Man en Fiets
Man en Fiets
In het dorp waar ik opgroeide werd veel gefietst. Mijn eerste fiets was een `tweedehandsje' en op de groei gekocht. Door de fietsenmaker waren de trappers, voorzien van houten blokjes waardoor ik met mijn nog te korte benen toch bij de trappers kon. De dag dat die blokjes er af mochten vierde ik zoals nu waarschijn1ijk kinderen dat doen op de dag dat ze hun leven kunnen voortzetten zonder gebitsbeugel. Klaar voor de grote wereld. In die wereld van toen was vooral de hoogte van het zadel een belangrijk feit. Wanneer we dagelijks naar school in het nabij gelegen stadje fietsten, werden we in het begin vaak gepasseerd door grote mannen die in de stad werkten. Niet zelden stak hun zadelpen tien of meer centimeter boven het frame van de fiets uit. Uit het schijnbare gemak waarmee ze ons passeerden, trokken we de conclusie dat er een verband was tussen, de hoogte van het zadel en de snelheid die je op de fiets kon ontwikkelen. Wij begonnen dus te experimenteren met de afstelling van de hoogte van onze zadels en werden zodoende experts op dat terrein. Beetje bij beetje kregen we door, dat niet de hoogte van het zadel doorslaggevend was, maar dat het om de hoek ging die het been maakte als de trapper op zijn hoogste punt stand. De; ideale hoek was precies negentig graden. We konden dat ook bewijzen aan de hand van foto's van wielrenners die we uit de krant knipten.
Het volgende probleem dat we moesten oplossen was dat bij de ideale hoogte van het zadel onze voeten bij stilstand niet meer de grond raakten. Dat betekende dat je niet uit stilstand kon wegrijden of nog zittend op de fiets, kon stoppen. De oplossing voor dat probleem lag in de zwaai. Dat was een techniek die we snel onder de knie kregen. Om te starten zette je de linkertrapper iets omhoog. Je zette je linkerbeen op die trapper en hield het stuur met beide harden stevig vast. Terwijl je afzette met je rechterbeen zwaaide je dat been vervolgens over de fiets en zo belandde je in het zadel. Stoppen ging in omgekeerde volgorde. Je zwaaide je rechterbeen weer over de fiets' terug zodat je hele lichaam zich aan de linkerkant van de fiets bevond. Terwijl je, linkerbeen nog op de trapper in de laagste stand rustte gebruikte je de hak van je rechtervoet als rem. Het is vanwege deze ervaring dat ik met verwondering naar de fietsende mannen in Volendam kijk. In dit dorp waar motorische begaafdheid toch bepaald niet dun gezaaid is, lijkt de fietskunde slecht ontwikkeld. Als je in Volendam de gemiddelde man op de fiets ziet langskomen, zie je niet iemand die fietst, maar iemand die zich op zijn gemak op de fiets voortbeweegt en daarom recht op zit in plaats van schuin naar voren gebogen. Eigenlijk is het nog erger. Eigenlijk fiets de gemiddelde man in Volendam nauwelijks. Wonend aan een toeristische route zie ik mannen van dat soort regelmatig met de kinderen een rondje om naken. In een auto! Maar, goed, als hij fietst, benut hij iedere mogelijkheid om te demonstreren dat enige inspanning hem in dit verband vreemd is. Het zadel staat bij hem altijd in wat ik de `gemaksstand' noem. Het zadel is in, dit geval zo laag mogelijk afgesteld. De zadelpen zit helemaal in het frame. Dat daardoor niet een ideale krachtsoverbrenging tot stand kan worden gebracht; is denk ik precies wat wordt beoogd. De gemiddelde fietsende man in Volendam,lijkt daarmee te zeggen kijk ik fiets, maar neem van mij aan at het niet de bedoeling is om me daarvoor in te spannen. Al die versnellingen zitten er alleen maar op om daarvan de gemakkelijkste uit te kunnen zoeken. Regen en wind deren hem, want bij dat type weer zie je hem niet meer. Als je hem met zijn gezin ziet fietsen, rijdt hij meestal achterop. Vanuit die positie kan hij zijn hele fietsende gezin goed overzien. Voorop gaat moeder de vrouw. Meestal kan ze beter fietsen dan haar echtgenoot. Ik denk graag vaak met respect aan de fietsende Volendammer vrouwen. Ook bij weer en wind zie je ze op de weg. Soms nog met een kind voorop en achterop, een boodschappentas aan de bagagedrager en zich haasten om thuis te komen.
Zou de sloom fietsende Volendammer man juist dat verschil willen benadrukken en aan zijn omgeving duidelijk willen maken: ‘kijk, ik fiets niet zoals een vrouw!’ Het is een mogelijkheid. Maar er zijn er meer. Persoonlijk denk ik dat die gemiddelde Volendammer man zich niet eens bewust is van zijn fietsstijl. Ik denk dat hij gewoon zijn vader imiteert. Omdat hij in zijn jeugd nooit iets anders heeft gezien dan mannen die op die manier fietsten, denkt hij dat het zo hoort. Die vaders fietsten alleen op zondag. Op die dag droegen ze hun beste wijde broek. Dat fietst niet zo lekker. Maar zo veel fietsten ze ook niet. Door de week zaten ze op de botter. De zondag was om uit te rusten. Op die dag kon je ze dan zien met hun bedachtzame pedaaltred, voortgaand in de wetenschap dat als je maar rustig door blijft trapper, je altijd op je bestemming aankomt. De vereniging tot behoud van de Volendammer cultuur zou, iedere zondag een aantal van dit soort mannen door het dorp moeten laten fietsen zodat ook toekomstige generaties zich deze onthaaste stijl door imitatie eigen kunnen maken.