Horeca verwacht herstel in 2004
Horeca verwacht herstel in 2004
“De neergaande trend wordt in 2004 gebroken en de economische opleving biedt nieuwe kansen,” zegt voorzitter Jan Geenemans in zijn rede tijdens de nieuwjaarsreceptie van Koninklijk Horeca Nederland. De voorzitter van de werkgeversorganisatie ziet de bedrijfsresultaten dit jaar bij een gematigde omzetgroei licht verbeteren. “In combinatie met kostenbesparingen die veel ondernemers hebben doorgevoerd, zijn betere rendementen een reële optie.” De rendementen worden voor een deel teniet gedaan door de jaarlijkse stijgingen van lokale lasten met gemiddeld 7%. Dit is de voorzitter van Koninklijk Horeca Nederland een doorn in het oog. Als voorbeeld noemt Jan Geenemans de gemeente Maastricht, waar het college heeft voorgesteld de precario met 105% te verhogen en de legestarieven met 400%. “Gemeenten proberen de bezuinigingen van dit kabinet consequent op allerlei manieren te ontduiken en schromen niet zich daarbij als ordinaire monopolist te gedragen. Als je daar niet ingrijpt, laat je als kabinet met je sollen,” vindt Geenemans.
Jan Geenemans gaat in zijn Nieuwjaarsrede ook in op het rookbeleid in de horeca. Hij verwacht dat Koninklijk Horeca Nederland met minister Hoogervorst tot overeenstemming zal komen over het door de brancheorganisatie opgestelde stappenplan. De aandacht van ondernemers voor de problematiek van het roken mag echter niet verslappen. “Met dit stappenplan nemen wij nieuwe verantwoordelijkheden op ons,” aldus Geenemans. “Als wij met de minister tot overeenstemming komen, is het dus niet over. Er wacht ons dan een nieuwe uitdaging, waarvoor wij met z’n allen flink aan de bak moeten.” Minister Hoogervorst wil overigens eerst nog nader onderzoek doen naar ventilatietechnieken. Hij verwacht in april een definitief standpunt in te kunnen nemen.
Bijlage Rede Jan Geenemans, nieuwjaarsreceptie Koninklijk Horeca Nederland 5 januari 2004, Park Restaurant Rosarium Amsterdam
Nieuwjaarsrede Jan Geenemans
Tekst van de rede van Jan Geenemans, voorzitter Koninklijk Horeca Nederland tijdens de nieuwjaarsreceptie van Koninklijk Horeca Nederland op 5 januari 2004 in Park Restaurant Rosarium, Amsterdam.
Dames en heren,
Hartelijk welkom op de nieuwjaarsbijeenkomst van Koninklijk Horeca Nederland. Dit is, zoals u weet, een moment, waarop wij de goede relatie met u allen graag nog eens persoonlijk willen bevestigen en tevens ons vertrouwen uitspreken in onze samenwerking met u in het jaar 2004. Zoals gebruikelijk benut ik deze gelegenheid ook om kort een aantal zaken aan te stippen, dat ons in het komende jaar vooral zal bezighouden. En het zal u niet verwonderen, dat de trend van onze nationale economie daarbij een belangrijke rol speelt. Laat ik vandaag eens proberen daar niet al te somber over te zijn, ook al zeggen critici: leuk die loonmatiging, maar besef je wel dat je zo ook een uitgavenmatiging in huis hebt gehaald?
Mijn antwoord is dan: laten we beginnen de effecten van die loonmatiging niet te overdrijven. Zonder de armoedeval in delen van onze samenleving te willen bagatelliseren, moeten we nu ook weer niet doen alsof we met z’n allen tot een soort middeleeuws niveau terugzakken. We hebben jaren van enorme loonsprongen achter ons. En die stappen worden niet ingeleverd. Kijk maar naar de stijging van de spaartegoeden. Er is dus wel geld, maar door onzekerheid over werk en inkomen houdt de consument de hand op de knip. Niet alleen in de horeca overigens, maar op alle andere plaatsen waar mensen voor zichzelf menen pijnloos te kunnen bezuinigen. En dan blijken ook kleding, meubilair en woningtextiel het slachtoffer te zijn. Zaken, die volgens het CBS in tijden van recessie traditioneel hoog op het lijstje prominente besparingen staan. Maar dat verhaal, zo zult u met mij eens zijn, horen we vandaag natuurlijk niet voor het eerst. Ik vind dan ook, dat we zo langzamerhand ruim de tijd hebben gehad om onszelf op dat nieuwe omzetbeeld in te stellen. Ik bedoel, als je daar nú nog mee moet beginnen, ben je wel een beetje laat. In de meeste bedrijven, zowel in de horeca als daarbuiten, zijn inmiddels op grote schaal besparende maatregelen doorgevoerd en mijn overtuiging is, dat we dit jaar - mede daardoor - betere rendementen kunnen realiseren. Ook bij een gematigde omzetgroei.
Ik ben voor 2004 dan ook niet zo vreselijk somber. Het zal geen uitbundig feest worden, maar de neergaande trend zal worden gebroken. In eerste aanleg komt dat door de opleving van de wereldeconomie, waarvan met name exporterend Nederland zal profiteren, ook al is onze concurrentiepositie in het buitenland nog verre van ideaal. In de loop van dit jaar zal dat vooral in het zakelijk segment van de horeca merkbaar zijn. Daarna zal het stokje door de particuliere consumptie moeten worden overgenomen. Maar dát gebeurt pas als de economische opleving ook in de huiskamer krediet heeft gekregen. Hoe dan ook: we moeten maar eens ophouden met navelstaren en ons actief instellen op de nieuwe kansen die 2004 en de jaren daarna ons gaan bieden. Of die kansen vervolgens ook allemaal tot hoge scores leiden, is natuurlijk niet zeker. Dat hangt vooral af van de individuele ondernemer, laat daar geen twijfel over bestaan, maar het bedrijfsklimaat, waarin hij - of zij - in Nederland opereert, speelt ook zo zijn rol. En als het om dié agenda gaat, hebben we nog wel een paar puntjes. Maar laat ik voor de verandering eens beginnen met onszelf, Koninklijk Horeca Nederland en de bedrijfsorganisaties, die wij mede besturen.
Op de eerste plaats concludeer ik dan, dat wij als Koninklijk Horeca Nederland op de verschillende overheidsniveaus de voet zo langzamerhand flink tussen de deur hebben. We hebben de afgelopen jaren als organisatie een flinke kwaliteitsslag gemaakt, waardoor wij onszelf op meerdere fronten als professionele partij goed hebben kunnen profileren. Op voor ondernemers belangrijke dossiers als loonontwikkeling, tegenstrijdige regelgeving, administratieve lasten en natuurlijk ook bij het rookbeleid - ik kom daar later nog op terug - hebben we een beleidsbepalende rol gespeeld. We zijn bezig met zaken, die herkenbaar zijn, die er voor de leden toe doen. En ik vind, dat daarmee aan het lidmaatschap van Koninklijk Horeca Nederland waarde is toegevoegd. Ook het werkterrein van de paritaire organisaties is geëffend. Na jaren van intensief overleg is, zoals u inmiddels weet, per 1 januari 2004 het Horeca Branche Instituut van start gegaan. In dit instituut is een aantal bestaande horecastichtingen samengevoegd, waardoor zaken op het terrein van arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en scholing voortaan vanaf één bestuurstafel worden aangestuurd.
De kerstboom aan stichtingen, overlegplatforms en andere vormen van horecabestuur is daarmee definitief afgetuigd en omgevormd tot een club, die de toekomst van onze branche stevig en slagvaardig op koers kan houden. Zoals u misschien nog weet, heb ik bij mijn aantreden als landelijk voorzitter de herinrichting van onze bedrijfstakorganisaties tot inzet van mijn bestuurlijke arbeid gemaakt. De oprichting van het Horeca Branche Instituut in mijn laatste voorzittersjaar heeft voor mij daarom bijzondere betekenis. Tegelijkertijd stel ik met veel nadruk vast, dat dit project samen met onze sociale partners, de horecabonden dus, is ontwikkeld. Het krediet van dit resultaat treft hen dus in gelijke mate. Het is mijn verwachting en overtuiging, dat het Horeca Branche Instituut een succesvol overlegplatform zal blijken te zijn, dat de belangen van het bedrijfsleven in onze sector, dus zowel voor werkgevers als werknemers, beter zal kunnen bedienen.
De agenda van het instituut biedt overigens direct al zeer interessante onderwerpen, waaronder natuurlijk de flexibele inzet van arbeid, waarvoor ik al enige tijd op meerdere fronten campagne voer. Minister De Geus van Sociale zaken heeft inmiddels een eerste stap gezet en voorstellen gedaan om te komen tot vereenvoudiging van de arbeidstijdenregels, zodat die naast een verhoogde flexibiliteit ook beter aansluiten op wat op Europees niveau gebruikelijk is. Ik ben het met die voorstellen van harte eens. De geest van bescherming waarmee in Nederland de inzet van arbeid is gereglementeerd, is niet alleen een structurele bron van economisch ongerief, maar ook in sociaal-maatschappelijke zin achterhaald. Werknemers zijn al lang niet meer de hulpbehoevende underdog, maar mondige partners in het arbeidsproces, die over hun rol daarin met hun werkgever zeer verantwoordelijke afspraken kunnen maken. Ik vind het overigens juist, dat daaraan grenzen worden gesteld, maar de ruimte om binnen die grenzen zowel sectoraal als individueel passende afspraken te kunnen maken, moet worden vergroot. En wat dat betreft, lijken dus nieuwe mogelijkheden te ontstaan.
De behoefte aan sectoraal passende regelgeving manifesteert zich overigens niet alleen op het gebied van arbeidstijden, maar ook op andere maatschappelijke terreinen. De discussie rond het rookbeleid van dit kabinet is daar een goed voorbeeld van. Ons pleidooi voor een status aparte was ook niet gebaseerd op arrogantie, maar op onze rol als gastheer van de samenleving. In die hoedanigheid hebben wij als geen ander rekening te houden met het maatschappelijk draagvlak voor maatregelen en voorzieningen, die de gast direct kunnen raken. In dat opzicht hebben de leden van de Tweede Kamer overigens getoond een betere verbinding met de werkelijkheid te hebben dan de ambtenaren op het ministerie van Volksgezondheid. Zoals u inmiddels weet, heeft minister Hoogervorst de signalen uit het parlement serieus genomen, waardoor de kans op uitvoering van ons stappenplan is toegenomen. Kort voor Kerstmis heeft de minister ons laten weten, dat hij bij TNO nader onderzoek laat verrichten naar de technische aspecten van ons plan. Ook oriënteert hij zich in Engeland op de werking van de Public Places Charter on Smoking en dat is, zoals u weet, het succesvolle zelfreguleringproject waarvan onze plannen zijn afgeleid. De minister verwacht nu in april een definitief standpunt te kunnen innemen. Wij wachten dat met vertrouwen af. Tegelijkertijd spreek ik hier met grote nadruk uit, dat iedereen - zowel in onze ledengemeenschap als daarbuiten - er goed van doordrongen dient te zijn, dat wij met dit stappenplan nieuwe verantwoordelijkheden op ons nemen. Onze voorstellen voorzien in de uitvoering van een actieplan met concrete doelstellingen en daarop kunnen wij de komende jaren op basis van ons eigen tijdschema worden afgerekend. Met een algeheel rookverbod als stok achter de deur. Als wij met de minister tot definitieve overeenstemming komen, en daar ga ik nu maar even van uit, is het dus niet over. Er wachten ons dan nieuwe uitdagingen, waarvoor wij met z’n allen opnieuw flink aan bak moeten. Alleen op die manier zullen wij deze dissonant in onze bedrijfsvoering kunnen afwenden. Er blijven er overigens genoeg over.
Zo maakt Koninklijk Horeca Nederland zich al geruime tijd grote zorgen over de exorbitante stijging van onze lokale lasten. De afgelopen twee jaar bedraagt die gemiddeld 6 tot 7 procent, waarmee de zowel bij burgers als bij bedrijven behoedzaam gerealiseerde bezuinigingen genadeloos worden afgeroomd. Schrijnend voorbeeld in dit verband is de gemeente Maastricht, waar b. en w. hebben voorgesteld de precario met 105% te verhogen en de legestarieven met 400%. Logisch dat onze afdeling daar zich in de touwen voelt gejaagd en alle overleg heeft afgebroken. En dat is voor alle betrokken partijen een jammerlijke ontwikkeling. Natuurlijk begrijp ik, dat je als bezuinigende politicus geen populariteitspoll wint, maar als in het hele land burgers en bedrijven knarsetandend in hun uitgaven moeten schrappen, zie ik niet in waarom gemeenten zich niet in die rij zouden kunnen aansluiten. Via de Monitor Lokale Heffingen volgt het kabinet dit financiële circus overigens op de voet, maar als reactie komt het totnogtoe niet verder dan de aankondiging van bestuurlijk overleg, inventariseren, analyseren en meer van dit soort administratieve handelingen. Maar dat is om de hete brei heen draaien. De feiten zijn immers simpel en glashelder: gemeenten proberen het financieel beleid van dit kabinet consequent op allerlei manieren te ontduiken en schromen niet zich dan zelfs als een ordinaire monopolist te gaan gedragen. En ik vind: als je daar niet ingrijpt, laat je als kabinet met je sollen.
Er zijn overigens, dames en heren, ook andere signalen. Want als ze daar in Den Haag écht ergens warm voor lopen, dan gebeurt er ook wat. Kijk maar, zeg ik dan in alle eerlijkheid, naar de aanpak van het project voor de vermindering van onze administratieve lasten. De prioriteit die het kabinet Balkenende aan dit beleidsdoel heeft gegeven, is niet eerder vertoond. Het is weliswaar geen garantie voor succes, maar er zijn - vind ik zelf - nu wel meerdere redenen voor enig vertrouwen. Overigens ook voor enig wántrouwen, maar daarover straks meer. Ik zal u niet met teveel details lastig vallen, maar de aanpak onder leiding van staatssecretaris Van Gennip van Economische Zaken voorziet in de vorming van meerdere kleine werkgroepen, task forces noemt men die tegenwoordig, waarin de bedenkers van de regels aan één tafel worden gezet met vertegenwoordigers van de betrokken branche, plus één of meerdere externe deskundigen. Al deze mensen worden in een kamer gezet, de deur gaat op slot en die mag pas weer open als er witte rook verschijnt.
Kortom, de drang van bovenaf om deze keer succes te boeken is zwaarder dan ooit. En de regelgeving in de horeca is in één van de task forces al uitgebreid onderwerp van gesprek. Dus misschien gaat het nu toch allemaal gebeuren. Een week geleden werden in het tv-programma Buitenhof over deze kwestie onverwacht nog zeer behartigenswaardige mededelingen gedaan. De heer Mertens, inspecteur-generaal bij Verkeer en Waterstaat, zei daar in antwoord op vragen, dat bijna elke hoek van een horecabedrijf door een andere ministerie wordt gecontroleerd en/of aangestuurd. Tot op dit moment moet de ondernemer in dat doolhof zijn eigen weg zoeken, maar - zei hij - dat moeten wij gaan doen. De overheid moet die coördinatie van de ondernemer overnemen. U kunt zich voorstellen, dames en heren, daar gaat je ondernemershart best wat sneller van kloppen.
Grote onzekerheid in dit traject - en daar doelde ik zojuist op - is de doorwerking naar beneden. En ik bedoel daarmee, dat de sanering op departementaal niveau goed lijkt te kunnen worden geregeld, maar bij de doorwerking op lokaal niveau komen wij een oude vijand tegen en die heet: gemeentelijke autonomie. Alle vereenvoudiging moet daar eerst met veel vriendelijke woorden worden aangereikt, omdat invoering formeel niet kan worden afgedwongen. Te gek voor woorden, als je het mij vraagt. Niettemin, er is dus hoop, maar er is ook vrees. En gezien die onzekerheid zullen wij in nabije toekomst nog regelmatig de verzuchting slaken: oh, oh, Den Haag…