Naar de inhoud

Mary Steur: sportopbouwwerker Edam-Volendam

Bron: NHD


Mary Steur: sportopbouwwerker Edam-Volendam


Sport en spel als wapen tegen jeugdig vadalisme. Door ‘hangende’jongeren aan het sporten te krijgen, hoopt de gemeente Edam-Volendam overlast te verminderen. Mary Steur, haar officiele titel is breedtesportopbouwwerker, moet daar invulling aangeven. De 23-jarige Volendamse is sport een goed middel. “Sport is emotie, dan komen zeaken los”, stelt ze.

Steur is in april aan haar missie begonnen. Met haar Cios opleiding heeft ze puur sportieve opleiding gevolgd. Maar in Amsterdam, en dan met name in stadsdeel Noord, deed ze al flink wat ervaring op als sportbuurtwerker. “Tijdens het sporten merk je snel of iemand niet lekker in zijn vel zit. Dan maak je eens een babbeltje met zo’n jongen. Straks moet ik samenwerken met een straathoekwerker, die wordt binnenkort daarvoor aangesteld.” De sportieve Volendamse moet de jeugd vooral in beweging krijgen. En dat gaat niet vanzelf. Prikkelen en stimuleren is het motto. “Ze willen niet”, is de eerste conclusie, die Steur in haar functie trok. Het valt me op dat de jeugd, vooral in Volendam, veel aan sport doet, maar ‘s avonds willen ze lekker hangen. Ze hebben het liefst een coffeeshop of discotheek. En op sportgebied een overdekte skihal. Ze zijn verwend.” Toch is het haar niet tegengevallen in Edam-Volendam. “In eerste instantie hadden ze zoiets van: ‘We moeten weer wat’. Maar toch vonden ze het wel leuk. Veel van die jongeren weten niet eens dat Edam-Volendam ze heel veel te bieden heeft op sportgebied. Ik heb ze ook veel te bieden. Als ze American football willen spelen, kan dat. Ik organiseer sportinstuiven, zodat ze lekker kunnen voetballen. De achterliggende gedachte is inderdaad dat er dan minder groepen bij de winkelcentra hangen.” Steur denkt dat ze een taak op zich heeft genomen, die bijvoorbeeld de politie niet kan invullen. “Ze vertellen me dat ze op de hielen worden gezeten door de politie. Agenten proberen ook een praatje te maken met ze, maar de jongeren zien de politie toch als vijand. De politie moet ook wel eens optreden en vraagt of ze hun troep opruimen. Dat vindt de jeugd vreemd.”


 


Overlast


Met de overlast in de gemeente valt het volgens Steur wel mee. Tenminste, als ze dat afzet tegen bijvoorbeeld Amsterdam-Noord. “Ze hebben allemaal een eigen hangplek en onderling is er bepaalde competitie. Maar niet zo erg dat er veel gevechten zijn. Het beperkt zich vooral tot overlast en troep maken.” Nee, dan Amsterdam-Noord. ,,Dat is echt verschrikkelijk. Als je daar kunt werken, kun je het overal. Daar hebben ze schijt aan je, ze bedreigen je en proberen je spullen te jatten. Echt een heel andere mentaliteit. Veel agressie en ze zijn nooit tevreden met iets. Daar kun je echt niet, zoals hier, op een groep afstappen. Dan lachen ze je uit en schelden je verrot. Sommige mensen in Volendam vinden de jeugd hier ‘bedroefd’. Dan denk ik: Ga eens naar Amsterdam-Noord. Oké, ze fietsen wat in de rondte en maken er een bende van, maar ik ben hier ‘s avonds op straat niet bang.” De dorpse mentaliteit van eigen dorp bevalt haar beter. “Je kunt ze nog een beetje zelf laten ontplooien met een beetje hulp. Je moet ze niet betuttelen, dat werkt averechts. Maar mee laten denken. Ze houden van een directe benadering. Maar niet gaan dwingen. Daarmee bereik je niets. Je zelf een beetje kwetsbaar opstellen en vooral jezelf blijven. En uitleggen dat er niets verplicht is. Daar bereik je meer mee.” De jeugd heeft volgens Steur vooral moeite met initiatief nemen. ,,Ze zijn gewend dat alles ze komt aanwaaien. Ze zijn een beetje lui. Ze moeten leren dat niet alles vanzelf gaat. Opvallend is ook dat er hier geen trapveld of hangplek is voor de jeugd. In Amstetdam4sîoord was er op elke straathoek een omkooide plek. Het punt is: je wilt wat, maar er is niets. Daarom ben ik heel blij met de plannen voor een speelveld bij Nohol in Edam. En het is de bedoeling dat zoiets er ook in Volendam komt. Het mooie van die plekken is dat er een centrale plek komt. Dan kun je ze makkelijker bereiken.


 


Vruchten


Toch heeft Steur, die verwacht dat haar activiteiten binnen enkele jaren hun vruchten moeten afwerpen, niet de illusie dat ze het ‘hangen’ kan doen uitsterven. “Moet ook niet. Hangen is ook socializing. Wat heb je gedaan vandaag? Gewoon lekker roddelen. Dat doen ze liever niet waar de ouders bij zijn. Ze willen de deur uit. Maar dat was vroeger niet anders. Ik hing vroeger ook. Net zoals mijn broer en zus. Maar nu ligt daar toch meer nadruk op. De jeugd is ook mondiger.” “Als ik hier het sportbuurtwerk heb opgebouwd en ze weten dat er iedere dag wat te doen is, is mijn missie geslaagd”, zegt ze. “En na het voetballen een gesprek met een paar jongeren. Ik had laatst een groep, waar een jongen van mijn leeftijd in zat met een uitkering. Dan zeg ik wel: ‘Waar ben je mee bezig? Ga naar school of ga werken.’ Maar sommigen weten niet wat te doen. Kiezen de gemakkelijke weg. Ze vinden het wel prima en krijgen er nog geld voor ook. Die gesprekjes horen niet echt bij mijn werk maar het is wel een manier hun vertrouwen te winnen. Als ze in de supermarkt roepen: ‘Hee Mary, hoe is het?!’, dan is dat wel mooi. Maar om echt wat te bereiken moet er meer gebeuren dan alleen hangjongeren aanspreken. “Hangjongeren zijn tussen de 13 en 25 jaar. Je moet je ook focussen op de basisschool. De huidige hangjeugd is bijna niet meer te vormen. Met jongere jeugd kom je verder. Bij deze generatie hebben we veel laten liggen. Die hebben heel lang kunnen hangen, dat verander je niet zo gemakkelijk.”

 

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.