Edamse onderduikbaby worstelt na zestig jaar nog altijd met Auschwitz
Edamse onderduikbaby worstelt na zestig jaar nog altijd met Auschwitz
Als een loden last hangt Auschwitz om zijn schouders. Geboren als joods jongetje in Amsterdam, opgegroeid in een christelijk gezin in Edam. Verscheurd tussen de loyaliteit aan zijn pleegouders en aan zijn joodse familie. Aan de muur van zijn Edamse woning een trouwfoto van zijn ouders. In de rand van het lijstje gestoken de pasfoto's van zijn pleegouders. op het naamplaatje op de huisdeur staat G.R. Gobes (Blankenzee).
Gerrit Ronnie Gobes, geboren op 5 november 1942. Enkele foto's heeft hij nog, van de trouwdag van zijn ouders. En een brief: „Daarin schrijven mijn ouders dat ze de kinderen hebben veiliggesteld. Mijn broer Joop is naar Friesland gegaan, ik naar Edam, bij de familie Blankenzee, een ouder kinderloos echtpaar."
„Ik denk dat mijn ouders dachten dat het allemaal wel zou meevallen. Er was ook weinig verzet, ze lieten zich allemaal inschrijven. Mijn ouders lieten me ook besnijden, dat is de joodse traditie. Ik moest van mijn pleegmoeder altijd twee broeken dragen. Ze was als de dood dat iemand zou zien dat ik was besneden." Maar de dreiging die van de nazi's uitging was reëel en Gobes vader sprak met zijn broer Andries af dat ze voor elkaars kinderen zouden zorgen als een van hen de oorlog niet zou overleven. De kinderen gingen naar onderduikadressen. Gobes broer Joop en zijn oom, tante en hun dochter Estha overleefden de oorlog.
Brillenjood
„Ik beschouwde het joods zijn als een last, het bracht een aantal gevaren met zich mee. Ik heb anonimiteit gekregen door mijn onderduiknaam. Ik viel niet meer op, ik wilde als kind juist niet opvallen. Op school werd ik wel eens uitgescholden voor brillenjood. Misschien dat ze daar verder niks mee bedoelden, maar je trekt het je wel aan." De brief van zijn ouders heeft hij niet meer: “Ik heb op een gegeven moment de hele map met alle rommel aan het Instituut voor oorlogsdocumentatie gegeven, het werd me gewoon te veel." „Mijn broer is mijn enige familie. Maar het contact is slecht, al van het begin af aan. Mijn broer, die vier jaarouder is, verweet me dat ik in Edam ben gebleven, niet bij oom Andries en tante Seline samen met hem ben opgegroeid. Sinds kort hebben we weer contact, via internet. Niet te persoonlijk. Zodra we over de oorlog beginnen komt het allemaal weer boven."
Voogdij
Gobes werd christelijk opgevoed en sloot zich af voor zijn joodse roots. Niet in de laatste plaats vanwege de pijnlijke jarenlange strijd tussen zijn pleegouders en zijn oom Andries over de voogdij. „Mijn oom wilde mij opnemen in zijn gezin, zoals hij met mijn vader had afgesproken. Maar mijn pleegouders wilden me niet afstaan." Uiteindelijk adopteerden zijn pleegouders hem officieel vlak voor zijn 21ste verjaardag: Sinds die tijd heette hij Blankenzee.
Hij pakte de draad van zijn joodse leven pas weer op na zijn vijftigste. Na zijn tweede, pijnlijke scheiding. „Je gaat je verdiepen in je familie. Zoeken naar wie en wat. Dan kom je er achter dat er toch 150 tot 200 familieleden zijn vermoord. Ik ben toen ook op joodse les gegaan op zondag. Maar religie, ik doe er niks aan. Ik heb wel contact met de joodse gemeente, maar ga nooit naar sjoel. Of naar een kerkdienst trouwens, het zeg me niets, de drijveer ontbreekt.” Maar toch. Hij heeft een menora, de achtarmige kandelaar die gebruikt wordt bij het joodse feest van het licht, chanoeka. “Kreeg ik aangeboden van een antiekhandelaar. Kwam uit Amerika, zei hij. Daar geloof ik dus niks van, in het huis waar zijn zaak zit, zaten in de oorlog joden ondergedoken. Maar ik heb hem wel gekocht. En ik steek met chanoeka altijd elke dag een kaarsje aan."
Hij is vrijwilliger in het joodse bejaardenhuis Beth Shalom in Buitenveldert. „Ik heb daar iemand ontmoet die in Auschwitz Monowitz heeft gezeten, het werkkamp waar vermoedelijk ook mijn vader zat. Maar hij wist van niks. Het is ook niet bekend wanneer mijn vader is vermoord. Hij is als vermist opgegeven. Misschien is hij tijdens de dodenmarsen, in januari 1945, omgekomen toen de nazi's Auschwitz ontruimden. Misschien is hij voor die tijd gestorven, ik weet het bij god niet. Mijn moeder is voor zover ik weet direct na aankomst in Auschwitz, op 22 oktober 1943 vergast." Als sterfdatum van zijn vader wordt aangehouden 31 maart 1944, ergens in Polen. Hij bezocht Auschwitz en was er maanden kapot van. „ Ik ben daar ook in het archief geweest. Tot mijn stomme verbazing stond mijn moeder er niet ingeschreven. Kennelijk namen ze de moeite niet om mensen te registreren die meteen vergast werden." Na de dood van zijn pleegouders besloot hij zijn joodse familienaam weer aan te nemen. Eerder wilde hij het niet doen, uit respect en liefde voor zijn pleegouders. Hij wil graag op de joodse begraafplaats in Edam worden begraven. „Ik hecht aan Edam als woonplaats. Als jood ben ik geboren en wil ook als jood doodgaan."