Nick,
Vóór, tijdens en na de oorlog was Nederland behoorlijk antisemitisch. Ook bij de overheid en politici.
Joden waren “het buitengewoon onaantrekkelijk genre van onze meeste réfugiés” (Jonkheer van Lennep)
en
“Ik ben helemaal geen antisemiet, maar als de minister een Jood tot gezant wilde benoemen, dan zou ik dat hem sterk moeten ontraden”.
Denk ook aan de kille ontvangst van overlevende, teruggekeerde Joden van wie de huizen waren ingepikt en door de overheid met onbetaalde belastingen werden geconfronteerd.
Op 4 mei 2020 liet koning Willem-Alexanderzich tijdens de Nationale dodenherdenking, 75 jaar na de bevrijding, daar kritisch over uit. Hij had geconstateerd dat medeburgers in nood zich in de steek gelaten hadden gevoeld, ook door zijn overgrootmoeder.
Wij spraken destijds over Joden zoals nu door velen over moslims en asielmigranten wordt gesproken. Mensen die tijdens de oorlog Joden lieten onderduiken zouden diezelfde figuren nu waarschijnlijk als ‘woke’ bestempelen.
Bij het vernoemen van de straat naar van Baar destijds was dat dus niet zo’n enorme sta in de weg. De bevolking ‘ervaarde’ het overdragen van Joden kennelijk als niet zo erg.
Pas in de jaren ‘80 kwam het op dat wij Christenen gezamenlijke wortels zouden hebben met Joden. Een bedenksel van Bolkestein. En nu, weer later, wil Mona Keijzer dat antisemitisme aandacht krijgt bij de inburgeringscursus.
Als iemand graag met een onderbord in de weer wil kan dat ook na naamsverandering. Met uitleg over de geschiedenis van de straat.