Vijf vragen over psychosociale zorg na rampen aan minister van VWS Hans Hoogervorst
Vijf vragen over psychosociale zorg na rampen aan minister van VWS Hans Hoogervorst
Uit de Eurobarometer van de Europese Commissie blijkt dat de angst voor terrorisme zowel in Europa als in ons land bovenaan staat in de top-tien van grootste angsten onder de bevolking. Nederlanders verwachten traditioneel veel van de overheid als het gaat om opvang en bescherming. Is de overheid daarop voorbereid?
Hoogervorst: “De Nederlandse overheid bereidt zich zo goed mogelijk voor op terrorisme. Dat is een gezamenlijke inspanning van overheden, inlichtingendiensten, maar ook het bedrijfsleven en de gezondheidszorg. Dit is een continuproces. Wat betreft opvang en verzorging biedt het Nederlandse zorgsysteem over het algemeen voldoende mogelijkheden. Daarnaast is er extra capaciteit voor ziekenhuisopvang in het calamiteitenhospitaal voorhanden. Ook kan, op grond van bijstandsverdragen een beroep worden gedaan op de ons omringende landen. Maar de overheid kan geen garantie afgeven dat alle gevolgen van terrorisme worden weggenomen. Dat geldt evenzeer voor andere rampen. Van de overheid mag wel worden verwacht dat zij al het mogelijke zal doen. Dat heeft echter zijn grenzen."
Psychosociale zorg na rampen is één van de speerpunten van uw ministerie. Vindt u dat psychosociale zorg momenteel zowel voor als na een ramp voldoende beschikbaar is voor de burger?
Hoogervorst: “Ik ben van mening dat er zeer veel aandacht is vanuit VWS voor de psychosociale opvang na rampen. Van de Bijlmerramp, de vuurwerkramp in Enschede en de nieuwjaarsbrand in Volendam is veel geleerd. Gebaseerd op de ervaringen bij deze rampen is mede met inbreng van VWS de handleiding voor de inrichting van een informatie- adviescentrum tijdens en na een ramp tot stand gekomen. Dat de centrale overheid bereid is om te investeren in psychosociale zorg, blijkt onder andere uit de oprichting van uw stichting Impact en het centrum voor gezondheidsonderzoek na rampen (CGOR), financiering daarvan door de overheid en de ontwikkelingen bij de psychosociale hulpverlening bij ongevallen en rampen (PSHOR)."
Vindt u dat mensen ook zelf initiatieven moeten nemen voor de verwerking van een traumatische ervaring als een ramp. En zo ja welke?
Hoogervorst: “Ik ben ervan overtuigd dat de mens voor de verwerking van een traumatische ervaring uiteindelijk grotendeels op zichzelf is aangewezen. Uiteraard moet hulp van buitenaf, binnen grenzen, wel beschikbaar zijn. Maar uiteindelijk komt het toch op de mens zelf en zijn directe omgeving aan.”
Een goede communicatie tussen de overheid en de getroffenen tijdens en na een ramp of ernstige calamiteit is belangrijk voor een goede verwerking. Wat doet de overheid om dat te stimuleren?
Hoogervorst: “Ik ben het met u eens dat communicatie, juist tijdens en na een ramp of ernstige calamiteit, van zeer groot belang is. Het kabinet heeft dit ook onderkend. In het onlangs uitgebrachte beleidsplan crisisbeheersing 2004-2007 is om die reden communicatie één van de belangrijkste speerpunten. Er is onder andere voorzien in een op nationaal niveau ingericht expertisecentrum, dat voor alle overheden beschikbaar is.”
Sommige rampen in het buitenland - bijvoorbeeld de aardbeving in Marokko in februari van dit jaar - hebben duizenden getroffenen. In Nederland wonen veel mensen van buitenlandse afkomst die daarvan getraumatiseerd zijn geraakt. Vindt u dat er door de Nederlandse overheid een extra inspanning moet worden gedaan om deze mensen te helpen?
Hoogervorst: “In het verleden, bij de aardbeving in Turkije in 1999, heeft de Nederlandse overheid steun gegeven aan de Turkse gemeenschap in Nederland. Er is toen onder andere een meldpunt in het leven geroepen. Het is toen aan de Turkse gemeenschap zelf overgelaten een en ander te organiseren. Vanuit de overheid is beperkte financiering en inhoudelijke ondersteuning geboden. In dit geval is er geen zodanige vraag uit de Marokkaanse gemeenschap gekomen. Zoals ik al in mijn antwoord op uw derde vraag heb gemeld ben ik van mening dat het de primaire verantwoordelijkheid van burgers zelf is om hulp te zoeken. Als zo’n verzoek komt, zal binnen de mogelijkheden hulp geboden worden.”