Edamse soldaat Leon Jonkman gaat terug naar Irak ondanks ontsnapping aan dood
Edamse soldaat Leon Jonkman gaat terug naar Irak ondanks ontsnapping aan dood
Ze zijn er niet op oorlogspad in Irak, de Nederlandse militairen. „Het is een vredesmissie. Hoewel het tijdens dat ene moment wel even oorlog leek." Soldaat Leon Jonkman (20) zit inmiddels weer relaxed op de bank in Edam. Half augustus raakte hij gewond toen hij en zijn maten een aantal landgenoten hulp moesten bieden. Jonkman ontsnapte aan de dood, landgenoot Jeroen Severs niet. De Edammer wil als hij straks opgelapt is, weer terug. De vredesmissie in Ar Rumaytah voltooien. Terug in de film, waar hij zich in waande, maar die daar als realiteit voelde. „Ik realiseer me dat ik heel veel geluk heb gehad. Dat we zoveel op ons afgevuurd kregen, dat het een wonder is dat ik nog leef."
Het is een roeping. „Je weet, als je lid wordt van de `Luchtmobiele', dat je uitgezonden kunt worden. Dan ben je verplicht te gaan.',' Hij zat er al een aantal maanden, raakte gewend aan het ritme. „Je hebt steeds verschillende werktijden. Elke drie dagen krijg je een ander rooster, soms begin je 's avonds om tien uur. Temperaturen? Het is er. boven de vijftig graden. Onvoorstelbaar warm soms. Er is natuurlijk een andere luchtvochtigheidsgraad dan hier, maar je voelt het wel. En soms moet je dan zo'n twaalf uur op en neer rijden en patrouilleren op een klein stukje terrein. Door de hitte kan dat vermoeiend zijn. 's Nachts koelt het een beetje af. Als er iets aan de hand is? Dan treedt plan Alfa in werking. Dat hebben we, twee of drie keer gehad. De laatste tijd voor het incident kwam er al vaker dreiging. Dan komen er meldingen binnen vanuit de stad dat de basis misschien zal worden aangevallen. Dat komt dan puur van mensen van buiten, die in die stad oorlog willen voeren en aanslagen willen plegen. Dan trekken ze weer door. Het komt niet van de bevolking ter plekke, daar praten we mee, zwaaien we naar en we gaan ook naar scholen toe."
Infrastructuur
„Onze missie houdt tevens in dat we daar helpen de infrastructuur te veranderen. We hebben altijd een tolk bij ons in de auto. Wij luisteren naar de bevolking, schrijven het op en geven het door aan hoger hand. We leggen er wegen aan, elektriciteitspalen. Dat wist ik van tevoren. Wij komen daar voor hen. En zij geven ook weer, de signalen van eventuele dreiging door. Soms word je er uitgenodigd, maar we mogen geen water of thee aannemen, omdat de kans dan groot is dat je ziek wordt. Maar we krijgen in ieder geval iets mee van hoe men daar leeft. De mannen doen weinig, de vrouwen sjouwen. Ik heb heel veel kinderen gezien. Over het algemeen worden de mensen er niet zo oud."
„Armoede? Dat is er, in die zin dat het vies is en er geen vuilnisman elke donderdag het vuil komt ophalen. Nog niet alles is verwoest, maar je ziet onderweg wel de kapotgeschoten tanks staan. De mensen zijn er niet bang, ze zijn blij met de omstandigheden die ze hebben. En de bevolking is blij met wat wij doen." Jonkman had wel enkele verwachtingen toen hij afreisde. „Het beeld wat ik erbij had, dat klopte wel met toen we er kwamen. Ik had wel gedacht dat er iets zou kunnen gebeuren, maar in de eerste twee maanden gebeurde in de regio waar wij zaten niets. Dan heb je zoiets van: nou, er mag wel eens iets gebeuren. Maar ja, dit was weer het andere uiterste. De dagen zijn lang en vaak saai. Maar er is voor iedere soldaat vermaak in de vorm van activiteiten zoals sport, fitness, een kantine." Als hij refereert aan het incident, doet het hem denken aan de film ‘Black Hawk Down'. „Daar is het een beetje mee te vergelijken. Het leek net een film. We reden door de straten en werden onder vuur genomen. We moesten door de vuurlinie heen. Dat gebeurt in een flits, maar voor je gevoel duurt het uren. Uiteindelijk heeft alles bij elkaar vijftig minuten geduurd. Dat is behoorlijk lang. Ik dacht: shit. Dit is het einde. Er waren continue inslagen en wij waren met vier man: dat red je niet. Je bent gescheiden van de rest en hoort alleen maar klappen om je heen. Een andere jongen lag net als ik gewond achter de wagen. We keken elkaar aan en dachten allebei hetzelfde: we zijn er geweest. Het leek als in die film, Band' of Brothers."
Morfine
Jonkman en zijn kameraden werden echter opgepikt door een helikopter. „Ook toen zijn we nog onder vuur genomen door raketten. Ik heb daar weinig van gemerkt, omdat ik onder de morfine zat. Ik dacht alleen dat we af en toe naar beneden werden gehaald." Vervolgens moest hij het thuisfront inseinen. „Ik vertelde vanuit het ziekenhuis simpel wat er gebeurd was en hoe ik me voelde. Ik maakte het niet te zwaar, want je wilt je ouders niet tè ongerust maken. In je bed denk je dan wel na: had ik het anders kunnen doen?" Zijn moeder kijkt hem vragend aan: „Had je het dan anders gedaan?" Leon schudt het hoofd: „Nee, we wisten dat we helemaal afgesloten zouden raken van de rest." Inmiddels is hij bijna anderhalve maand verder. De wond op zijn arm is bijna hersteld. „Op de basis is er ook geestelijke hulp en hier kan ik dat ook krijgen. Vooralsnog heb ik er geen problemen mee, slaap ik goed en heb ik nog geen last van `de beelden'. Maar ik besef dat het er ook later uit kan komen. En als ik de behoefte voel, dan ga ik écht wel praten. Ze zitten ertussen die dat niet doen. Machocultuur? Tja, je hebt jezelf ermee als je het niet doet. Je komt alleen maar verder in de shit te zitten. De nazorg is goed; de keuze is aan mij om er gebruik van te maken." „Toen ik vlak na dat ongeluk gewond op de basis lag en ze soms de poort uitgingen
om mortieroefeningen te doen, schrok ik wel even van het geluid, dat me er aan herinnerde. Later werd ik steeds van tevoren gewaarschuwd, zodat ik wist dat het zou komen."
Onlangs, vrij snel na zijn thuiskomst, kreeg hij de Generaal op bezoek in Edam en vorige week was hem gevraagd op de koffie te gaan bij Minister Kamp. “Dat was wel bijzonder. Eerst de grote baas, meneer de Generaal op bezoek. En je zit niet elke dag bij de Minister aan tafel, die vraagt hoe het met je gaat. Hij wilde mij en de andere jongens die gewond raakten persoonlijk spreken. En vertelde dat hij trots op ons is. Dat we bereid waren om hulp te bieden aan de anderen, terwijl we wisten dat de situatie daar ernstig was. Dat doet je wel wat. Zo'n ontmoeting neem je voor de rest van je leven mee."
Ook de ontmoetingen met oud `stoters' (Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zaten en bij de stoottroepen opereerden) maakte onlangs indruk op hem. „Het was precies zestig jaar geleden en ik mocht mee met een oud-stoter uit Edam, meneer Kroesen. Je merkt aan hun verhalen dat zoiets nu nog leeft. Veel van die mannen hebben het eerst weggestopt en daarna komt het er dan uit. Maar het was destijds anders. Toen was het massaal, was het oorlog. Wij waren nu op vredesmissie. Hoewel dat ene moment meer op oorlog leek."
Prater
“Wat de meeste indruk op me heeft gemaakt? Het moment dat ik uit het vliegtuig stapte en m'n ouders en broer zag. En dat je vervolgens merkt dat er zoveel mensen zijn die aan je gedacht hebben." Ook moeder Lida vindt de belangstelling overweldigend. „Dat doet je goed. Op het vliegveld was Leon gewoon Leon. Even vrolijk als voorheen. Voor zijn terugkeer leefden we met veel vragen. Hij is niet zo'n prater en emotioneel en zei door de telefoon dat hij zich goed voelde, maar op het Journaal hoorden we dat ze ernstig gewond waren. Dan ga je 's nachts toch ongerust worden. In je onderbewustzijn heb je het er toch moeilijk mee. Ik droomde zelfs over hem en in die droom was hij de kleine Leon. Dan komen toch die moederlijke gevoelens los. We moesten afwachten, konden niet zomaar op bezoek in een ziekenhuis. Dat is een rare gewaarwording" Voor de `verontruste' ouders was er 25 september een voorlichtingsdag. Lida: „Wij werden met de ouders van de andere teruggekeerde jongens even apart genomen. En bijgepraat over wat er gebeurt en nog gaat gebeuren."
Want haar zoon gaat terug. „Hij is vastberaden", kijkt moeders naar zoon aan. „Wanneer hij achttien jaar zou zijn geweest, zou ik geprobeerd hebben hem om te praten. Maar volgende week wordt hij 21." Leon knikt: „Ik had al snel voor mezelf besloten dat ik terugwilde: Mijn hart ligt daar. Mijn kameraden zitten daar. Je voelt je hier niet belangrijk, doelloos. Ik wil de missie voltooien. Op 21 oktober moet ik nog naar het ziekenhuis voor een laatste controle en dan ga ik. De meeste mensen zeggen dat ik gek ben, dat ik terugga. Ik weet dat het kán gebeuren. Ik sprak wat oude militairen en die zeiden dat het nauwelijks voorkomt dat je twee keer iets overkomt. Maar ik besef inmiddels wel dat je zo het loodje kunt leggen. De laatste weken is er niet zoveel gebeurd. Ik zit er dan nog maar een maand, maar een maand daar is heel lang. Daarna gaan we nog een paar dagen naar Cyprus. Biertje drinken met z'n allen en praten. Voordat ieder zijn eigen weg gaat.” Als hij eind november terugkeert, is hij nog drie jaar verbonden aan de Luchtmobiele brigade. “Dan wil ik mijn opleiding als kok af gaan maken. Langer blijven in Irak is geen optie. Dat mag niet en zou niet goed zijn. De Amerikanen doen dat wel, sommigen zitten er drie jaar. Volgens mij kom je dan gestoord terug. De andere jongens? Die willen ook terug, maar één is nog te gewond om er naar toe te gaan.”
“Met de jongens die hetzelfde mee hebben gemaakt, heb je wel een band voor het leven. Je hebt natuurlijk wel iets heel bijzonders meegemaakt. Er zal straks na de definitieve terugkeer best wel af en toe een leegte zijn. Die momenten waren er de afgelopen weken al af en toe. Maar ik heb het geluk dat ik veel mensen om me heen heb.”