Waar is de klederdracht?
Waar is de klederdracht?
De populariteit van Volendam is tanende. Toeristen die nog komen, lopen te mokken. Caspar janssen peilt de stemming onder de dorpelingen. 'Allen het mooie uitzicht over het meer is er nog.'
'Vroeger leefde de haven. Nu zijn er nog zeven botters.'
Het is stil op de Volendamse dijk. Dorpsbewoners, behalve diegenen die plichtmatig hun souvenir-, fotowinkel of café bemannen, laten zich nauwelijks zien op deze doordeweekse winterochtend, uitgezonderd het groepje gepensioneerde mannen in het praathuis op de kade bij het haventje.
Plukjes Spaanse en Japanse toeristen lopen wat verkleumd rond, de Japanners maken foto's van zichzelf op een bankje naast een beeld van een Volendammer visser in dracht. Sommigen zijn alweer op weg naar hun bussen, die op een modderig terrein achter hotel Spaander staan geparkeerd en die hen of naar Amsterdam of naar de volgende bezienswaardigheid zal voeren - Edam, Marken of de Zaanse Schans.
In het centrum van het dorp, achter de dijk, vertelt Yoka van Brakel, beheerder van het Volendams Museum, even later een somber verhaal over het toerisme in het voormalige vissersdorp. 'Eerlijk gezegd heeft Volendam de toerist niet veel meer te bieden', zegt ze. 'De dracht is weg, er zijn geen boten meer, en de laatste karakteristieke Volendamse huisjes zijn net onbewoonbaar verklaard. Die worden afgebroken. Alleen het mooi uitzicht over het meer is er nog.'
Hein Veerman, oprichter van het museum en voormalig palingvisser, vult aan: 'Vroeger leefde de haven. De in- en uitvarende botters, de drukte van de visafslag, dat vonden toeristen prachtig. Nu zijn er nog zeven botters, geloof ik. Voor de IJsselmeerpaling hoef je ook niet meer te komen. Die kost 27 euro per pond bij Smit-Bokkum. Goudvissen, zo noem ik ze tegenwoordig.'
Van Brakel en Veerman doen hun verhaal aan een tafel met gezellig smyrnakleed, naast een Singer-naaimachine en een oude staande klok, de wanden hangen vol met foto's van vroegere visserstaferelen en Volendammers in klederdracht. In het museum zelf is de vroegere inrichting van de karakteristieke, piepkleine Volendammer huisjes te bewonderen. Het museum biedt verder ruimte aan het sigarenbandjes-huisje, dat gezien de vele reacties in het gastenboek het meeste indruk maakt op bezoekers. Yoka van Brakel: 'We krijgen hier wel eens vertwijfelde toeristen. Die zeggen: ''Alles is gesloten. Er is helemaal niks te zien.'' Ook in het seizoen krijgen we vaak die wanhopige vraag: ''Waar is de klederdracht?'' Wij kunnen dan alleen maar eerlijk antwoorden: ''Niemand loopt hier meer in klederdracht. Behalve dan in enkele hotels, restaurants of souvenirwinkels.'''
En net als ze dat heeft gezegd, schrikt ze op en wijst naar buiten. 'Dat zul je nou net zien, daar loopt er eentje in het wild.' Inderdaad steekt een bejaarde vrouw in klederdracht een zebrapad over. Van Brakel: 'Dat is er een van de laatste vijf. Ze wonen allemaal in het bejaardenhuis.'
Het is eigenlijk wonderlijk dat het nog zo lang goed is blijven gaan met het toerisme in Volendam. De plaatselijke klederdracht was vijftien jaar geleden al grotendeels verdwenen, en de visserij stelt ook al lang weinig meer voor. Maar pas de laatste jaren is het aantal toeristen schrikbarend gekelderd. In 2000 werd voor het laatst een schatting gemaakt van het aantal jaarlijkse bezoekers: de makers van een rapport over de slechte bereikbaarheid van het Volendamse centrum kwamen uit op twee à drie miljoen. Sindsdien, zeggen de ervaringsdeskundigen in Volendam, is het hard achteruit gegaan. Dat heeft deels externe oorzaken, zoals de recessie en de terugloop van het aantal Amerikaanse toeristen sinds '11 september' en sinds de introductie van de euro. Wellicht heeft ook de Volendamse cafébrand van vijf jaar geleden invloed gehad.
Maar kenners weten dat er meer aan de hand is. 'Volendam heeft de boel jarenlang laten versloffen', zegt Nico Schilder. Hij is marketing-manager van Henri Willig, een bedrijf dat drie grote kaasboerderijen heeft in Noord-Holland, waaronder de Alidahoeve, aan de rand van Volendam.
Tien jaar lang deed Schilder als chef van de Alidahoeve zelf de rondleidingen. In zijn herinnering was het in die tijd veel drukker. 'Vanaf maart tot na de zomer stonden hier permanent tien bussen op het erf. Dat is nu eerder uitzondering dan regel. Ben je al bij hotel Spaander geweest? Hoeveel bussen stonden daar? Twee? Nou, zie je: het is niet veel.'
Natuurlijk, het verdwijnen van 'de dracht' speelt een rol. Maar de onderliggende oorzaak voor de terugloop van het aantal toeristen is gemakzucht, meent Schilder. 'We hebben jarenlang gedacht: de mensen komen vanzelf wel. Nou, dat is dus niet zo. Er moet hard gewerkt worden aan promotie. In de internationale reiswereld is Volendam nauwelijks nog bekend.'
Dat Volendam het probleem van de bereikbaarheid nog niet heeft opgelost - in de zomer is er een groot parkeerprobleem voor bussen - en dat anderzijds De Dijk nog altijd niet autovrij is, is volgens Nico Schilder typerend voor de lethargie in het dorp. Afgelopen zomer zag hij met eigen ogen hoe een bus die de bocht te ruim nam bijna een tafeltje van een terras meesleepte, tot schrik van bezoekers.
'Op die manier is het voor niemand leuk. Touroperators zoeken alternatieven, want vertraging kost ze geld. Ze gaan naar de Zaanse Schans, daar heb je molens, klompen, water, de kaasboer, een all in package. En toeristen die op eigen houtje komen, zeggen: ''Is dit het nou?'''
De Dijk moet aantrekkelijker worden voor toeristen. In potentie, daar is iedereen het wel over eens, moet dat kunnen. Op een namiddag als deze, als de zon laag staat en er geen enkele bus is die het zicht op het visafslagje en de paar overgebleven botters in het haventje verstoort, is het voor te stellen wat ooit de charme van het vissersdorp was. Ook het uitzicht vanuit Paviljoen Smit-Bokkum mag er zijn: een fel oranjerode lucht boven het IJsselmeer, waarop een enkel bootje dobbert.
Het paviljoen ligt helemaal aan het begin van De Dijk, maar dat is niet de enige reden waarom de sfeer van malaise geen vat heeft gekregen op de eigenaren. Jan en Dini Smit besloten al lang geleden dat ze minder afhankelijk wilden zijn van de grillen van het massatoerisme en de touroperators.
Smit-Bokkum, palingrokerij sinds 1856 en nu nog de enige rokerij van IJsselmeerpaling in Volendam, groeide in de afgelopen jaren uit tot een soort multifunctioneel complex: een restaurant, een delicatessenwinkel, een 'expositieruimte' en een vergaderzaal. Het echtpaar houdt rondleidingen in de rokerij, doet in relatiegeschenken, en sinds dit jaar herbergt het paviljoen het Palingsoundmuseum, met parafernalia van The Cats, BZN en andere Volendamse muzikale beroemdheden.
'Je moet uitgaan van eigen kracht, zorgen dat je iets te bieden hebt', verklaart Dini Smit de bedrijfsvoering van haarzelf en haar man. En dat is precies wat Volendam heeft nagelaten, vindt ze. De autovrije dijk, de terrassen, de jachten en de boten, meer verblijfstoerisme, het moet er allemaal komen, maar het is nog altijd niet gebeurd. Smit: 'Het is misschien typisch Volendams: iedereen let op elkaar, niemand durft voor de ander te beslissen.'
Toch: er gloort hoop. Naast paviljoen Smit-Bokkum verrijst, in het kader van het verblijfstoerisme, een nieuwe jachthaven en een vakantiehuisjespark. En er is sinds kort een Stichting Promotie Volendam, Waterland en regio. Verder besloot de gemeenteraad van Edam-Volendam vorig jaar dat het toerisme in Volendam wel degelijk een rol van betekenis moet blijven spelen. De gemeenteraad aanvaardde ook de kritische analyse van een rapport van adviesbureau LAgroup over de kracht (en zwakte) van Volendam en Edam. Een paar aanbevelingen: de dijk moet autovrij, het museum verhuist naar De Dijk, en vooral, er moet meer gebruik worden gemaakt van het water en het uitzicht erop.
Een andere reden voor optimisme is, volgens Dini Smit, dat bij hotel Spaander een nieuwe generatie is aangetreden in de leiding. Het is aan Hein Schilder, de kleinzoon van de aannemer die hotel Spaander in 1963 overnam, om een frisse wind te doen waaien.
Schilder is niet te beroerd een deel van de schuld van het 'imagoprobleem' van Volendam bij zijn eigen bedrijf te leggen. 'We zijn lange tijd meegesleept door de waan van de dag. Natuurlijk, we moeten voldoende biefstukken verkopen, en de charme van dit hotel is ook dat de sfeer ongedwongen is, dat hier mensen doorheen rennen om hun bus te halen. Maar het werd tijd voor bezinning. We moeten terug naar de oorsprong. We gaan meer doen met de kwaliteit die we in huis hebben. Vroeger werd Volendam in één adem genoemd met kunstenaarskolonies als Bergen en Laren. Dat weet niemand meer.'
Rond 1890 vonden hier, aan het andere uiterste van de dijk, de eerste bezoekers aan Volendam onderdak, buitenlandse kunstschilders die in Volendam het 'typisch Hollandse' zware vissersleven wilden vastleggen. De kunstcollectie van Spaander, 1400 schilderijen, waarvan een deel her en der verspreid in het hotel hangt, getuigt van die rijke historie. Maar kunstenaars komen niet meer naar Volendam, tenzij in de gedaante van toerist.
Wat dat betreft wordt 2006 een spannend jaar. Het hotel bestaat 125 jaar, en er verschijnt een boek over de kunstcollectie van Spaander, in samenwerking met het Gemeentemuseum in Den Haag. Schilder: 'Voor het museum was onze collectie een ontdekking. Voor mijzelf ging er ook een wereld open. Ik ben aannemer van huis uit, ik had nooit gedacht dat ik nog eens een passie voor kunst zou opvatten.'
Drie jaar geleden zag hij de situatie voor het toerisme in Volendam nog somber in. 'Maar het lijkt er op dat er toch iets gaat gebeuren. Er is wel kwaliteit in Volendam, we moeten het alleen herontdekken. En we moeten er weer in gaan geloven.'