Waar bleef Stef Visjager
Waar bleef Stef Visjager
Stef Visjager (1968) maakt radiodocumentaires voor de publieke omroep. Ze begon haar loopbaan als dertienjarige bij de LOVE (bibliotheeknieuws) en werkt nu in het collectief Radiomakers Desmet, aan de Plantage Middenlaan te Amsterdam.
“Mijn ouders verruilden een donkere kamer in een donkere Amsterdamse steeg voor het zonnige Edam toen ik zes weken oud was. Eerst een tuinhuis aan de Versteeghsingel, in afwachting van het gereedkomen van het huis in de Grote Kerkstraat. Vlak voor mijn 18e verjaardag verliet ik Edam voor een nog veel donkerder kamer dan die waar ik geboren was. vijfhoogachter, maar wél de grote stad.
Bij vlagen vraag ik me af wat me bezield heeft. “Waar is het nou mooier dan in Edam, waarom heb ik dit paradijs vrijwillig verlaten?” denk ik als ik gaar uit een klamme Amsterdamse 114 stap. Zodra de busdeuren dichtsissen en de wolk van stadse uitlaatgassen optrekt, word ik blij: groene bermen langs de vesting, fluitenkruid langs het Lokkemientje, de bloemenzee op de Proeve, de serene rust van de Grote Kerk.
Een paar jaar geleden maakten Ronald van de Boogaard en ik voor de VPRO radio een serie over pleinen. Op zoek naar de aantrekkingskracht van het plein. Wat maakt pleinen zo mooi en waar ligt het mooiste plein ter wereld? Eén aflevering was gewijd aan ‘de pleinen van onze jeugd’. In mijn geval het Damplein van Edam, in zijn geval de Grote Markt in Haarlem. Ter voorbereiding dook ik in ‘onze’ stadsgeschiedenis. Natuurlijk wist ik dat Edam belangrijk was als handelsstad, maar de grootmacht die ik toen ontdekte! Fier alsof ik Edam eigenhandig gebouwd had, sleurde ik hem van stadhuis (“hier ben ik getrouwd”), naar Damhotel (Songfestival gewonnen met gedichtje van Annie M.G Schmidt), naar museum (drijvende kelder, behoeft geen toelichting).
En Ronald begreep mijn liefde voor Edam, voor dit plein. Voelde feilloos aan dat zijn Grote Markt nergens bleef bij al dit schoons. Niet dat hij het eens was met mijn constatering dat het Damplein Edam het Piazza San Marco -dat we ook voor deze reeks bezochten- vér achter zich liet, maar dat heb ik hem inmiddels vergeven.
Vorig jaar stonden we op het punt om naar Edam te verhuizen. Ik wil mijn kinderen heel graag kinderjaren geven zoals ik heb gekend: hooibergen, weilanden, prutslootjes, zeilen met mijn optimistje, blikkie trap op straat. Maar toch, toen een heel mooi huis nabij was, ging ik aarzelen: file in plaats van fiets naar werk; vrienden in Amsterdam; kinderen van school laten veranderen; niet meer de bioscoop, theater en cafés om de hoek; En dus wonen we in Amsterdam en dus heb ik voor straf nu kinderen die bang zijn voor een grasspriet. Uitermate stads.
Aangezien mijn ouders nog altijd in Edam wonen, kom ik er vaak. Zomers genieten we als stadse gasten van de tuin van mijn ouders, van de boot, van het IJsselmeer, van het weidse uitzicht van kerk naar Warder. Dan struin ik met mijn kinderen over het weggetje naar Siem de Boer, en wijs bij de nieuwbouw langs de Noordervesting:” Kijk daar was mama’s school”. Ik kuier een rondje over de Voorhaven, maak eens een praatje met een oude klasgenoot, hoor hoe heerlijk zij het hebben in Edam en dat ze de grote stad nooit missen en dat die file echt wel meevalt. En dan som ik stoer op hoe fijn en flitsend het leven in de grote stad is.”
“Kortom: het is wel uit tussen mij en Edam, maar nog lang niet over.”