Tweede Kamer vragen inzake fijnstof en antwoorden daarop van de staatssecretaris Van Geel
Vragen van het lid Hermans (LPF) aan de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de gevaren van fijnstof. (Ingezonden 30 november 2005)
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Gevaren fijnstof zijn onbewezen»?(1)
Vraag 2
Is het waar dat de kortetermijneffecten van fijnstof gering zijn? Zo neen, waarom niet?
Vraag 3
Is het waar dat de langetermijneffecten «zeer onzeker zijn»? Zo neen, waarom niet?
Vraag 4
Is het waar dat het statistisch oorzakelijk verband tussen fijnstof en epidemiologisch onderzoek onvoldoende kan worden aangetoond, zoals verwoord in de studie «Fijn stof nader bekeken»(2) van het Milieu- en Natuur Planbureau? Zo neen, waarom niet? Zo ja, waarom wordt 900 miljoen euro aan middelen ingezet om een niet bewezen verband aan te pakken?
Vraag 5
Is het waar dat er geen toxologische mechanismen zijn ontdekt in de onderzoeken die ten grondslag liggen aan het Nederlandse- en Europese beleid inzake luchtkwaliteit, die de gezondheidseffecten van fijnstof bij de huidige luchtconcentraties verklaren? Zo neen, wat vindt u hiervan?
Vraag 6
Kunt u reageren op de afscheidsrede(1) van de Maastrichtse hoogleraar Knipschild aangaande het epidemiologische onderzoek en de relatieve risico’s?(2)
Vraag 7
Steunt u de gedachte om in Europa een wetenschappelijk debat te houden over fijnstof zoals in de Verenigde Staten? Zo neen, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit te entameren?
Vraag 8
Ziet u in het artikel aanleiding of argumentatie om mee te nemen naar «Brussel» ten behoeve van het dossier over de Richtlijn Luchtkwaliteit? Zo neen, waarom
niet?
(1) Het Financieele Dagblad, 28 november jl.
(2) Rapport «Fijn stof nader bekeken» van het Milieu- en Natuur Planbureau, 8 augustus
2005.
Antwoord van staatssecretaris Van Geel (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer). (Ontvangen 19 december 2005)
Antwoord 1
Ja.
Antwoord 2
Nee, de korte termijn effecten van blootstelling aan fijn stof zijn niet gering. Wanneer in epidemiologisch onderzoek de dagelijkse variatie in gezondheidseffecten (zoals overlijden en ziekenhuisopname) in verband wordt gebracht met de dagelijkse variatie in de fijn stof concentratie in de buitenlucht, dan worden statistische relaties hiertussen gevonden. Gecorrigeerd – volgens de stand der kennis – voor andere factoren die ook kunnen bijdragen aan deze effecten, en ook nog getoetst aan diverse criteria voor oorzaak-gevolg relaties, blijft er vervolgens een relatie over die wordt toegeschreven aan fijn stof. Op deze manier bepaald blijkt dat er bij een korte termijn (enkele dagen durende) blootstelling aan fijn stof concentraties per jaar in Nederland naar schatting 2300–3500 mensen met een zwakke gezondheid vóórtijdig overlijden. De tijdsduur van deze vervroegde sterfte heeft een marge van enkele dagen tot maanden. Voor deze risicoschatting worden gegevens gebruikt uit Nederlandse bevolkingsstudies. Dergelijke verbanden worden in veel onderzoeken over de hele wereld gevonden. Het kennisniveau voor deze effecten van korte termijn blootstelling aan fijn stof is daarom groot (Milieubalans 2005). Tevens zijn er uit toxicologisch onderzoek aanwijzingen over mogelijke werkingsmechanismen en betrokken componenten van fijn stof. En hoewel er diverse zaken nog niet precies bekend zijn, wordt algemeen aangenomen dat de gevonden relaties voor effecten van korte termijn blootstelling aan fijn stof oorzaak-gevolg verbanden weergeven.
Antwoord 3
Er is bezorgdheid over een mogelijk grotere invloed op de gezondheid samenhangend met lange termijn (chronische) blootstelling aan fijn stof. Daarmee wordt het fijn stof niveau bedoeld waaraan mensen gedurende langere tijd (meerdere jaren of gedurende een heel leven) zijn blootgesteld. Ook dat soort effecten wordt door epidemiologen bestudeerd door grote groepen mensen die wonen op plaatsen met verschillende niveaus van fijn stof langjarig te volgen om uiteindelijk de samenhang tussen blootstelling en lange termijn effect te leren kennen. Betrouwbare, uitgebreide Nederlandse en Europese gegevens over deze effecten ontbreken vooralsnog. Recent zijn wel enkele Europese studies gepubliceerd die de eerste aanwijzingen laten zien dat vergelijkbare effecten van chronische blootstelling aan fijn stof ook in Europa voorkomen. Hieronder bevindt zich ook het onderzoek van Brunekreef en Hoek van de Universiteit Utrecht dat is uitgevoerd in Nederland. Deze studie is echter nog niet voltooid en heeft dus nog een beperkte omvang.
De voorlopige conclusies hieruit moeten daarom met de nodige voorzichtigheid worden behandeld, maar de bevindingen zijn niet in tegenspraak met de uitgebreidere Amerikaanse studies. Het RIVM en het MNP, waarnaar in het krantenartikel wordt verwezen, hebben alle bekende bevolkingsonderzoeken naar de gezondheidseffecten van lange termijn blootstelling aan fijn stof bestudeerd, net zoals overigens ook is gebeurd door de WHO, de Europese Commissie, en bijvoorbeeld het Amerikaanse Milieu Agentschap (US EPA). Het RIVM en het MNP hebben voor de risicoschatting van deze effecten een weloverwogen keuze gemaakt voor de gegevens uit de grote, representatieve en robuuste Amerikaanse studies (Dockery et al. en Pope et al.). Amerikaanse studies die slechts weinig robuust en representatief zijn voor de totale Nederlandse bevolking, véél kleiner zijn van omvang, soms tegenstrijdige uitkomsten laten zien, of waarvan de gegevens geen directe risicogetallen opleveren, zijn door het RIVM en het MNP wel uitgebreid beoordeeld maar voor de risicoschatting van fijn stof ongeschikt gevonden. De uitkomsten van de grote Amerikaanse studies zijn bovendien bevestigd door heranalyses uitgevoerd door onderzoekers van het gerenommeerde Amerikaanse Health Effects Institute.
Totdat aanvullende Nederlandse en Europese gegevens beschikbaar komen, wordt uit voorzorg aangenomen dat deze Amerikaanse gegevens ook van toepassing zijn op Europa.
Antwoord 4
In de beantwoording van de vragen 2 en 3 is aangeven waar het kennisniveau over effecten van fijn stof groot is en waar klein. Voor het aannemen van een statistisch verband tussen fijn stof blootstelling en gezondheidseffecten als een oorzaak-gevolg relatie moeten gegevens uit epidemiologisch onderzoek worden gecombineerd met de resultaten uit toxicologisch onderzoek. In het rapport «Fijn stof nader bekeken» hebben het MNP en het RIVM de huidige inzichten over de oorzakelijke werkingsmechanismen achter de gezondheidseffecten van fijn stof samengevat. De gecombineerde kennis uit epidemiologisch en toxicologisch onderzoek rechtvaardigt de grote zorg over de gezondheidsrisico’s verbonden aan fijn stof en de noodzaak tot verdergaande ontwikkeling van bestrijdingsbeleid.
Deze opvatting sluit aan bij die van de WHO, de Europese Commissie en diverse andere instituten, die dan ook tot vergelijkbare risicobeoordelingen en keuzes komen. In het rapport «Fijn stof Nader Bekeken» is tevens aangegeven welke fijn stof componenten vermoedelijk van meer gezondheidskundig belang zijn dan andere. Fijn stof dat direct wordt uitgestoten bij verbrandingsprocessen wordt als belangrijk bestempeld (hoewel ook andere componenten kunnen bijdragen aan effecten). Véél bronnen zorgen voor deze uitstoot, maar in stedelijke omgevingen speelt vooral verkeer hierbij een rol. Vandaar dat is gekozen voor een substantiële inzet van middelen voor de uitvoering van verkeersmaatregelen.
Antwoord 5
Het toxicologisch onderzoek van de afgelopen jaren, ook in Nederland uitgevoerd, levert aanwijzingen op voor de verklaring van de in bevolkingsonderzoek gevonden gezondheidseffecten. Waargenomen werkingsmechanismen als «oxidatieve stress» en neurologische veranderingen passen goed bij de opvatting dat in de bevolking na blootstelling aan fijn stof een verergering van bestaande harten longaandoeningen tot gezondheidsproblemen leidt.
Dit geldt vooral voor de effecten als gevolg van korte termijn blootstelling. De toxicologische aanwijzingen voor effecten van lange termijn blootstelling ontbreken inderdaad nog, maar studies hiernaar hebben nog niet of nauwelijks plaatsgevonden. Wél is het zo dat aanwijzingen vanuit de toxicologie voor de epidemiologen soms reden waren om nieuwe effectparameters in hun bevolkingsonderzoek te betrekken, waarmee vervolgens ook tot dan toe onbekende gezondheidseffecten zijn opgespoord, zoals ontstekingsreacties en bepaalde hartaandoeningen.
De WHO komt over de toxiciteit van fijn stof fracties tot dezelfde conclusies als het MNP en het RIVM, waarbij de kanttekening wordt gemaakt dat er nog (te) weinig kwantitatieve gegevens bestaan om een meer op oorzakelijke fijn stof componenten gerichte risicoschatting op te baseren. De epidemiologie en de toxicologie van fijn stof, mede gestimuleerd door een intensievere Europese samenwerking op dit terrein, vullen elkaar op dit moment redelijk aan, waardoor de diverse bevindingen aan kracht winnen.
Antwoord 6
Het MNP en het RIVM delen de conclusies van Knipschild niet. Relatieve gezondheidsrisico’s voor de effecten van fijn stof lijken relatief klein, maar de uitkomsten van alle berekeningen zijn echter wél op statistische significantie getoetst met het gangbare en geaccepteerde criterium dat de kans op een toevalstreffer minder dan 5% moet zijn. Een dergelijke toetsing uit zich dan in zogenaamde statistische betrouwbaarheidsintervallen.
Daarnaast geldt dat ook een klein relatief risico maatschappelijk relevant kan zijn (met een grote invloed in termen van aantallen mensen met effect) wanneer het een grote populatie betreft die wordt blootgesteld of wanneer er een hoge basis-prevalentie bestaat van een aandoening waar fijn stof effect op heeft. Een hoog relatief risico bij slechts een (zeer) beperkte populatie kan vele malen minder maatschappelijk relevant zijn (minder totaal effect) dan een klein relatief risico voor een totale populatie of een groot deel van de populatie. De geschatte totale omvang van gezondheidseffecten van fijn stof komt in de buurt van gezondheidseffecten van roken, vetzucht en «lífe style» factoren zoals minder bewegen, en zijn dus, hoewel voor een deel nog onzeker, zowel statistisch significant als maatschappelijk en gezondheidskundig relevant.
Antwoord 7
Het wetenschappelijke debat over fijn stof wordt ook in Europa al lange tijd gevoerd. Het is belangrijk dat deze discussie gevoerd wordt aangezien de uiteindelijke wetenschappelijke beoordeling essentieel is voor beleidsontwikkeling en normstelling. De WHO is bij uitstek het internationale wetenschappelijke gremium om te zorgen dat het gewenste debat plaats vindt en om vast te stellen wat bij de huidige kennis de wetenschappelijke consensus is over de gezondheidseffecten van fijn stof.
Bij de besluitvorming over Europese grenswaarden voor fijn stof is het oordeel van de WHO expliciet als belangrijk uitgangspunt aangehouden. Op verzoek van de Europese Commissie heeft de WHO recentelijk opnieuw de kennis over de gezondheidsrisico’s van fijn stof beoordeeld. De WHO heeft geconstateerd dat het verband tussen blootstelling aan zwevende deeltjes en verschillende gezondheidseffecten in vele recente wetenschappelijke publicaties is bevestigd en versterkt.
Antwoord 8
Neen. Ondanks de bestaande wetenschappelijke onzekerheden is er dermate consensus in de wetenschappelijke wereld over de gezondheidsrisico’s verbonden aan blootstelling aan fijn stof, dat de urgentie blijft bestaan om het beleid ten aanzien van fijn stof verder te ontwikkelen en uit te voeren.
De erkenning door de meeste wetenschappers van de gezondheidsrisico’s van fijn stof is in EU-kader de reden om de huidige normstelling voor fijn stof (gericht op PM10) te handhaven en deze aan te vullen met normstelling gericht op PM2,5. Nederland wil de lopende herziening van het Europese luchtkwaliteitsbeleid wel aangrijpen om de pleiten voor realistische normen die praktisch ook goed haalbaar en uitvoerbaar zijn, met voldoende flexibiliteit om rekening te kunnen houden met de nationale situatie in lidstaten.
Voor verdergaande emissiebestrijding is Nederland sterk afhankelijk van EU-beleid. Nederland hecht er dan ook aan (gesteund door vele lidstaten) dat bestaande en nieuwe ambities in EU-kader direct gekoppeld dienen te zijn aan garanties over tijdpad en ambitieniveau van Europees brongericht beleid.