Waar bleef marco Conijn
Waar bleef marco Conijn
Marco Conijn (39) wilde in zijn jeugd brugwachter worden, maar er was nog iets wat zijn interesse had, namelijk het priesterschap. Op zijn 20e vond het hij priesterschap nog een te groot offer om te kiezen voor een leven ‘alleen’, zonder gezin. Vier jaar later was hij er wel aan toe. Het rijke roomse leven bestaat al lang niet meer en toen de geboren Edammer in oktober 1996 gewijd werd tot priester van het bisdom Groningen, kon hij direct als 31-jarige pastoor van Musselkanaal en omgeving aan het werk. Op dit moment is Marco Conijn werkzaam in vijf Groningse parochies.
“Mijn wieg stond aan de Noorderstraat in Edam, waar ik op 16 maart 1965 het levenslicht zag. Ik ben de oudste zoon van Henk Conijn en Fran Huisink en na mij werden nog twee zussen geboren: Helen en Betty. Aan de Noorderstraat heb ik altijd met veel plezier gewoond. Een heerlijke rustige buurt, heel kinderrijk. Ik bezocht niet de dichtstbijzijnde school (aan de overkant). Het was vanzelfsprekend dat, geboren in een katholiek gezin, ik de Sint Agnesschool zou gaan bezoeken. Mijn vader werkte samen met familieleden bij bloemenbedrijf Huisink (tegenwoordig Sas en bloemengrossierderij Six Huisink). Het was hard werken voor de familie. Soms mocht ik meehelpen. Maar als er geen werk was, dan gingen we wel spelen in en om de plantenkassen, gelegen tussen de Graaf Willemstraat en de Lingerzijde. Een uitgestrekt terrein, waar het voor kinderen goed toeven was.
Betty, mijn jongste zus, is op 29 december 1976 overleden. Voor het gezin, met name voor mijn ouders een dramatisch gebeuren. Mijn ouders maakten de afweging om te gaan verhuizen naar Drenthe en kwamen te wonen in Schoonloo. In die omgeving gingen we als gezin altijd al met vakantie en het leek ook mij wel wat. Verhuizen is echter iets anders dan vakantie vieren, en eenmaal verhuisd, heb ik Edam en de familie bijzonder gemist. Nog vaak bezocht ik in die jaren Edam. In de zomer hielp ik de brugwachter. En het stond voor mij als kind vast, ook ik wilde brugwachter worden. En mocht dat niet haalbaar zijn, dan treinmachinist. Maar het zou allemaal anders lopen. Er was namelijk nog iets dat mijn interesse had. Een niet voor de hand liggende keuze, namelijk het priesterschap.
Aan ‘de kerk’ heb ik nooit een hekel gehad. Ik mocht er graag naar toe gaan. En zeker nadat mijn zusje Betty was gestorven dacht ik veel na over zingevingvragen. Ik heb Betty gemist, maar had als kind al de diepe overtuiging dat haar leven verder ging bij God. Zij was gelukkig. Bovendien, ze was een engel en zou vanuit de hemel ons en mij altijd volgen. Die diepe overtuiging heb ik nog steeds. Haar sterven heeft me meer bij God gebracht. Toch vond ik het moeilijk om echt tot een keuze voor het priesterschap te komen. Als jongen van ongeveer 20 jaar vond ik het priesterschap en de keuze voor het celibaat een te groot offer. Geen gezin en een leven alleen. Het leek me te moeilijk. Op mijn 24-ste levensjaar was ik er wel aan toe. Ik besloot toch te kiezen voor Gods kerk en ging naar het seminarie. Een geweldige keuze en een geweldige studietijd brak aan. In oktober 1996 ben ik tot priester van het bisdom Groningen gewijd en werd aangesteld als pastoor van Musselkanaal en omgeving. Thans ben ik werkzaam in vijf parochies. Het is een drukke, maar heerlijke job. Ik heb nog altijd het idee dat niemand mooier en afwisselender werk heeft dan ik. Het geeft voldoening als je voor mensen van betekenis mag zijn als ze om wat voor reden ook in de knel zitten. Kortom: ik ben dus een gelukkig mens en daar ben ik God dankbaar voor.
Tegenwoordig kom ik nog regelmatig in Edam. Behalve ons gezin woont de hele familie daar. Helaas is er toch weinig contact met vooral de neven en nichten. Dat mis ik wel. Maar als we elkaar dan weer even zien, dan geniet ik daar van. Ook mocht ik tot op heden één keer per jaar voorgaan in de katholieke parochiekerk van Edam. Maar dat is iedere keer weer erg schrikken. In mijn tijd was de kerk iedere zondag nog drie keer goed gevuld, nu kun je er een kanon afschieten. Dat is jammer en het maakt me ook verdrietig. Niet dat ik het mensen kwalijk nemen dat ze (niet meer) in de kerk komen. Dat is een eigen keuze die ik respecteer. Maar ik heb wel de overtuiging dat mensen niet zonder God en zijn kerk gelukkig kunnen zijn. God heeft mensen wat te zeggen, ook in deze tijd. Hij geeft antwoorden op zoveel zingevingvragen en heeft ieder mens zo bijzonder lief. Je mag je als mens gelukkig prijzen als je beseft dat Hij je koestert, dag in, dag uit.
Gelukkig is de kerkbetrokkenheid in Musselkanaal groot te noemen, ook van jonge mensen. Maar daar moet je natuurlijk wat voor doen. Je moet als pastoor jonge mensen en zelfs kinderen inschakelen en verantwoordelijkheid durven geven. Tijdens vieringen in onze kerk is de inbreng van kinderen groot. Zij houden de kerk jong. En nog belangrijker: kinderen in een kerk kunnen zich met hen identificeren. En je moet vooral ook een stuk blijheid uitstralen. Katholieken hebben een blij geloof. En dat proberen we thuis uit te stralen.
De herinneringen aan Edam zijn goed. Als ik Edam nader kom ik (even) thuis. Anderzijds hoef ik niet meer terug. Ik voel me een echte noorderling. In het Groningse geniet ik elke dag van de omgeving, de mensen, de rust en de ruimte. Heerlijk! Bovendien is het fijn dat mijn ouders tegenwoordig dicht in de buurt wonen. Maar het is waar, Edam blijft een bijzondere plek in mijn herinnering, mijn leven en mijn hart houden.”