Goddelijke symfonie
Goddelijke symfonie
Inmiddels weer helemaal gezond verklaard, zijn we afgereisd naar ons lievelingsstekkie. De plek waar stress een onbekend verschijnsel is. Op ons landje in Polen zijn de geluiden van het dagelijkse leven nagenoeg afwezig. Dat is niet helemaal waar. Het zijn vooral de door mensen voortgebrachte geluiden die we daar maar zelden horen. Soms toekt er in de verte een tractor, want er liggen her en der verspreid nog in gebruik zijnde akkertjes, voornamelijk bebouwd met koren en omzoomd door klaprozen en korenbloemen. Veel van die akkers zijn verlaten. De natuur heeft ze in bezit genomen en strooit er achteloos met dennetjes, jonge berken en bloemen die bij arme grond horen. Een paar keer per dag zien we op het zandpad in de verte een auto uit, of op weg naar het dichtstbijzijnde dorpje met de schone naam ‘Lipnica’, een gehucht in het bos met wat huizen en boerderijtjes.
In de weekenden kan het wat drukker zijn. Er zijn meer mensen zoals wij die hier een stukje land hebben. Vanzelfsprekend is ook tijdens de zomervakantie menselijk geluid wat meer aanwezig. Opvallend is dan altijd het geluid in de verte van kinderen die plezier hebben of verdrietig zijn en ons daar deelgenoot van maken. Op zaterdagmorgen is het vaak het geluid van de motormaaiers (elektriciteit hebben we niet) waarmee het gras en onkruid op de terreintjes wordt kort gehouden. Ons landje ziet er groen uit. Op het deel dat tegen het meer aan ligt, groeit er overwegend gras. Op het hogere deel waar de meeste van onze activiteiten zich afspelen, groeit er voornamelijk onkruid. We koesteren dat, omdat het ons vaak verrassingen bezorgt. Zoals nu. Er liggen een aantal wollige blauwgrijze eilandjes in ons ‘groen’. Het zijn de plekken waar een klein soort vergeetmijnietje in dichte bossen bloeit. Wat later zal de weelderig groeiende wilde tijm goudgeel bloeien. Onze buren hebben al vaak voorgesteld om dat deel van ons terrein om te laten ploegen en opnieuw met gras in te zaaien. We weigeren dat beleefd. We zijn dik tevreden met wat de natuur hier voor ons heeft uitgespreid. We proberen ze bevriend te houden door het terrein te laten maaien vóórdat het onkruid zaad verspreidt.
Ons onkruidgazon is ook een geliefde plek voor de vele vogels hier. De hele dag zijn er kwetterende kwikstaartjes, groenlingen en geelgorzen om ons heen. De vogel die we echter het meeste op prijs stellen, zien we maar zelden, al is hij heel vaak te horen. De schuwe wielewaal horen we vooral in de ochtend en in de avond. Zijn kenmerkende roep ‘djudeljoho’ klinkt melodieus alsof iemand achteloos wat tonen op een altfluit ten beste geeft. Zijn aanwezigheid is voor ons van groot belang. We hebben hem gekozen als totemdier van ons landje. Ieder jaar horen we hem voor het eerst in het begin van mei. Daarna melden we elkaar iedere dag weer in blijdschap dat we hem vroeg in de morgen hebben gehoord. Hij luidt onze dag in en is de stem van de vrijheid die we daar ervaren. De wielewaal is echter maar één van de muzikanten in de symfonie van vogelzang. Beneden in het riet langs het meer zitten verrukkelijk zingende rietzangers. Hoog boven ons hoofd fladdert de leeuwerik en ook al wordt de kwaliteit van zijn zang nogal eens overdreven, we zouden hem niet graag missen. Merels en rietzangers vormen ongetwijfeld de strijkers van het orkest. De cellist daarin wordt vertegenwoordigd door de hop. Alweer zo’n schuwe vogel die we nog maar zelden hebben gezien, maar wiens ritmische ´hoep-hoep-hoep´ altijd aanwezig is. Er is ook een tuba. Zijn diepe stem horen we regelmatig. De voortbrenger van dat geluid hebben we echter nog nooit gezien. De roerdomp is een schuwe vogel die zich in het riet uitstekend weet te camoufleren. Met zijn luide ´oemp´ laat hij weten dat hij er wel is. Laten we ook de kramsvogel niet vergeten die regelmatig zijn heldere ‘kwietsoe’ laat horen en in Polen zijn naam dankt aan het geluid dat hij voortbrengt. Een enkele keer horen we het geklepper van de ooievaar. Het is de drummer van het orkest. Het is nog veel mooier om hem over te zien vliegen. Dat doet hij regelmatig. Gedragen door zijn krachtige maar langzame vleugelslag vliegt hij speurend rond op zoek naar prooi. De bosrand waar de koekkoek huist, lijkt diens geluid te versterken. De kraaiende haan en een blaffende hond in de verte laten ons weten dat de door mensen bewoonde wereld in de verte er nog steeds is.
In het voorjaar en in de vroege zomer is ons orkest op zijn actiefst. Naast de door de vogelzang vrolijke ochtenden, zijn we ook gesteld op de avonden. De vroege avond als de merels het best bij stem lijken te zijn en de late avonden als de nachtegaal zijn naam waarmaakt en met adembenemende vibraties het geluid van de zoemende krekels overstemt.
Het is geen overdrijving om het geluid van dat orkest “Gods symfonie” te noemen. Ik ken geen mooier geluid. Met een beetje zon er bij en in de buitenlucht gezeten, kan ik me niets voorstellen dat mijn geluk bestendig zou kunnen vermeerderen. Het is een paradijs.
U bent allemaal uitgenodigd om het zelf te kunnen ervaren. U bent echter alleen welkom als u doodstil blijft. Anders moet ik net als de schuwe wielewaal en de nog schuwere roerdomp een andere plek zoeken waar ik God kan horen, zien en prijzen en niet word afgeleid.
Peter Louter