‘Volendammerij’ om toeristen te paaien
‘Volendammerij’ om toeristen te paaien
Over de geschiedenis van het land ten noorden van het IJ zijn vele verhalen te vertellen. Die verhalen gaan over het land zelf, de mensen die er woonden, het werk dat ze deden, de problemen die ze op hun pad vonden en hoe ze die trachtten te overwinnen. John Dehé heeft gekozen voor een bijzondere invalshoek: die van de thematische filatelie. In een twintigtal afleveringen belicht hij verschillende facetten van het Waterlands verleden aan de hand van postzegels, brieven, kaarten en foto's.
Toerisme is voor verschillende Waterlandse steden en dorpen een dankbare, soms een onmisbare bron van inkomsten. We zijn misschien geneigd te denken dat het verlangen om verre streken te bezoeken iets van deze tijd is, maar uit oude reisverslagen en archiefstukken wordt duidelijk dat het land boven het IJ al in de zeventiende en achttiende eeuw door veel buitenlandse reizigers bezocht werd. Zij zetten hun ervaringen op papier: in de vorm van een reisgids, een dagboek, of brieven aan een vriend. Vooral Britse toeristen wisten vroeger ons land te vinden en verbaasden zich over dat natte land, onder het niveau van de zeespiegel, slechts beschermd door wat kwetsbare dijken. Ze zagen prima weilanden, gevuld met goede paarden, koeien en schapen. De mensen waren wat ongemanierd, maar netjes, knap (vooral de vrouwen) en erg ijverig. Het openbaar vervoer was hier prima, in de herbergen was de bediening over het algemeen matig en de aangeboden waar zijn prijs niet waard.
In de twintigste eeuw kwam het massatoerisme langzaam op gang en profileerde Nederland zich naar buiten toe steeds meer als een land van kaas, klompen, tulpen en idyllische grachten. Ook de windmolen kreeg een belangrijke plaats in de campagnes. Plaatslijke VVV's zorgden voor lokale promotie, de ANVV (Algemene Nederlandse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer, 1916) werd de overkoepelende organisatie. Ook postzegels en postwaardestukken werden ontdekt als middelen om ons nationale gezicht te tonen.
Brochure
'Holland is Waterland en Waterland is Holland op zijn best', luidde de tekst van een brochure waarmee in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw de toeristen gelokt werden.
'Het landschap boven het Ij is het zuivere Hollandse gebied, waar de wind vrij spel heeft, waar de regenvlagen in herfst en winter kunnen neerkletsen, onbelemmerd uit een wijde hemel en waar de bomen zich dan buigen onder de aanstormende zuidwester. Maar in de lente en zomer kan het hier een tweede Arcadia zijn, waar het goed toeven is temidden van de zachtgroene grastapijten, afgewisseld met de donkere motieven van de akkers, onder dichte bladerdaken van de
majestueuze bomen.'
Ten noorden van het IJ werden vooral de kaasmarkten van Alkmaar (later ook Edam) en 'nostalgische' dorpjes als Edam, Volendam en Marken ('het drijvend droomdorp') onder hun aandacht gebracht. Door de groeiende belangstelling van binnen- en buitenlandse bezoekers groeide bij de plaatselijke bewoners het gevoel dat zij bijzonder waren en vaak werd dat bijzondere karakter, vaak speciaal voor de toeristen, versterkt en levend gehouden. Denk aan Volendam, denk aan Marken. Marken had voor veel toeristen het imago van een wat bizar en exotisch oord en veel eilandbewoners hebben er alles aan gedaan om dat beeld levend te houden. De schaduwkanten van het massatoerisme (geldzucht, verstoring van de zondagsrust) werden daarbij door de meesten voor lief genomen.
Anderen maakten zich zorgen over de verderfelijke invloed die uitging van al die hordes toeristen. Engelse toeristen strooiden in Volendam met centen, waarop de plaatselijke jeugd, meppend met originele klompen, elkaar te lijf ging om die te bemachtigen. Als er niet met geld gesmeten werd, begon te jeugd te bedelen. Niet iedereen was blij met de nadruk die organisaties als de ANWB legden op het 'typische Hollandse' van de Zuiderzeestadjes. 'Volendammerij' werd het genoemd, een verwerpelijke nadruk op al die oude glorie. Nederland was een modern land aan het worden, waar vissers in klederdracht en klompendansen in feite een randverschijnsel waren.
Buitenlandse toeristen kregen op die manier een zwaar vertekend beeld van ons land.
Dit 'antiquarische beeld' van Holland deed het in de reisgidsen overigens prima en trok veel Amerikaanse toeristen naar ons land, die ongetwijfeld met een vertekend beeld teruggereisd zijn. Misschien moet die laatste zin in de tegenwoordige tijd omgezet worden, want nog steeds doen de dagtrips naar Volendam en Marken het prima bij de toeristen, die aansluitend bij de Schermer molens en de Zaanse Schans nog meer Hollands Glorie kunnen zien. Het is goed dat in zulke openluchtmusea het verleden levend gehouden wordt en het is ook hard nodig, want ondanks een toegenomen historisch bewustzijn is ons erfgoed niet onbedreigd.
Karakter
Hierboven kwam al ter sprake dat ook postzegels een mooi middel zijn om de vaderlandse identiteit naar buiten te brengen en het zal duidelijk zijn dat daar ook zegels van klederdrachten, tulpen en klompen bijhoren. In een thematische collectie Waterland-Zaanstreek kan een plaats voor het toerisme ingeruimd worden. Hoe je er ook over denkt: die molens, Marken, Volendam en de Zaanse Schans maken deel uit van het karakter van dit gebied. Natuurlijk geldt dat ook voor een mooi dorpje als De Rijp en voor het Beemster erfgoed, en nog niet zo lang geleden behoorde ook de Purmerender veemarkt tot de toeristische attracties. In de jaren vijftig van de vorige eeuw kon deze tekst nog: 'Vooral op dinsdag is Purmerend een bezoek waard. De biggen, koeien, paarden, schapen, kippen, eenden, warmotjes en wat niet al zijn dan in hun mooiste kledij, klaar ter ontvangst. En de boeren staan gereed om naar aloud gebruik met handgeklap hun beesten te verhandelen.'
Speciaal voor de toeristen, voorgoed verleden tijd.