er ook een dergelijk onderzoek gaande. Een verschil met Volendam is dat voor dat onderzoek gekozen is om alles in stilte te laten gaan en niemand er iets van merkt. Dat betekent dat er geen sprake is van een in te vullen vragenlijst of interviewende vorm. Aan de andere kant zou het wellicht goed zijn om dat laatste wel eens te doen. Dan haal je ook meer naar boven.” Onderzocht werd dus, of er door invloed van of naar aanleiding van de nieuwjaarsbrand meer of andere gezondheidsproblemen zich hebben gepresenteerd. En de contactfrequentie tussen cliënt en huisarts. ,,Het gaat om de mate van de klacht en wat voor soort klacht. Momenteel krijgen we alle gegevens binnen over de geneesmiddelen en medicijnen die gebruikt zijn in de afgelopen periode, maar daarover doen we later dit jaar verslag. En het onderzoek - waarvan de meest recente gegevens van maart 2003 zijn - loopt in ieder geval door tot januari 2005. We houden dus op een indirecte manier vinger aan de pols. Op deze manier zijn we ook de huisartsen ten dienst, zoals zij dat ons zijn geweest in de voorbije periode.”
“Meteen na de ramp was er natuurlijk heel veel contact met de huisarts, maar nu is dat nog altijd meer dan voor de brand, want over die gegevens beschikken we. Jongeren hebben veel klachten over de luchtwegen. Met name de ouders vertonen meer psychosociale klachten. En psychische klachten als angst, depressie, stress, leiden tot fysieke klachten als rugpijn of in andere lichaamsgewrichten of mensen krijgen maag- en darmklachten. Nou is er in Volendam volgens de huisartsen al sprake van hoge cholesterolgehaltes en gevallen van hoge bloeddruk, maar dat aantal heeft zich zeker uitgebreid.” “En eigenlijk zijn deze cijfers nog een onderschatting van de werkelijke cijfers”, waarschuwt IJzermans’ collega Tina Dorn. “Veel jongeren lagen lange tijd in de ziekenhuizen en inmiddels maken veel jongeren en ouders gebruik van zelfhulpgroepen als het Supportproject, ze staan nog in contact met de ziekenhuizen, psychologen en andere geneeskundigen.”
‘Alleen maar meer bij’
“De klachten nemen niet af, er komen alleen maar meer bij”, merken de onderzoekers, die ook waargenomen hebben dat het contacteren van de huisarts en de gezondheidsproblemen bij de vergelijkingsgroep van Volendam is afgenomen, vergeleken bij de periode van voor de ramp. “Terwijl er landelijk sprake is van een stijging”, valt Dorn op. IJzermans. En zijn collega onderzoekers leggen eens per kwartaal hun bevindingen voor aan de huisartsen. IJzermans kan over de nodige ervaring buigen als het gaat om naweeën van rampen. “In het begin is er veel aandacht voor de slachtoffers, maar die ebt daarna weg, zodat mensen zich onbegrepen of in de steek gelaten voelen. Wij interpreteren als het positief dat Volendammers tot veel in staat zijn en veel kunnen hebben. Maar ze kunnen natuurlijk niet alles aan.”
De onderzoeker merkt uit zijn contacten dat een periode als deze, met het spelen van de strafzaak, weer dingen losmaakt. “Dat merkten we ook in april toen de uitspraak kwam in de zaak rond de Enschedese vuurwerkramp. Toen de vermoedelijke dader werd vrijgesproken was er daarna meteen sprake van veertig procent meer contact met de huisartsen.” De onderzoekers beschikken overigens over gegevens uit drie van de vier Volendamse huisartsenpraktijken. In hun bevindingen valt onder meer te lezen dat onder de bij de brand aanwezige jongeren nekklachten in het tweede jaar na de brand twee keer zoveel gepresenteerd zijn als het jaar daarvoor. En de klacht moe/malaise stijgt pas in het tweede jaar na de brand. “Dat geldt ook voor de broers en zussen van getroffenen. Een effect dat we ook na de vuurwerkramp in Enschede zagen optreden”, stellen de onderzoekers.
Volgens de gegevens valt bij de ouders van de bij de ramp aanwezige jongeren op dat ze behalve verhoogde bloeddruk ook stofwisselingsstoornis (met name verhoogd cholesterolgehalte) als veel voorkomende aandoening vertonen. Gesteld wordt: “Omdat deze klachten belangrijke risicofactoren voor een aantal ernstige aandoeningen (zoals hart- en vaatziekten) is het belangrijk om deze groep in de toekomst verder te volgen.” Verder blijkt uit cijfers dat de werklast van de Volendamse huisartsen door de brand is gestegen en het verlichten van die lasten wenselijk is.
Aandacht
Verder: “De resultaten maken duidelijk dat vooral de door de brand getroffen families aandacht verdienen.” Tot slot: “Gezondheidsonderzoek kan gegevens verschaffen die nodig zijn voor het ontwikkelen van nazorgbeleid. Door de late start van de gezondheidsmonitoring (de formele opdracht werd pas in januari 2002 verleend), was dit niet in de gewenste mate mogelijk. Niettemin is de hier gepresenteerde monitoring een signaal dat de getroffenen serieus worden genomen, en voorkomt het dat betrokkenen later voor vragen komen te staan over gezondheid die op dat moment niet meer te beantwoorden zijn.”
Exemplaren van de tussenrapportage liggen ter inzage bij CRN/Het Anker, of kunnen besteld worden via het Nivel, tel.030-2729700.