Naar de inhoud

Over 1968 en wilde tijm

Bron: Peter Louter in NIVO

Over 1968 en wilde tijm
Op ons landje in Polen groeit niet alleen maar gras. Op sommige stukken groeit zelfs meer onkruid dan gras. Sommige soorten onkruid, vooral die harder groeien dan gras of die na het maaien houtige stengels achterlaten, zijn tot vijand verklaard. Dat geldt ook voor de ontelbare distels waar mijn vrouw een verbeten strijd mee voert. Ze heeft er een goede reden voor. Binnenkort zal onze kleindochter Zoë een week met haar ouders bij ons komen kamperen. Zo’n kind dat nog niet helemaal vast ter been is’ kun je het natuurlijk niet aandoen om telkens weer op die stekelige distelbladeren terecht te komen als ze weer eens onderuit gaat. Andere soorten onkruid zijn echter welkom. De, door het maaien, laagbloeiende kamille bedekt grote delen van ons domein met wuivende witte bloemen. Een beetje trots was ik ook op de vele plekken waar wilde tijm en wilde geranium bloeit.

Tevergeefs pleitte ik bij mijn Poolse buurman, die alles wat er niet als gras uitziet, haat, om ze te sparen. Zelfs mijn pleidooi dat deze plantensoorten het bewijs vormen dat de kleinschalige landbouw in Polen de natuurlijke omgeving niet aantast, maakte geen enkele indruk op hem. Dat lukte me we bij al mijn Nederlandse vrienden, kennissen en familieleden. Na mijn enthousiaste betogen zag je in hun ogen die weemoedige glans verschijnen die magische woorden als ‘wilde tijm’ en ‘wilde geranium’, kunnen oproepen.

Wat ik ze nog niet heb durven vertellen, is dat ik deze twee plantensoorten enkele weken geleden in het gemeentegras bij mijn buurman om de hoek aantrof. Langzaam wandelend met kleindochter Zoë aan de hand, zag ik ze in een terloopse blik tussen het gras. Daar kan ik geen enthousiaste verhalen over afsteken, maar dat zou ik eigenlijk wel moeten doen. De ontdekking bracht een van de spreuken in herinnering die voor mijn vader de leidraden in zijn leven vormden. “Waarom zou je ver zoeken wat je thuis kunt krijgen”, placht hij op daarvoor geschikte momenten te zeggen. In gedachten zie ik zijn geamuseerde grijns als ik hem dit verhaal nog had kunnen vertellen.

Aan deze ervaring moest ik meteen denken toen ik deze week van iemand een boekje kreeg. Het heet ‘Plan tot behoud van het eigen dorpskarakter van Volendam’. Het is gepubliceerd door de Vereniging Oud Volendam. In 1968! Van de vele karakteristieke huisjes die op de omslag zijn afgebeeld krijg je het water in de mond. Het boekje is rijk geïllustreerd. Bij het doorwerken er van viel het zelfs mij, als jas, al snel op dat veel van dat moois sinds 1968 voor goed verdwenen is. Het is net als met mijn wilde tijm en wilde geranium, dacht ik. Als je ze ver van huis aantreft, kun je er lyrisch over worden, zonder te beseffen dat zulk moois ook gewoon bij je om de hoek groeit. Zo komen vakantiegangers terug met prachtige verhalen over unieke vissersplaatsen aan de Atlantische of  Mediterrane kust zonder goed te beseffen dat al het moois dat we hier hebben te weinig beschermd wordt en daardoor langzaam en gestaag aan het verdwijnen is.

‘Volendammers geven weinig om het behoud van hun karakteristieke leefomgeving’, is mij vaak verteld. Ingewijden hebben echter een ander verhaal. ‘Dat geldt niet voor het merendeel van de bevolking’, zeggen ze. ‘Te lang is hier een politieke partij dominant geweest die geen oog had voor het historisch erfgoed. Die dominantie heeft de bevolking passief en cynisch gemaakt.’

Ik kan die analyse wel delen. Ik zie echter ook dat het tij aan het keren is. Het verzet van bijvoorbeeld de bewoners om het Populierenplantsoen is in ons aller belang. Hun verzet zal er hoop ik toe leiden dat we nog in lengte van dagen kunnen genieten van dit fraai stukje groen in onze dorpskern. Het plan van 1968 is jammer genoeg in de prullenbak verdwenen. Het is daarom de hoogste tijd voor een nieuw en spijkerhard plan. Een plan dat het nog bestaande afdoende beschermt en door historiserend te (ver)bouwen een deel van het verloren gegane weer terugbrengt. We moeten dat voor ons zelf doen. Niet om sentimentele redenen. Maar gewoon omdat we het nodig hebben. Omdat het contact met de geschiedenis, met authentieke en unieke dingen een van de belangrijkste pijlers van onze identiteit is. We moeten het ook voor onze toekomst doen. In een Volkskrantartikel las ik over een onderzoek dat toeristen vooral vallen op een historisch unieke omgeving. De aantrekkelijkheid van Volendam voor toeristen kan worden vergroot door een goed plan te maken en daar strak de hand aan te houden.Daar hebben we ook allemaal belang bij.

Maar wie neemt het initiatief voor zo’n plan. Wie durft z’n nek er voor uit te steken. Misschien is het iets voor Herman Sier, Groen Linkser, maar ook de zoon van een van de samenstellers van het plan uit 1968. Stemmen we de volgende keer gewoon met z’n allen voor één keer op hem. Volgens mij is dat de enige manier om die andere partij duidelijk te maken dat we met onze dorpskern wel wat anders willen dan projectontwikkelaars hun gang te laten gaan.

Het motto voor zo’n plan heb ik al; geleend van de schrijver Koos van Zoomeren: ‘Wat uniek is, is onvervangbaar. Wat onvervangbaar is kun je maar één keer verknoeien.’

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.