Betoog wethouder Nouwen inzake Dijkwijk
Betoog wethouder Nouwen inzake Dijkwijk
Voorzitter,
Er is natuurlijk in het voortraject van de inloopavonden, de inspraakreacties en de antwoorden daarop, de commissie-behandelingen, de zienswijzen en de concept-beantwoording een heleboel aan de orde geweest en ik ga dat niet allemaal herhalen.
Ik heb een algemene reactie voorbereid, waarin ook de meeste vanavond hier aangekaarte punten vervat zijn. Mocht ik iets vergeten dan zal het betreffende commissielid mij ongetwijfeld daaraan herinneren. Ik wil in mijn benadering vier zaken centraal stellen, namelijk het karakter van een globaal eindplan, de ontsluiting en verder de zorg- en welzijnsaspecten en de planologische aspecten rond met name het WoonZorgComplex.
Allereerst het globaal eindplan. Het valt mij op dat in de discussie heel veel zaken aan de orde komen, die eigenlijk thuishoren bij de nadere uitwerking van de deelplannen. Enigszins gechargeerd: het gaat hier niet om lantaarnpalen, precieze verkeersafwikkelingsmaatregelen of de exacte lokalisering en hoogtes van woongebouwen. Dit globaal eindplan stelt de kaders vast waarbinnen die uitwerking dient plaats te vinden. Ik begrijp best dat omwonenden en misschien ook sommige raadsleden nu al zekerheid willen hebben omtrent die uitwerking. Daartegenover zou ik willen stellen dat men dan - zeker als het raadsleden betreft - te weinig vertrouwen in eigen kunnen en invloed tentoonspreidt. Bij elke uitwerking zullen namelijk de commissies en de raadsleden betrokken zijn, zodat u dan bij mij of mijn opvolger of bij collega-wethouders aan de bel kunt trekken en zo nodig bijsturen. Om één voorbeeld te noemen, hij zit hier toch naast mij, als het doortrekken van de busverbinding naar het WoonZorgComplex aan de orde komt, kunt u uiteraard collega Smit hierop aanspreken. Maar het gaat te ver nu al de precieze gang van zaken dienaangaande hier te schetsen of vast te leggen. Dat is hier simpelweg niet aan de orde.
Ik kom daarbij meteen op de ontsluiting. In de concept-beantwoording heeft u de geactualiseerde cijfers inzake de verkeerscapaciteit aangetroffen. In eerdere instanties heb ik reeds aangegeven dat reeds bij de eerste behandeling van dit plan in de commissie - dat was nog voor de verkiezingen - juist vanuit de cie is aangedrongen op deze 2e secundaire ontsluiting aan de noordkant. Ik zeg met nadruk secundair. Dat wil zeggen dat er maatregelen zullen volgen om de verkeersdruk hier ook echt zo minimaal mogelijk te houden. Zelfs voor het WoonZorgComplex zal de meest gerede ontsluitingsroute langs de hoofdontsluiting gaan. Verder staat het buiten kijf dat in geval van calamiteiten op of nabij die hoofdontsluiting er een tweede mogelijkheid moet zijn. Zeker omdat het in de bedoeling ligt dat de eerste bouwfase aan die noordwest kant, oftewel om en nabij de 9e school zal aanvangen.
In de zienswijzen zijn veelvuldig suggesties gedaan om aan de kant van Volendam een secundaire ontsluiting te maken. Ik wijs er slechts op dat op de plankaart een dergelijke mogelijkheid al was aangegeven en dat het in het voornemen van het College ligt deze mogelijkheid nu ook in de tekst vast te leggen. Niet als vervanging van de ontsluiting aan de noordzijde maar als aanvulling, wanneer de bouwfasen tot daar reiken.
Ten aanzien van het door mevr. Groot aangeroerde punt van de gevreesde noordelijke ontsluiting richting de Zeevang, merk ik op dat in dit bestemmingsplan noch in de gemeentelijke structuurvisie, noch in de regiovisie deze ontsluiting opgenomen is. Uit ambtelijke contacten is collega Smit en mij inmiddels gebleken dat de verkeersafwikkeling vanuit de Dijkwijk en het Middengebied via de geplande ontsluitingen - Poschlaan en de Ruiterlaan - verzekerd is en dat bij realisering van de voorgenomen doorsteek langs de antennemast richting de kruising N244/247 een eventuele toekomstige noordelijke ontsluiting echt niet nodig is. Wij zullen dit verder via ambtelijke weg aan de orde stellen en bevorderen dat de open ruimte die daar ligt via een bestemmingswijziging een woonbestemming krijgt.
Dan kom ik op de aspecten qua Zorg en Welzijn. Eigenlijk natuurlijk het terrein van mijn buurman. Wij zijn echter ook in de Wonen-Welzijn-Zorg-pilot in eendrachtige samenwerking opgetrokken als het de relatie Wonen en Zorg betrof en dhr. Smit zal het mij niet euvel duiden als ik hierover wat zeg. Eventuele correcties dan wel aanvullingen van zijn kant zijn altijd mogelijk.
Zoals uit onze aanvraag voor die WWZ-pilot – die ons € 640.000 subsidie heeft opgeleverd - en de actienota Seniorenbeleid spreekt, zetten wij qua wonen in met een tweesporenbeleid. Het eerste spoor betreft de verspreid gelocaliseerde kleinere complexen voor seniorenhuisvesting. Dat kan zijn bestaande appartementen, zoals in de Saturnusstraat of de Roelof Bootstraat of in nieuw te bouwen complexen zoals de Noorderstraat of In de Meer. Dan hebben we te maken met de huidige eisen en eventuele benodigde aanpassingen qua nultreden, domotica 9waarschuwingssystemen e.d.) Daarnaast is er het tweede spoor van de twee grotere complexen, waarmee de betreffende zorginstellingen met hun AWBZ-aanvraag bij VWS, met een gunstig advies van de Provincie en het College van de Bouw voor Ziekenhuisvoorzieningen, reeds ver gevorderd zijn. Ik ga nu even voorbij aan de Nicolaashof/Gouwzee en concentreer me op het plan Keetzijde. De kern van dit concept is een zover mogelijk doorgevoerde extramuralisering. Of in gewone mensentaal: het zolang mogelijk verblijven in de eigen woonomgeving, ook als lichamelijke of geestelijke ongemakken zich voordoen. Ik denk dan ook even aan echtparen, waarvan één van de partners steeds meer hulp gaat behoeven. Alleen voor die situaties waarbij thuis wonen, c.q. verzorgen en verplegen echt niet meer kan, zijn er in dit plan ca. 55 zorg- en verpleegeenheden gepland. Daarnaast tussen de 150 en 200 - om in de oude terminologie te blijven - aanleunwoningen of appartementen.
Verder een activiteitencentrum en een wijksteunpunt, dat overigens ook een uitstraling kan hebben naar die kleinere complexen of gewoon naar andere woningen waar senioren verblijven.
Voor de niet AWBZ-betaalde voorzieningen vormen de huur- dan wel koopwoningen en -appartementen het draagvlak en dan is een zekere kritische "massa" qua huurders en kopers noodzakelijk. Ik noemde u reeds een getal en ik zal dus gezien de openingsmededeling van de heer Veerman ook in contact treden met de Zorgverlener en de mogelijke ontwikkelaars om te bezien of binnen de door dhr. Veerman genoemde kaders qua hoogte een sluitende opzet qua bouw en exploitatie nog mogelijk is. In het definitieve raadsvoorstel zult u daaromtrent duidelijkheid krijgen.
Gezien de enorme vergrijzing die ons te wachten staat - ik verwijs naar de bekende cijfers bijvoorbeeld uit het rapport Wonen met Zorg in Zaanstreek-Waterland - acht het College ook deze grotere complexen gewoon een must. En vrijwel zeker zal ook in de verdere toekomst in de Lange Weeren ook iets in die sfeer gecreëerd gaan worden, terwijl de locatie Meermin, die te klein is voor iets van die omvang, in onze nota staat ingetekend als 4e Zorgcirkel met wijksteunpunt, waarmee we dan vrijwel onze hele compacte gemeente kunnen bedienen. Een aanpak die ons in de provinciekwalificaties van de WWZ-pilot enkele malen als score "zeer goed" opleverde.
En dan kom ik op de planologische aspecten van het WoonZorgComplex. In de teksten heeft u reeds kunnen lezen dat allerlei locaties voor een dergelijk WoZoCo om allerlei redenen afvielen – o.a. verlies aan woningen voor starters en dat de benodigde ca. 3 ha. alleen hier langs de Keetzijde voorhanden waren. Allerlei bezwaren tegen deze locatie, zoals de afstand tot winkels, bereikbaarheid e.d. zijn destijds bij de informatie-avond voor raadsleden door de heer de Vries van de Zorgcirkel reeds uitvoerig weerlegd. Het valt mij trouwens op dat enerzijds de relatief geringe afstand tot winkels en de oude stad wordt genoemd, terwijl anderzijds als bezwaar zou gelden dat het te dicht bij die zelfde oude stad ligt.
Om binnen onze beperkte mogelijkheden toch te komen tot deze voorzieningen is intensief ruimtegebruik gewoon noodzakelijk. Of het nu bij dit plan of elders is, als we ervoor kiezen hier te wonen, te werken en ook te sterven dan zullen we wat moeten "inschikken". Uiteraard weloverwogen met een evenwichtige afweging van belangen. De nu gerealiseerde afstanden tot de omgeving en de voorgestelde hoogtes - zeker indien de voorgestelde aanpassing doorgevoerd wordt - voldoen volgens mij zeker aan die norm. Gevarieerde hoogtes en goed verspreide lokalisering geven een afwisselend beeld met voldoende doorzicht. Een doorzicht dat juist bij lagere bouw door het veel groter ruimtebeslag in de breedte verloren gaat. De in de toelichting vermelde geleidelijke opbouw qua hoogte, gezien vanuit de omliggende woonbebouwing, is in dit opzicht ook van belang. In het licht van de voorgestelde wijziging qua bouwhoogte moet ik daarbij wel laten bekijken in hoeverre dat aan alle zijden gehandhaafd kan worden, om tegelijk ook de gewenste afwisseling te kunnen realiseren.
Van belang is ook dat het geplande park in essentie behouden blijft. De 61-meter operatie heeft reeds een opschuiving van 20 meter betekend en verder moeten we echt niet gaan in de visie van het College.
Het park vormt op zich een fraaie voorziening die een grote groene bijdrage levert aan deze wijk en die voor haar bewoners en die van andere wijken de leefbaarheid op een hoger plan brengt. Bovendien vormt deze zône - in navolging van die langs het Middengebied - de gewenste compensatie in het kader van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur, een gegeven dat getuige de recente publicaties in de pers nog steeds van belang is en in de procedure in het kader van de WRO een grote rol kan spelen..
En dan kom ik aan het eind van mijn verhaal voorzitter. Ik weet dat wij bouwen in een gemeente met een dorpskern die we willen behouden en een stadskern die zelfs Beschermd Stadsgezicht is. Maar we worden in het Streekplan en tal van andere publicaties ook bestempeld als verstedelijkt gebied. In zowel de nota's van voormalig minister Pronk (toch een onverdachte “groene” bron) als minister Dekkers worden Purmerend, de Purmer en Edam-Volendam ook BUITEN het beoogde Nationaal Landschap Laag-Holland gehouden. En het beschermd stadsgezicht eindigt bij de Kettingbrug. Het gaat het College dan ook duidelijk te ver om in een dynamische gemeente als de onze de werkingssfeer van die bescherming aan alle zijden veel verder uit te breiden. Tussen de Dijkwijk en oud-Edam liggen reeds decennia lang de nieuwbouwwijken van Edam. Daarom achten wij een omgevingsclaim vanuit het Beschermd Stadsgezicht niet reëel gezien de woonbehoefte van jong en oud. Het is te begrijpen dat men, als men woont of komt wonen in oud-Edam, die sfeer van oude cultuurhistorie en een zekere nostalgie zeer gewaardeerd wordt. Daar is ook niets mis mee integendeel. Maar het kan niet betekenen dat ook in de verdere omgeving alles "op slot" moet. Dat betekent namelijk op den duur dat alleen de happy few van rijke mensen het genot van het wonen in die omgeving nog kan smaken en dat vooral minder draagkrachtigen hun heil elders moeten zoeken, bijvoorbeeld in Almere. Dat vindt dit College en hopelijk ook deze raad niet aanvaardbaar en als u het daar mee eens bent, verzoek ik u aan de raad te adviseren dit plan, met in acht name van eventuele aanpassingen in verband met het hier vanavond besprokene goed te keuren.