Ontstaan en historie van de kermis (deel 3)

Ontstaan en historie van de kermis (deel 3)
In het museumjaarboek 2005 heeft de werkgroep ‘documentatie van het Volendams Museum’ zeer uitgebeid een unieke historische bijdrage geleverd aan het ontstaan en de geschiedenis van de kermis in het algemeen en uitgebreid over het ontstaan en de geschiedenis van de Volendammer kermis. De meer dan vele positieve en enthousiaste reacties kwamen bij het bestuur, beheerster en museummedewerkers binnen en dat is zeker een stimulans om op de ingeslagen weg voort te gaan. Voor de ingeschreven afnemers van het museumjaarboek 2005 en premiefoto die nog niets hebben ontvangen en nieuwe afnemers kunnen het museumjaarboek 2005 met foto in bezit krijgen via het afhalen vanuit het Volendams Museum of een tip aan de museumbestuurders Wim Keizer Tel. 365186 en Kees Tol tel. 364769. Het jaarboek met foto wordt dan z.s.m. bezorgd. De kosten bedragen slechts € 5,- voor het 70 pagina’s tellende historisch boekwerk met 70 foto’s over Volendam. Begunstigers betalen € 12,- of meer. Zij kunnen het hele jaar door alle exposities in het Volendams Museum gratis bezoeken.
Van kerkmis tot kermis
Het woord ‘kermis’ komt van de ‘kerkmis’ die rond het jaar 1000 het hoogtepunt vormde van de jaarlijkse, plechtige herdenking van het inwijdingsfeest van een nieuwe kerk of viering van de naamdag der beschermheilige. Deze misviering was alleen de aanleiding tot het ontstaan van de kermis, want de kermis zelf is meer verbonden met de (vaak rond de kerkmis gehouden) jaarmarkt en de daaraan gekoppelde vermakelijkheden. Door de Hervorming (16 de eeuw) kwam behalve in het katholieke zuiden een einde aan de binding van de kermisviering met het kerkelijk gebeuren, maar de jaarmarkten en het daarmee gepaard gaande feestvermaak bleven gehandhaafd. Zo kent Den Bosch tot op vandaag zijn Sint Jansmarkt en Gulpen zijn Sint Hubertusmarkt. Tussen de marskramers en stalhouders hielden zich daar al vanaf de 10de eeuw allerlei figuren op zoals kwakzalvers, potsenmakers, jongleurs, goochelaars, acrobaten en toneelspelers. Graaf Floris van Holland verleende in 1288 al het recht op het houden van een tiendaagse jaarmarkt aan Medemblik en Monnickendam. De lappendag zoals die traditioneel in Hoorn en naar het voorbeeld daarvan ook in Volendam ter afsluiting van de kermis wordt gehouden is nog een overblijfsel van de vroegere jaarmarkten. In de 12de en 13de eeuw werden de kermissen belangrijker maar voor de 16de eeuw bestonden ze behalve uit drinkende en dansende mensen uit niet veel meer dan enkele kraampjes en venters, een acrobaat en een gammel toneeltje.
Kermis duurde soms 3 weken
Pas na de Hervorming begonnen de kermisvermakelijkheden steeds meer toe te nemen zodat de kermis in de 16de eeuw uitgroeide tot het grootste feest van het jaar dat soms wel drie weken kon duren. Er was vrijhandel in de stad en mensen die iets op hun kerfstok hadden kregen een vrijgeleide. Naarmate de marktfunctie van de kermis meer naar de achtergrond verdween ging het vermaakaspect een steeds grotere rol spelen. Vanaf 1700 vierden bepaalde beroepsgroepen hun eigen kermisdagen en zo rond 1841 gingen veel mensen er zelfs voor sparen terwijl sommigen een kermisfooi kregen van hun patroon. De kermis was een uitstekende gelegenheid om aanzoeken te krijgen of te doen. De koekkramen speelden daarbij een belangrijke rol. De kermiskoek die een jongen kocht voor het meisje van zijn keuze had eigenlijk de functie van een liefdesbrief. Volgens gebruik bedankte het meisje er niet voor en at ze er ook niet van. Op enkele zondagen na de kermis ging de jongen bij het meisje thuis op de koffie die dan afhankelijk van de reactie van het meisje met of zonder koek werd opgediend.
Behendigheidsspelen waren kermisattracties
Tot de kermisattracties behoorden van oudsher door het volk zelf georganiseerde activiteiten zoals processies, optochten van de schutterij en behendigheidsspelen. Bij deze laatste spelen ging het er vroeger niet altijd even diervriendelijk aan toe. Zo werd bij het populaire ganstrekken een gans aan zijn poten opgehangen aan een touw dat over een weg of sloot was gespannen. De deelnemers moesten te paard, in een kar of in een bootje maar ook wel te voet of op schaatsen onder het touw door en proberen de met zeep of ver ingesmeerde kop van de gans af te trekken. Soms werden er zo wel tot zes ganzen afgemaakt. Wie won kreeg de dode gans als prijs en soms nog een zilveren lepel.
Katknuppelen en palingtrekken waren wrede spelen
Wreed was ook het katknuppelen waarbij de deelnemers houten knuppels tegen een opgehangen ton gooiden om te proberen de daarin opgesloten kat (later vaak vervangen door een hout- of turfblok) te "bevrijden". Bekend is ook het aan de Amsterdamse Lindengracht lang populaire palingtrekken waarbij de deelnemers vanuit een bootje een aan een dwars over het water gespannen touw bevestigde paling moesten zien los te trekken.
Palingtrekken en katknuppelen werden ook beoefend in Volendam totdat deze vormen van volksvermaak daar in het kroningsjaar van koningin Wilhelmina 1898 werden verboden. Op sommige plaatsen ging het er wel erg ruw aan toe zoals op de kermissen in Gooi- en Eemland waar vanaf 1600 tot lang daarna de messen nogal eens uitgingen waarbij menigeen een haal over de wang opliep. Onschuldiger waren behendigheidsspelen zoals ringsteken, mastklimmen en koekhakken. In de koekhakkraam moest een langwerpig en plat stuk taai met een klein bijltje in drie slagen worden doorgehakt om het te mogen verorberen. Naar het voorbeeld van de vroegere behendigheidsspelen begonnen de spullenbazen met actiespelen waarbij de jongelui met de nodige bravoure hun kracht en behendigheid konden tonen.
Kop van moordenaar Jut werd kermisattractie
Hieruit ontstonden het gewichtheffen, ballengooien, ringwerpen, prijsschieten, de boksbal en de kop van Jut, die werd bedacht naar aanleiding van de in 1872 gepleegde roofmoord op een dame en haar dienstmeid die in 1875 werd bekend door Hendrik Jut. Het publiek kon op de kermisattractie zijn afschuw kwijt op de ‘kop van Jut’, die na tot levenslang te zijn veroordeeld in 1878 overleed in de gevangenis van Leeuwarden. Later kwamen er kleinere behendigheidspelletjes waarbij prijzen kunnen worden gepakt zoals het vissenspel of dat met een mechanische grijper. Na de periode van handelaars, dobbelaars en rijfelaars met hun loterijen, kwakzalvers, acrobaten, potsenmakers, muzikanten, toneelspelers en bedelaars vertoonde zich op de kermis een bont gezelschap van goochelaars, buiksprekers, koorddansers, degenslikkers, vuurvreters, boeienkoningen en waarzeggers.
Trijntje Kever uit Edam werd 2,55m. lang en was een kermiskijkspel van 1621 tot 1633
Het kermistheater begon een grotere rol te spelen toen in de 17de en 18de eeuw rondreizende Engelse en Franse beroepsspelers de kermissen afgingen om vooral kluchten te brengen. In hun gezelschap namen ze vaak mensen mee van buitengewoon postuur, van lilliputters tot reuzen, waaruit zich spoedig het zogenaamde rariteitenkabinet ontwikkelde. In een rariteitenkabinet konden mensen zich behalve aan nieuwe uitvindingen vergapen aan al dan niet ‘echte’ uitzonderlijke mensen als de dikke dame, een vrouw met een baard of drie benen, een tijgervrouw, het doorgezaagde weesmeisje, de sterkste man ter wereld en ook vreemde dieren als een konijn met drie koppen of een kalf met vijf poten. Bekend is dat de ouders van het uitzonderlijk lange Edamse meisje Trijntje Kever van 1621 tot 1633 de kermissen afreisden van de naaste omgeving tot in Den Haag toe. Nadat zij daar met haar 2 meter lengte in 1625 op haar negende al veel bekijks had getrokken stierf zij op 17-jarige leeftijd bij een lengte van 2 meter 55.
Na 1800 circussen en acrobaten kermisattracties.
Rond 1815 namen de circussen de acrobaten en uitzonderlijke mensen op in hun voorstellingen terwijl ze ook nummers met een dansende beer en de paardenspelen (Circus Blanus) overnamen waaruit zich de dressuur ontwikkelde. Een ander kijkspel was de paradetent die was voorzien van een voorbalkon waar een orkest zat te spelen en waar onder luide aanbevelingen (“Komt dat zien, komt dat zien!”) artiesten zoals acrobaten en variétéartiesten als de sterkste man, een vuurspuwer, een degenslikker, boeienkoning of fakir aan het publiek werden gepresenteerd. Omstreeks 1880 was de 23-jarige Emanuel Anderson met zijn 2,30 meter de grootste reus ter wereld die op kermissen was te zien met de 25-jarige Kaspar Ludwig die slecht 90 cm lang was. Rond die tijd toonde de kermis in Haarlem mejuffrouw Marie, die zonder armen betrekkelijk vlot met haar tenen kon borduren, haken en breien. Nog andere kijkspelen waren wassenbeeldenkabinetten, panorama’s, spookhuizen, vlooientheaters en dwaaltuinen met lachspiegels. Als opvolgers van de oudere kijkspelen als theater, variététent, rariteiten- en wassenbeeldenkabinet kwamen in de jaren voor de tweede wereldoorlog de kermisbioscopen in zwang die later nog een vervolg kregen in de spectaculaire filmpanorama's.