Nieuwe aankoop door Oud Volendam voor documentatiecentrum van Volendams Museum
Nieuwe aankoop door Oud Volendam voor documentatiecentrum van Volendams Museum
Belangrijk boek uit 1885 aan collectie toegevoegd
Tot een van de taken van het Volendams Museum behoort de aankoop van historisch belangwekkende schilderijen, beeldmateriaal, voorwerpen en curiosa waaronder ook boekwerken. Onlangs kon het museum nog voor een alleszins redelijk bedrag de hand leggen op het prachtige schilderij ‘Kaartlezen’ van Wilm Wouters. Vorige week kwam een boekwerk binnen bereik dat onderhand vrij zeldzaam aan het worden is. Het gaat om een in gave staat verkerend boek uit 1885 dat als titel heeft SKETCHING RAMBLES IN HOLLAND. In dit boek staan de culturele verkenningstochten beschreven van twee Amerikaanse kunstenaars die in 1880 naar Holland werden door het Amerikaanse tijdschrift Harper’s New Monthly Magazine. In Amerika waren de grote meesters onder de kunstenaars van de Gouden Eeuw destijds volop in de belangstelling. De aandacht voor Holland werd nog groter toen in 1875 de Engelse vertaling uitkwam van het boek dat de Fransman Havard had geschreven over zijn vaartocht langs de dode steden van de Zuiderzee, waarin ruim aandacht wordt besteed aan het ‘verloren dorp’ Volendam. Dat boek werd de aanleiding dat de Amerikaanse kunstenaars George H. Boughton en Edwin A. Abbey in 1881 een bezoek aan Volendam brachten, dat zij ‘straggling’ noemden, wat zoveel wil zeggen als ‘verspreid bewoond’. Het boek uit 1885 is gescheven in het engels. Een vertaald gedeelte uit het boek over een bezoek aan Volendam in 1881 is een historische weergave van de situatie in Volendam door de ogen van de twee Amerikaanse kunstenaars op hun verkenningsreis door Nederland.
VOLENDAM WAS DE RIJKST AANDOENDE GEMEENSCHAP DIE MEN ZICH KAN VOORSTELLEN IN 1881 VOLGENS DE KUNSTENAARS
Een gedeelte uit het boek over Volendam in 1881:
“Edam heeft zo zijn kleine geschiedenis, maar het was nu niet het geschikste moment om in het verleden te duiken. We besloten geen “ouwe koeien uit de sloot te halen”, en gingen door naar Volendam. De rit was maar kort. De hoofdweg is tevens de dijk de de Zuiderzee weghoudt van de laagliggende polders in de buurt. Het was bepaald geen dooie boel. Niet groot: een lange straat eigenlijk met laag gebouwde, maar goed geteerde en levendig geschilderde visserswoninkjes aan beide zijden van de weg. Het wemelde er gewoon van de mensen; aangezien het zondag was waren de mannen thuis en op hun zondagse best gekleed – donkerblauwe baaien en bijna zwarte, zeer wijde broeken die blonken van de enorme zilveren knopen, schoengespen, gouden oorringen en grote zilveren horlogekettingen. Het was de rijkst aandoende menigte die men zich maar kan voorstellen. De mannen droegen in het algemeen hetzelfde, ook jong en oud op de hoofdtooi na gelijk. De kleine jongens waren volwassenen in het klein. Ze waren allemaal zo’n beetje bezig met het eten van kleine harde appels of noten. Op de houten plankieren voor bijna alle huizen stonden grote manden met appels en noten; je kon niet zien hoe het met de winst zat want iedereen was koper en klant tegelijk. Ze waren kennelijk onder de indruk van onze grote koets maar lieten dat overigens niet merken. We groetten hen beleefd terwijl we door de druk bezette straat reden. Trots hun zilveren knopen tonend groetten ze rustig terug terwijl ze doorknabbelden aan hun appels.
Het probleem om de wagen (een rouwkoets) te keren voor de terugreis werd opgelost door de paarden uit te spannen waarna een stel stoere, gebronsde reuzen, de oude ark eenvoudig oppikten en omdraaiden of het een kinderwagen was. Ze bloosden zelfs even bescheiden toen we ze bedankten voor de moeite. En toen Jacob de leidersfiguur wat muntgeld aanbood als beloning weigerden ze bijna. Het werd uiteindelijk aangenomen maar niet voor een borrel maar voor de appels en noten. En toen we wegreden – langzaam uit vrees om enkele van het talrijke grut te overrijden – was er een eindeloos gewuif als vriendelijk afscheid vanuit de menigte waarbij enkele kleine jongens ons langs de dijk al juichend bleven volgen tot ze buiten adem waren. Van dit alles stonden we raar te kijken! Zelfs Jacob die zijn buik al gauw vol had van dode steden straalde er helemaal van. De lijkkoets vol met voor weinig geld gekochte bundels Volendammer kleren in alle kleuren van de regenboog werd wel een beetje pijnlijk en ook een geheimzinnig kijkspel langs de weg totdat we eindelijk in Purmerend belandden”.
Aanvulling op documentatie
In het premieboek van 2003 heeft de vertaling gestaan van het leuke fragment over de reis die de mannen vanuit Purmerend naar Volendam en terug aflegden alsmede enkele afdrukken van door de kunstenaar Abbey gemaakte schetsen. Het boek en geeft een goed tijdsbeeld en wellicht komen wij in een volgend premieboek nog eens terug met een artikel over het bezoek van de twee kunstenaars aan Broek in Waterland, Monnickendam, Marken, Edam en Purmerend. Het nu voor een redelijk bedrag in Engeland opgespoorde exemplaar van het boek is een aanvulling op de uitgebreide documentatie over Volendam’s verleden waarover het museum beschikt. Het boek zal mettertijd in gekopieerde vorm zeker een plaats krijgen in het toekomstige documentatiecentrum. Een werkgroep is al enige tijd bezig om een dergelijk centrum met speciale digitaliseringsfaciliteiten op te nemen in de geplande uitbreiding van het museum. Het zou een extra stimulans zijn voor de vele vrijwilligers als de gemeente subsidie zou geven voor de totstandkoming van het documentatiecentrum.
Het bestuur
Volendams Museum