Naar de inhoud

Verweerschrift gemeente bij RvS inzake schorsing Zuidpolder

Bron: Gemeente

Aan de Afdeling Bestuursrechtspraak
van de Raad van State
T.a.v. dhr. J.P. van het Hul
Postbus 20019
2500 EA ‘S-GRAVENHAGE

200508299/1/R1 GB 361

Gemeentelijke reactie R.O. diverse
inzake beroep m.b.t. 0299-398417
bestemmingsplan Zuidpolder-Oost

Geachte heer Van het Hul,

Gaarne maken wij gebruik van de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven ten aanzien van de beroepschriften tegen het besluit d.d. 23 augustus 2005, nr. 2005-8593, van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, tot goedkeuring van het bestemmingsplan Zuidpolder-Oost van de gemeente Edam-Volendam.

Veel van de aangevoerde beroepsgronden zijn terug te vinden in de bij het college van
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland ingediende schriftelijke bedenkingen tegen het door de gemeenteraad op 27 januari 2005 gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan Zuidpolder-Oost en de zienswijzen die eerder bij de gemeenteraad tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn ingediend.

Voor wat betreft de inhoudelijke behandeling van de schriftelijke bedenkingen verwijzen wij u voorts naar ons bij de provincie ingediende verweerschrift, dat wij u eerder hebben toegezonden. Daarnaast is in het raadsvoorstel m.b.t. de vaststelling van het bestemmingsplan zeer uitvoerig op de zienswijzen van de verschillende appellanten ingegaan. Voorzover in de bij u ingediende beroepschriften sprake is van een herhaling van standpunten die al eerder bij de gemeenteraad aan de orde zijn geweest, volstaan wij kortheidshalve met een verwijzing naar het uitvoerige commentaar in dit raadsvoorstel.

De ingediende beroepen begeven zich inhoudelijk rond een aantal thema’s. Onze uiteenzetting zullen we dan ook per thema behandelen.

Verkeer bestaande ontsluitingswegen in relatie structuurvisie
De gemeente heeft in 2004 uitgebreid onderzoek verricht naar de huidige en te verwachten verkeersintensiteiten op de ontsluitingswegen van het plangebied. Voor een uitvoerige onderbouwing m.b.t. de verkeersintensiteiten wordt verwezen naar hoofdstuk 4.2. van de bestemmingsplantoelichting. Primair voorziet het plan in een directe snelle verbinding middels de hoofdontsluiting via de Dijkgraaf de Ruiterlaan en de Zuidpolderlaan dan wel Julianaweg richting provinciale weg. Hoofdstuk 4.2 vermeldt dat de nieuwe woonwijk ongeveer 7200 verkeersbewegingen genereert en dat de bestaande gemeentelijke ontsluitingswegen deze extra verkeersbewegingen qua capaciteit en zonder congestie kunnen verwerken. Dit is vervolgens onderbouwd met cijfers. Het onderzoek is gebaseerd op recente verkeersmetingen van bestaande capaciteit, toename van verkeersintensiteit als gevolg van de beoogde uitbreiding (incl. cumulatieve groei) en ervaringscijfers van ASVV (aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen bebouwde kom van het CROW) 2004.

TS/MM
Alle van toepassing zijnde aspecten zijn m.b.t. de ontsluiting van de wijk meegenomen. Daarnaast is in het onderzoek uitgegaan van een maximale variant, dat de hoofdontsluiting alle verkeer dat van de wijk afkomstig is op een verkeersveilige wijze kan afwikkelen. Bij de berekening van de geschatte verkeersintensiteit via de hoofdontsluiting is veiligheidshalve uitgegaan van dus hogere aannames. Op basis van de onderzoeksgegevens zal genoemde woningbouwontwikkeling niet tot verkeersproblemen leiden.

Bij de behandeling van de voorlopige voorziening heeft de voorzitter geconcludeerd “dat de geplande primaire wijkontsluitingsweg zal aansluiten op reeds bestaande ontsluitingswegen van andere wijken, terwijl blijkens de structuurvisie het gewenst is een verdere belasting van de bestaande wegen te beperken”.

In dit kader is van belang dat de primaire wijkontsluitingsweg aansluit op een hoofdontsluitingsweg. Hoofdontsluitingswegen zijn primair bedoeld voor verdere ontsluiting van wijkontsluitingswegen. Als bijlage is een kaart gevoegd van de hoofdontsluitingsroute(s) in de gemeente (bijlage nr. 1).

Voorts is van belang dat in de structuurvisie wordt geconcludeerd dat de bestaande ontsluitingswegen Julianaweg en route Singelweg-Dijkgraaf Poschlaan-Jupiterlaan-Herculeslaan-Populierenlaan redelijk zwaar belaste verkeersroutes zijn en dat verdere belasting door nieuw verkeer om verkeersveiligheids- en leefbaarheidredenen beperkt dient te worden. Deze conclusie is echter gebaseerd op achterhaalde gegevens. Bij het opstellen van de structuurvisie was er nog geen sprake van uniformiteit in de hoofdwegenstructuur. De route Jupiterlaan-Herculeslaan-Populierenlaan bestond uit klinkerbestrating met onoverzichtelijke kruisingen, waarbij de auto’s en de fietsers gebruik maakten van dezelfde infrastructuur zonder duidelijk scheiding in langzaam verkeerroutes en rijweg.
In de huidige situatie is er wel uniformiteit in de hoofdwegenstructuur waarbij op alle ontsluitingswegen de voetganger, fietser en automobilist zijn eigen infrastructuur heeft in de vorm van een voetpad, fietspad en rijweg. Daarnaast zijn op een aantal verschillende cruciale kruispunten verkeersveilige rotondes gerealiseerd. Tevens is geluidsarm asfalt toegepast. Met deze maatregelen zijn de verkeersveiligheid en leefbaarheid (en hinder) sterk verbeterd ten opzichte van het moment waarop de structuurvisie is opgesteld.

De conclusie in de structuurvisie onderschrijven wij echter wel. Vanwege de verkeersveiligheid en de leefbaarheid in de gemeente Edam-Volendam streven wij ernaar om de verkeersintensiteiten op de gemeentelijke ontsluitingswegen binnen de perken te houden. Door hiernaar te streven kan de verkeersveiligheid en leefbaarheid rond en op de ontsluitingswegen op een hoog niveau gehouden worden. Dit is ook de reden waarom in het bestemmingsplan een verkeerscapaciteit van 11.000 mvt wordt genoemd. Deze genoemde capaciteit is niet de maximale capaciteit van de weg qua doorstroming, maar de maximale hoeveelheid verkeersbewegingen waar de gemeente naar streeft om zoals genoemd de leefbaarheid en veiligheid op een hoog niveau te houden.

Over de maximale capaciteit van de weg qua doorstroming merken wij het volgende op.
Door enkele appellanten is aangevoerd dat er op de bestaande ontsluitingswegen capaciteitsproblemen op zullen treden na realisatie van de nieuwe woonwijk.
Naar onze mening is dit niet aan de orde. Wegen zoals de Dijkgraaf Poschlaan, Dijkgraaf de Ruiterlaan, Zuidpolderlaan, Populierenlaan en Julianaweg kunnen qua capaciteit ruim 20.000 mvt per etmaal verwerken als er geen kruispunten zouden zijn. Voor de afwikkeling van het verkeer is dan ook niet de breedte van de weg de bepalende factor, maar de hoeveelheid verkeer die de kruispunten kunnen verwerken. Voor de doorstroming van het verkeer op de bovengenoemde gemeentelijke hoofdontsluitingswegen is de rotonde Julianaweg-Zeestraat maatgevend en van groot belang. Dit is namelijk het drukste kruispunt waar 2 ontsluitingswegen bij elkaar komen in het centrumgebied van Volendam. Uit metingen en berekeningen blijkt in de huidige situatie de drukste tak van de rotonde voor 55% belast te zijn en na realisatie van de nieuwe woonwijk zal dit ongeveer 80% zijn. Hieruit blijkt dat er nog een ruime marge van 20% beschikbaar is, voordat de maximale capaciteit bereikt zal worden (de berekening van de kruispuntbelasting is door Goudappel Coffeng uitgevoerd en als bijlage nr. 2 bijgevoegd).

Uit het vorenstaande kan maar één conclusie getrokken worden. Wanneer men ervan uitgaat dat de 7.200 verkeersbewegingen die de nieuwe woonwijk zal genereren, allemaal nieuwe verkeersbewegingen zijn die bovenop de bestaande verkeersbewegingen komen, zullen er geen capaciteitsproblemen optreden op de huidige ontsluitingswegen.

Uit de lijst van ingeschrevenen voor woningbouwgrond binnen de gemeente Edam-Volendam kan echter geconcludeerd worden dat er in totaliteit op korte termijn geen nieuwe verkeersbewegingen bij zullen komen, maar dat er een verplaatsing van de bestaande verkeersbewegingen zal plaatsvinden. De lijst van ingeschreven woningzoekenden (1800 personen) bestaat namelijk voor 98% uit ingezetenen van de gemeente. De lijst bevat in totaal 44 personen die niet uit de gemeente afkomstig zijn.

Gelet op het voorgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat de realisatie van de nieuwe woonwijk Zuidpolder-Oost in geen enkel geval op de bestaande ontsluitingswegen verkeerstechnische problemen op zal leveren.

Nieuwe ontsluiting Dijkgraaf Poschlaan-kruising N247/N244
In het bestemmingsplan Zuidpolder-Oost wordt voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk naar de regionale hoofdwegen N244 en N247 uitgegaan van een nieuwe hoofdontsluiting vanaf de Dijkgraaf Poschlaan naar de kruising N244/N247. Deze nieuwe hoofdontsluiting wordt ter hoogte van de Dijkgraaf Poschlaan zodanig gesitueerd dat deze in het directe verlengde van de Zuidpolderlaan komt te liggen. Hiermee wordt vanuit de nieuwe woonwijk een zo direct mogelijke ontsluiting op de regionale hoofdverkeer structuur gerealiseerd.
In de structuurvisie zijn reeds drie varianten aangegeven (zie bijlage nr. 3 Figuur 5.6 Inpassing Ontsluitingsweg) met betrekking tot de ligging van de nieuwe verbindingsweg in het open gebied tussen de bebouwde kernen van Volendam en Edam. De voorkeur bestaat voor alternatief 3 “Middenligging met 1 kruispunt” waarbij een rechtstreekse aansluiting wordt gerealiseerd op de Zuidpolderlaan/Dijkgraaf de Ruiterlaan, waar het plangebied direct op aansluit. Deze variant wordt gevormd door ligging van de weg in het exacte midden van het gebied en een aansluiting op het (te verleggen) kruispunt met de Zuidpolderlaan. De keuze voor genoemde alternatief is gebaseerd op een vlotte doorstroming, een goede landschappelijke inpassing en milieuoverwegingen. Het kruispunt wordt daarbij als rotonde vormgegeven teneinde de verkeersveiligheid en goede verkeersafwikkeling te waarborgen. In de structuurvisie is eveneens aangegeven dat er uit verkeerskundig oogpunt een voorkeur is voor een rechtstreekse aansluiting op de Zuidpolderlaan. Zoals aangegeven in de structuurvisie heeft deze variant allereerst de grootste aantrekkingskracht op het verkeer van en naar de nieuwe locatie (en dus de grootste ontlastende werking voor de bestaande stedelijke hoofdwegen). Anderzijds blijft het aantal kruispunten op de
Dijkgraaf Poschlaan beperkt.

Om deze ontsluiting te kunnen realiseren zijn er reeds een aantal belangrijke stappen genomen in het besluitvormingsproces en zijn de benodigde financiën beschikbaar.
Op 11 december 2004 heeft de gemeenteraad een besluit genomen met de intentie om een nieuwe hoofdontsluitingsweg vanaf de Dijkgraaf Poschlaan naar de kruising van de N244/N247 aan te leggen. Hierbij heeft men het college opdracht gegeven om in 2005 met een voorstel te komen om uiterlijk in 2007 te kunnen starten met de realisatie van de weg.
In navolging op het besluit van 11 december 2004 heeft de gemeenteraad vervolgens op
29 september 2005 een bedrag van € 200.000,- beschikbaar gesteld voor diverse onderzoeken inzake de mer-procedure en de dimensionering van de weg alsmede het opstellen van een bestemmingsplan. Op basis van deze onderzoeken zal er een nadere uitwerking plaatsvinden van de exacte aansluiting op de Zuidpolderlaan/Dijkgraaf Poschlaan.

Het kruispunt N247/N244 is zodanig vormgegeven dat de aansluiting van de nieuwe verbindingsweg op dit kruispunt direct kan plaatsvinden zonder dat daar grote (infrastructurele) aanpassingen voor nodig zijn.

Ook de provincie Noord-Holland heeft positief ingestemd met een nieuwe ontsluiting vanuit de gemeente Edam-Volendam op het provinciaal wegennet. Bij het project “verdubbeling N244” van de provincie Noord-Holland wordt de nieuwe aansluiting op de kruising N244/N247 al meegenomen. De planning is dat dit project in 2009 gerealiseerd zal zijn. Wellicht ten overvloede kan hierbij nog worden opgemerkt dat het door de provincie vastgestelde streekplan Noord-Holland Zuid waarbij parallel aan de tweede Coentunnel de verbreding van de N244 aan de orde is, een nieuwe ontsluiting van Edam-Volendam op de N244 mogelijk maakt.

De investering voor de nieuwe ontsluitingsweg is daarnaast in de exploitatie van de nieuwe woonwijk opgenomen.

Gezien de besluiten die genomen zijn, de procedures die opgestart worden, de onderzoeken die worden gehouden, het commitment tussen de verschillende overheden en de benodigde financiën die beschikbaar zijn gesteld, is de aanleg van genoemde ontsluiting gewaarborgd. Daarmee wordt ook voldaan aan het gestelde in de structuurvisie en zal in een toereikende verkeersafwikkeling van de nieuwe wijk worden voorzien.

Verder is van belang dat de realisatie van de nieuwe woonwijk gefaseerd zal geschieden en uiteraard niet in één keer zal worden uitgegeven. Bij collegebesluit van 25 oktober 2005 is na raadpleging van de raadscommissie VROM besloten de fasering als volgt te laten plaatsvinden. De eerste uitgiftefase zal ± 490 woningen beslaan. De resterende woonpercelen waarvan het aantal afhankelijk is van het definitieve verkavelingsplan, zullen later in een tweede fase en vervolgens in een derde fase worden uitgegeven. De gefaseerde uitgifte (in drie fasen) zal binnen een tijdsbestek van 5 à 6 jaar plaatsvinden. Voor de oplevering van de woningen moet daar nog 1 à 2 jaar bijgeteld worden. Binnen deze periode zal de extra aantakking op de N247/N244 zijn aangelegd.

Wat betreft de planning sluit (gezien het feit dat de provincie Noord-Holland de reconstructie van de kruising N244/N247 meeneemt in hun project “verdubbeling N244”) de gemeentelijke planning voor de realisatie van de nieuwe ontsluitingsweg in principe aan op die van de provincie, namelijk 2009.

Besluit Luchtkwaliteit
Alvorens wij onze zienswijze hieromtrent geven, achten wij het voor wat betreft de ontvankelijkheid van dit (nieuwe) aspect, dat is aangevoerd door appellant “Vereniging Oud Edam”, van belang op te merken dat dit aspect pas voor het eerst aan bod is gekomen in haar schriftelijke bedenkingen bij het college van Gedeputeerde Staten en niet eerder in hun zienswijzen bij de gemeenteraad. Een tweetal partijen hebben dit ook pas in het kader van hun beroepschrift aangevoerd. Naar onze mening dienen nieuwe gronden niet ontvankelijk te worden verklaard. Deze gangbare praktijk bij nieuw aangedragen elementen in een dergelijke procedure kan worden gestaafd door een uitspraak betreffende een analoge regeling in de Wet milieubeheer en de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 augustus 1994 (Roosendaal en Nispen), gemeentestem 1995 7001/9.

Dit laat onverlet dat voldoende is onderzocht en o.i. is aangetoond dat wij ingevolge artikel 7 van het Blk 2005, voor zover van belang, bij de uitoefening van de bestemmingsplanbevoegdheid, de in het Besluit gestelde grenswaarden met betrekking tot onder meer stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in acht hebben genomen. Ingevolge het derde lid van dit artikel is daarbij van belang, dat indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft of indien bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

Voor de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de eisen van het Besluit Luchtkwaliteit 2005 zijn in hoofdlijn twee deelvragen van belang. In de eerste plaats de vraag of te verwachten is dat de normen van het Blk binnen het plangebied zullen worden overschreden. Deze vraag is in het kader van het artikel 10 BRO-overleg aan de orde geweest en beantwoord op basis van de prognose dat de drukste weg in het plangebied een verkeersintensiteit zal kennen van ± 7.000 mvt/etmaal. Deze intensiteit gekoppeld aan de voorgenomen bebouwingstypering heeft geleid tot de conclusie dat geen overschrijding van de normen van het Blk in het plangebied is te verwachten. Verwezen kan hiervoor worden naar de Handreiking Luchtkwaliteit en Ruimtelijke Ordening, Module Verkeer van de Provincie Zuid-Holland (2001). Zie hiervoor bijlage nr. 4.

De conclusie is bevestigd door berekeningen die, ten overvloede, door de gemeente zijn uitgevoerd in het kader van de procedure voor het bestemmingsplan. Ook hiervoor wordt verwezen naar de bijlagen
(bijlage nr. 5).

De tweede vraag is of de voorgestane ontwikkeling zal leiden tot een relevante verslechtering van de luchtkwaliteit op de bestaande wegen in de gemeente, gelet op het feit dat daar sprake is van een overschrijding van de norm voor vierentwintig uurgemiddelde concentratie PM10. In de eerste plaats is bij de berekeningen van de luchtkwaliteit van juni 2005 voor de gemeente op basis van het Blk 2005 (aftrek zeezout) vastgesteld dat er slechts op één plaats sprake is van een overtreding van de normen voor fijn stof, te weten aan de Julianaweg, ter hoogte van de Prinses Beatrixstraat. Het gaat hier om een locatie ver gelegen van het plangebied in het zuidelijk deel van de bebouwde kom van Volendam. Hier is een overschrijding aan de orde met 3 dagen van de 35 dagen-norm voor PM10.

Op deze locatie zal geen verslechtering optreden, omdat er sprake zal zijn van verplaatsing van bestaande verkeersbewegingen. Omdat er niet of nauwelijks sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen in totaliteit, aangezien de nieuwe bewoners vooral afkomstig zijn uit de gemeente zelf en er alleen sprake is van een verschuiving of verplaatsing van bestaande verkeersstromen en een vermindering van verkeerstromen in andere gebieden, zal er per saldo geen sprake zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Als gevolg van een verhuizing van de inwoners naar dit andere deel van de gemeente (i.c. de Zuidpolder-Oost), en de daaruit resulterende verplaatsing van vervoerstromen naar dit gebied, is rekening gehouden met deze toename aan verkeersbewegingen ter plaatse van de hoofdontsluiting van de nieuwe woonwijk en de te verwachten luchtkwaliteit.

Ter onderbouwing hiervan kan worden aangevoerd dat de lijst van ingeschrevenen voor bouwgrond (aantal is momenteel 1800 personen) voor 98 procent bestaat uit ingezetenen van de gemeente. De lijst bevat in totaal 44 personen die niet uit de gemeente afkomstig zijn. Van een relevante verslechtering van de luchtkwaliteit zal om die reden op korte termijn geen sprake zijn.

Verder is van belang dat de realisatie van de nieuwe woonwijk gefaseerd zal geschieden en dat binnen deze periode de extra aantakking op de N247/N244 zal zijn aangelegd. Verwezen wordt naar het gestelde onder het thema “nieuwe ontsluiting Dijkgraaf Poschlaan-kruising N247/244”.

Hoewel de realisering van de woonwijk gefaseerd zal plaatsvinden, staat de ontwikkeling van de gemeente en de bevolking uiteraard niet stil. Op de middellange en langere termijn zal tegemoet worden gekomen aan de autonome groei van de verkeersstromen, de wens tot een betere doorstroming, een evenwichtigere spreiding van verkeersstromen naar de N247 resp. N244 toe en een algemeen streven tot verbetering van de luchtkwaliteit en geluidssituatie door aanleg van een derde ontsluitingsweg richting de provinciale wegen N244/N247. In plaats van twee aantakkingen van de huidige wegenstructuur van het stedelijk gebied van de gemeente op de N247, zal deze dan via drie aantakkingen (waarvan één rechtstreeks op de N244) plaatsvinden. Door de gelijkmatige spreiding van het verkeer over deze drie hoofdaantakkingen, leidt dit direct tot een aanzienlijke vermindering van het aantal verkeersbewegingen op de twee huidige aantakkingen op de N247 (Julianaweg en Singelweg) en dus een verbetering van luchtkwaliteit.

Een besluit hiertoe is reeds genomen door de gemeenteraad en voor het noodzakelijke onderzoek en procedures is een krediet ter beschikking gesteld.

Bij brief van 19 december 2005 is door de staatssecretaris van VROM de conceptregeling Saldering Luchtkwaliteit 2005 aan de Kamer gestuurd. Voor de vraag of voldaan kan worden aan artikel 7, lid 3 van het Blk 2005 is met name artikel 5 van deze conceptregeling van belang. Dit artikel noemt een drietal criteria die moeten worden beoordeeld.

In de eerste plaats moet het salderingsgebied een functionele of geografische samenhang vertonen met het plangebied. Nu de voorzitter van de afdeling in voorlopige voorziening heeft beoordeeld dat andere wegen buiten het plangebied bij de afweging betrokken dienen te worden in het kader van de ruimtelijke afweging, kan niet worden ingezien dat de voorgenomen aan te leggen derde ontsluitingsweg daarmee geen geografische samenhang zou bezitten. Bovendien heeft de weg een duidelijke functionele samenhang met het plangebied ten aanzien van de ontsluiting richting provinciale wegen N244/N247.

In de tweede plaats moet de samenhangende maatregel ter vermindering in beginsel gelijktijdig met de te compenseren maatregelen worden uitgevoerd. Er is al op gewezen dat de raad heeft uitgesproken dat de derde ontsluiting er moet komen en het krediet voor de noodzakelijke onderzoeken en procedures ter beschikking heeft gesteld. Bovendien is de financiering van de weg geregeld in de exploitatie van het plan Zuidpolder-Oost.
De gerechtvaardigde toekomstverwachting is derhalve dat op het moment van oplevering van de laatste woningen van het plangebied (omstreeks 2011 à 2012) de gemeente beschikt over een derde ontsluitingsweg en de gehele gemeente voldoet aan het Blk 2005. Berekeningen tonen aan dat na het gereed komen van de derde ontsluiting geen overschrijdingen van de normen van het Blk 2005 meer zullen optreden. Zie hiervoor de bijlage nr. 6.

In de derde plaats dienen waarborgen te worden getroffen, opdat de maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Het feit dat in de exploitatieopzet van de wijk de financiering van de weg is meegenomen, biedt naar ons oordeel een solide basis voor uitvoering van de maatregel.

Samengevat kan derhalve worden gesteld dat voldaan wordt aan artikel 7, lid 3 Blk 2005 en er vanuit deze regeling geen beletsel is voor het bestemmingsplan Zuidpolder-Oost. De beroepen dienen voor op dit punt inhoudelijk dan ook ongegrond worden verklaard.

Secundaire ontsluitingsweg
Op de bezwaren m.b.t. de secundaire ontsluitingsweg uitkomend op de Keetzijde is uitvoerig ingegaan in zowel het raadsvoorstel en ons verweer naar de provincie. De noodzaak van de weg is daarin uitvoerig belicht. Naar onze mening is er geen overlast van de weg te verwachten voor betrokkenen. Overigens is in het bestemmingsplan ook in het oostelijk deel van het plangebied een tweede secundaire ontsluiting opgenomen.

Naast het feit dat de aansluiting van de secundaire weg vanuit het plangebied op de Keetzijde op ruime afstand van de woning van appellanten die aan het Oorgat wonen (aan de tuinzijde zijn de percelen van de bewoners van het Oorgat begrensd door een waterpartij de Nieuwe Haven en de bestaande weg de Keetzijde), is gelegen, zal ook voor appellanten die aan de Keetzijde wonen, de overlast beperkt van aard zijn. De secundaire weg zal slechts een geringe toename impliceren van het aantal vervoersbewegingen op de Keetzijde, die als 30 km zone is ingericht. Het gaat hier om een sub-ontsluiting aan de westzijde van de wijk die niet voor woon-werkverkeer gebruikt zal worden, maar in hoofdzaak voor lokaal bestemmingsverkeer richting het centrum van Edam. De weg zal worden vormgegeven met verkeersbelemmerende maatregelen, waardoor deze een duidelijk secundair karakter en inrichting krijgt. Een ontsluiting aan deze zijde is om redenen van calamiteiten onontbeerlijk. Hoewel het zoveel mogelijk tegengaan van hinder bij de inrichting van de ontsluiting een uitvoeringsaspect is dat los staat van het planologisch kader, zal er uiteraard alles aan gedaan worden om overlast te beperken. Verder is nog van belang dat op grond van artikel 74 Wgh voor wegen aangewezen tot 30 km zone, geen geluidszones gelden en op grond daarvan een geluidsonderzoek in principe niet verplicht is. De verwachting is dat gezien de geringe verkeersintensiteit geen sprake zal zijn van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde.

Het plan biedt zowel via plankaart als de beschrijving in hoofdlijnen waarborgen dat de weg een functie vervult als ontsluiting van het zorgcomplex en als secundaire/ondergeschikte ontsluiting van de woonwijk. Beleid van de gemeente is dat over concrete inrichting van wegen overleg wordt gevoerd met omwonenden (nota burgerparticipatie).

Milieueffectrapportage
Door een aantal appellanten is gesuggereerd dat een mer nodig zou zijn. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage is bij de vaststelling van een ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet en waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat buiten de bebouwde kom, een mer nodig. Het plangebied omvat de bouw van 1.200 woningen. Derhalve is een mer niet noodzakelijk. Dat laat verder onverlet dat aan alle genoemde aspecten als verkeer, natuur en milieu e.d. uitdrukkelijk aandacht is besteed en een zorgvuldige afweging van al deze aspecten heeft plaatsgevonden.

Ook is gesuggereerd dat bij de uitwerking van het Streekplan Noord-Holland Zuid de Zuidpolder-Oost in dat kader aan een mer onderworpen had moeten worden. Onderhavige plangebied de Zuidpolder-Oost maakt geen onderdeel uit van de streekplanuitwerking Waterlands Wonen, waar bij de voorbereiding van het besluit tot uitwerking van de woningbouwopgave voor de regio Waterland, de woningbouwmogelijkheden aan een vrijwillige milieueffectrapportage zijn onderworpen. Het plangebied is reeds met een rode contour aangegeven in het geldende Streekplan Noord-Holland Zuid.

Vrijwaringsgebied
Door enkele appellanten is dit aspect onder de aandacht gebracht. Voor wat betreft de vrijwaringszone is uitgebreid stilgestaan in de plantoelichting (hfst. 3.6 keur op de Waterkeringen en hfst. 3.4). De in het streekplan vermelde zonediepte wordt indicatief genoemd en is niet op plaatselijke omstandigheden afgestemd. Zoals het streekplan ook vermeld, is daarover afstemming noodzakelijk. Dit wordt nader bepaald in overleg met provincie, het waterschap en gemeente, hetgeen ook is gebeurd. Daarnaast ligt hier een uitvoerige afweging aan ten grondslag (zie eerder genoemde hoofdstukken). Voor wat betreft het binnendijks gebied is het Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier het bevoegde gezag t.a.v. de waterkering en de daarbij horende beschermingszone en heeft zij vanuit haar bevoegdheid ingestemd met een zone die 75 m. vanaf de kant van de weg langs de dijk ligt. Concluderend is de afstand van 75 m. in overeenstemming met het bepaalde in het Streekplan tot stand gekomen.

Ecologie
Ecologie vormt een aspect waarop binnen het kader van dit bestemmingsplan uitvoerig is ingegaan. Vanuit een zo evenwichtig mogelijke verdeling van de ruimte, de noodzakelijke ruimte voor de woning- en zorgbehoefte en de in het gebied aanwezige belemmeringen is er nadrukkelijk voor gezorgd het uitgangspunt tot het behoud van zoveel mogelijk groen in ere te houden. Dertig procent van het plangebied blijft bestaan uit water en groen. Er kan en wordt juist een kwalitatieve verbetering van de leefomstandigheden geschapen door (diversiteit) van flora en fauna. Door de ontwikkeling van de wijk bestaan er thans kansen en middelen om de flora (en als gevolg daarvan het leefgebied van de fauna) te versterken in de te ontwikkelen randzone. Het gemeentebestuur is van oordeel dat juist wel recht wordt gedaan aan de PEHS en weliswaar op een beperkter grondgebied een kwaliteitsverbetering kan worden bereikt van de PEHS. Overigens heeft de provincie de ligging van de PEHS (opnieuw) vastgesteld. Het gebied van de Zuidpolder maakt hier nu geen onderdeel meer van uit.

Rugstreeppad
Met betrekking tot de diersoorten hebben wij in onze reactie op de zienswijzen en bedenkingen inhoudelijk gereageerd. Het onderzoek dat in het kader van de flora- en faunawetgeving is verricht, betreft een volledig deskundig onderzoek naar alle voorkomende flora en fauna. Verwezen wordt naar hoofdstuk 2.4 van de plantoelichting. Als bijlage treft u het in opdracht van de gemeente verrichte onderzoek door
Van der Goes en Groot aan (bijlage nr. 7a).

In verband met de aanwezigheid van de rugstreeppad in het plangebied, het pioniergedrag van de rugstreeppad en omdat er sprake is van een zekere tijdsverloop vanwege de (bezwaren)procedure, is een ontheffing op grond van de flora- en faunawet aangevraagd en op 15 augustus 2005 verleend door het ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij. Dat hiertegen door 1 appellant bezwaar is aangekend, achten wij in dit verband niet relevant. Daarnaast blijkt ingevolge de richtlijnen van het ministerie de ontheffing alleen nodig te zijn voor de rugstreeppad. Voor algemene beschermde soorten geldt een algehele vrijstelling onder specifieke voorwaarden met daaraan gekoppeld een zorgplicht. Voor wat betreft weidevogels, vinden activiteiten ten behoeve van de realisatie van de woonwijk ruim plaats buiten het broedseizoen, zoals ook is afgestemd in het kader van de aan het ministerie van LNV gevraagde ontheffing. Uit het verrichte onderzoek blijkt voorts, dat de locatie waar de rugstreeppad is aangetroffen, ongemoeid wordt gelaten. Daarnaast worden er passende compenserende maatregelen getroffen.

Vogel- en Habitatrichtlijn
De effecten hierop zijn beschreven in bestemmingsplantoelichting die is gebaseerd op een onderliggend onderzoek verricht door Van der Goes en Groot. Het onderzoeksrapport van Van der Goes en Groot en telgegevens waarop de conclusies in het onderzoeksrapport zijn gebaseerd, zijn als bijlage nr. 7a en nr. 7b bijgevoegd. Wij zijn van mening dat voldoende is onderzocht wat de gevolgen zijn van het plan voor de Markermeer dat als Speciale Beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid van de Vogelrichtlijn is aangewezen.

Zonneklaar is dat het plangebied Zuidpolder-Oost niet is aangewezen als beschermd gebied in de zin van de Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Bijgevoegde kaart waarop het vogelrichtlijngebied in blauwe kleur is aangegeven, geeft dit aan (zie bijlage nr. 8). Ook de zuidpolderzeedijk als gesuggereerd door een appellant is eveneens niet opgenomen in het vogelrichtlijngebied. Het plangebied genereert eveneens geen ontwikkelingen binnen de Speciale Beschermingszone het Markermeer. Van een verdwijnen van wateroppervlak en daarmee een resulterende afname aan geschikt foerageer- en rustgebied is geen sprake. Omdat dus geen sprake zal zijn van een afname van functie en soort, is voor wat betreft “directe effecten op vogels” een beoordeling in die zin op “significant negatief” niet aan de orde.

Wel grenst het gebied aan het vogelrichtlijngebied de Markermeer. Het bewuste Markermeergebied waar het plangebied aan grenst, is overigens niet aangemerkt als beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn. Het gebied de Gouwzee dat wel als Habitatrichtlijn is aangewezen, ligt te ver verwijderd van het plangebied om enig effect te kunnen hebben op dit gebied.

Naar de externe werking c.q. de indirecte effecten op vogels in het vogelrichtlijngebied het Markermeer heeft de gemeente onderzoek laten uitvoeren. Een onderzoek moet inzichtelijk maken of de woningbouw significante gevolgen heeft voor de te beschermen belangen van het gebied. Aan de effecten c.q. de externe werking van de ontwikkeling van het plangebied op het Vogelrichtlijngebied, is in het flora- en faunaonderzoek expliciet aandacht besteed. Verwezen wordt naar hoofdstuk 3.2 van de plantoelichting met als basis het in opdracht van ons verrichte onderzoek door Van der Goes en Groot. Samengevat heeft de voorgenomen woningbouw om de volgende redenen geen significante gevolgen voor de beschermingszone Markermeer:
- de aanwezige dijk tussen de geluidsbron en het Markermeer zal de tijdelijke verstoring in de vorm van geluidshinder dempen;
- van de beschermde soorten in het Markermeer maakt slechts een beperkt aantal soorten gebruik van binnenlandse polders, namelijk alleen Kleine zwaan, Meerkoet, Slobeend en Smient. De locatie Zuidpolder-Oost is voor deze soorten echter van gering belang. Onderzoekers geven aan dat genoemde soorten het plange

2 reacties

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.

  • tijmon bij 't vuur

    Jazeker wel, als ik het goed heb zit Gina Sombroek in het bestuur bij Zorgcirkel.

  • Nederland is verloren met dank aan links, ziekelijk, en maar toegeven en excuses aanbieden voor iets van eeuwen terug, idioterie ten top