Naar de inhoud

Pleitnota bij RVS

Bron: Mr. Ellerman namens gemeente

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum zitting: 4 augustus 2006 om 10.00 uur

Zaaknummer: 200508299/1/R1

PLEITNOTITIES van mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam,
gemachtigde van de Gemeenteraad Edam-Volendam

Inzake: de beroepen van: 

  • J.P. Breed; 
  • W. de Ruiter, gemachtigde: mr. De Rooij, Rechtsbijstand Mobiliteits-branche; 
  • B.C.J. Hauwert en K.M.E. Leeuwen, gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen, DAS Rechtsbijstand; 
  • A.P.M. Stallenberg, A. Vink, P. Rietveld, W. Breed, gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen, DAS Rechtsbijstand; 
  • Vereniging “Denken voor Doen” en Stichting “Ook vogels hebben bouwdrift”, gemachtigde: mr. L.D.M. Hamer; 
  • G.J. Breed; 
  • Vereniging Oud Edam; 
  • D. Tump, gemachtigde: mr. A.G. Koster; 
  • J. Buijs, gemachtigde: mr. A.G. Koster; 
  • Stichting Behoud Waterland; 
  • T. Lust e.a.; 
  • IJsselmeervereniging en  J.J. Huber,

met betrekking tot het besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 23 augustus 2005 (kenmerk: 2005-8593) waarbij Gedeputeerde Staten hebben beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan “Zuidpolder-Oost”. 

1. Inleiding

1.1
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt beoogd een nieuwe woonwijk te realiseren in de Zuidpolder, een gebied dat globaal begrensd wordt door de Noorder IJ- en Zeedijk, de Keetzijde en de Volgertocht. Het gebied sluit aan bij de bestaande bebouwing van de gemeente. Op dit moment bestaat het plangebied nog voornamelijk uit agrarisch veenweidegebied. Het bestemmingsplan voorziet onder meer in de realisatie van circa 1.050 woningen en een complex met circa 150 zorgwoningen.

1.2
De toevoeging van deze woningen is, mede in verband met het achterblijven van de woningbouwproductie in de regio, dringend gewenst en er is de gemeente dan ook veel aan gelegen op korte termijn tot realisering van het bestemmingsplan over te kunnen gaan. Op dit moment is de locatie Zuidpolder de enige locatie binnen de gemeente waarvoor een bestemmingsplan is opgesteld dat in nieuwbouw voorziet en dat zo ver in de procedure is dat daadwerkelijk op korte termijn gebouwd kan worden. Dat betekent dat als het goedkeuringsbesluit geen stand zou houden, er de komende tijd geen woningen bijgebouwd kunnen worden. Daarmee is ook duidelijk dat er grote gemeentelijke belangen betrokken zijn bij dit bestemmingsplan.

1.3
Bij het opstellen van het bestemmingsplan is de gemeente niet over één nacht ijs gegaan. Aan het bestemmingsplan liggen uitgebreide onderzoeksrapporten ten grondslag, waarbij aandacht is besteed aan de inpassing in de omgeving, de effecten op de aanwezige natuurwaarden en het milieu en de ontsluiting van de nieuwe woonwijk.

1.4
De woonwijk wordt ontsloten via een ontsluitingsweg aan de Zuidkant via de Dijkgraaf de Ruiterlaan. Vanaf daar kan het verkeer twee kanten uit in de richting van de N247. Daarnaast wordt in het bestemmingsplan voorzien in een secondaire ontsluitingsweg, voorzien van verkeersbelemmerende maatregelen, aan de Westzijde die aantakt op de Keetzijde en een secondaire ontsluiting aan de Oostzijde. De wijk zelf is verkeersluw, waarbij een 30 kilometer per uur regiem wordt ingesteld.

1.5
In de “Regiovisie Waterland, levend landschap met kwaliteit door contrast” is de Zuidpolder aangewezen als woningbouwlocatie voor ongeveer 1.200 woningen tot 2010. Ook in het streekplan Noord-Holland Zuid is de Zuidpolder aangewezen als uitleglocatie ten behoeve van woningbouw. De locatie ligt binnen de rode contour en maakt deel uit van het woningbouwprogramma voor de regio.

1.6
In de Structuurvisie Edam-Volendam is onderzoek gedaan naar de bevolkingsontwikkeling en de woningbehoefte binnen de gemeente tot 2010. Tussen 2001 en 2010 wordt rekening gehouden met een bevolkingstoename van circa 1.300. Dat betekent dat de woningbehoefte voor die periode minimaal circa 1.200 woningen bedraagt. Dat die behoefte ook daadwerkelijk aanwezig is, moge blijken uit het feit dat zich reeds 1900 gegadigden hebben ingeschreven voor de nieuwbouwwoningen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de in het bestemmingsplan voorziene nieuwbouw past in provinciaal en gemeentelijk beleid.

1.7
In het bestemmingsplan is tevens voorzien in de realisering van een complex zorgwoningen. Er is in de gemeente een groeiende behoefte aan een dergelijke voorziening als gevolg van de excessieve toename van de vergrijzing binnen de gemeente. De toename van het aantal 75-plussers ligt ver boven het landelijk gemiddelde. Hierdoor zal het voorzieningenniveau voor 24-uurs zorg sterk uitgebreid moeten worden. Het Ministerie van VROM heeft daartoe een bouwopdracht gegeven voor de gemeenten in de Zaanstreek en Waterland, die voor de gemeente Edam-Volendam neerkomt op een noodzakelijke uitbreiding van circa 376 plaatsen wat betreft de intramurale capaciteit en nog eens datzelfde aantal voor verzorgd wonen. Aldus moet geconstateerd worden dat er een grote behoefte is aan zorgwoningen. Het bestemmingsplan voorziet met 150 zorgeenheden slechts in een deel van die behoefte. Omdat de wijze waarop die zorg wordt verleend ook meer wordt toegesneden op de specifieke behoefte wordt in het bestemmingsplan uitgegaan van een nieuw zorgconcept waarbij naast koop- en huurwoningen voor senioren die nog in staat zijn zelfstandig te wonen, maar incidenteel extra hulp nodig hebben ook een “doorgroeimogelijkheid” bestaat via uitgebreidere zorg naar intramurale 24-uurszorg.

1.8
Het bestemmingsplan is een globaal eindplan met enkele gedetailleerde bestemmingen. In de beschrijving in hoofdlijnen (artikel 4) zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten opgenomen voor het plangebied in zijn geheel en voor de verschillende deelgebieden afzonderlijk. De beschrijving in hoofdlijnen vormt, zoals in de toelichting bij artikel 4 is vermeld, naast de doeleindenvoorschriften het toetsingskader voor aanvragen voor bouwvergunningen. In de doeleindenvoorschriften zelf is dan ook steeds verwezen naar de beschrijving in hoofdlijnen. Die beschrijving in hoofdlijnen zal dan ook bij de ontwikkeling van bouwplannen in acht genomen moeten worden.

1.9
Dat geldt in ieder geval ook voor bebouwing binnen de bestemming “maatschappelijke doeleinden”. In artikel 7 van de planvoorschriften is de maximale hoogte, alsmede het maximale bebouwingspercentage voor het woonzorgcomplex vastgelegd. Op deze bestemming betrekking hebbende bouwplannen zullen daarnaast ook moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 4, lid 2, onder e. Dat wil zeggen dat het woonzorgcomplex zal bestaan uit een aantal gebouwen, dat een gelaagde structuur in de bebouwing moet worden aangebracht, waarbij de hoogste bebouwing niet aan de kant van de Keetzijde en ook niet aan de Westkant richting het sportcomplex EVC gesitueerd mag worden en dat naar een geleidelijke toename in hoogte gestreefd wordt. Anders dan de StAB meent, zal dan ook voor een bouwplan dat niet voldoet aan de beschrijving in hoofdlijnen, geen bouwvergunning worden verleend.

1.10
Andere belangrijke aandachtspunten in het bestemmingsplan vormen het ontzien van de Noorder IJ- en Zeedijk welke is aangewezen als provinciaal monument en geografisch van zeer hoge waarde is en het behoud en waar mogelijk versterking van natuurwaarden.

1.11
In het bestemmingsplan is voorzien in een bebouwingsvrije (vrijwarings-)zone van 75 meter vanaf de kant van de weg langs de dijk. Met de weg erbij is de afstand tot de dijk circa 81 tot 85 meter. Daarmee blijft het open karakter, de zichtlijnen en de recreatieve belevingswaarde van de dijk behouden en wordt de cultuurhistorische waarde gerespecteerd. De bebouwingsvrije zone van 75 meter is ook voldoende om verhoging en versterking van de dijk te laten plaatsvinden. Aldus wordt voldaan aan de uitgangspunten die hebben geleid tot de aanwijzing van de dijk tot provinciaal monument en aan de waterstaatkundige belangen.

1.12
De vrijwaringszone is grotendeels bestemd als “natuurpark”. In de bestemming natuurpark zal met aanwending van de middelen uit de exploitatie van het te ontwikkelen woongebied worden ingezet op versterking en ontwikkeling van de flora en fauna. Ter plaatse zal een aantal specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op het behoud van een geschikt leefgebied voor een aantal specifieke soorten. Bij de inrichting van het natuurpark zal daarmee rekening worden gehouden. Op basis van het onderzoek van het Ecologische Adviesbureau Van der Goes en Groot heeft de gemeenteraad geconcludeerd dat de in het plangebied zelf aanwezige natuurwaarden, gelet op het tot voor kort agrarisch gebruik van het plangebied, niet bijzonder zijn. De voor de Rugstreeppad benodigde ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet, is op basis van het uitgevoerde onderzoek verleend.

1.13
Voor de weidevogels zal het verlies aan broedgebied weliswaar tot gevolg hebben dat dit broedgebied grotendeels verdwijnt, maar gezien de uitwijkmogelijkheid naar het beschermd veenweidegebied “De Zeevang” en andere weidegronden in de omgeving, behoeft dat niet in de weg te staan aan de realisering van het bestemmingsplan. Aangezien geen sprake is van vaste rust- of verblijfplaatsen en de bouwwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd buiten het broedseizoen, zal daarbij geen sprake zijn van verstoring (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 augustus 2003, 200204733/1, gemeente Aalten).

1.14
Ten aanzien van de effecten van het bestemmingsplan op de nabijgelegen Speciale Beschermingszone is eveneens door Van der Goes en Groot onderzoek gedaan. In het hiervoor genoemde onderzoek is aangegeven dat de kwalificerende soorten het plangebied nauwelijks zullen gebruiken. Op basis daarvan heeft de gemeenteraad in de toelichting bij het bestemmingsplan geconcludeerd dat de realisatie van het bestemmingsplan geen significante gevolgen zal hebben voor het beschermde gebied. Het rapport “Habitattoets Zuidpolder-Oost” uit 2006, bevestigt nogmaals die conclusie. Ook ten aanzien van de Polder Zeevang zullen blijkens dit rapport geen significante effecten optreden. Gezien de overeenkomsten in biotoop tussen de Zeevang en de Zuidpolder, is het zonder meer aannemelijk dat de vogels die vanuit de Markermeer en Polder Zeevang foerageren in de Zuidpolder, gemakkelijk kunnen uitwijken.

2. Ten aanzien van de ingediende beroepen

2.1
Op de ingediende beroepen en het verslag van de StAB is reeds uitgebreid ingegaan in de schriftelijke uiteenzetting van 3 februari 2006 en de brief van 21 juni 2006. Om die reden wordt hier volstaan met een aantal korte opmerkingen op de hoofdpunten.

2.2
Wat betreft de verkeersontsluiting wijst de gemeenteraad er op dat de gemeenteraad zich primair op het standpunt stelt dat geen sprake is van een toename van verkeersbewegingen maar slechts van een verplaatsing aangezien de meeste nieuwe bewoners reeds in Volendam-Edam woonachtig zijn. Ook als wordt uitgegaan van nieuwe verkeersbewegingen, is de capaciteit van de bestaande wegen voldoende om het verwachte aantal van 7.200 extra verkeersbewegingen dat door de nieuwe woonwijk gegenereerd zal worden te verwerken. Gezien het feit dat die wegen sinds de vaststelling van de structuurvisie zodanig zijn aangepast, dat deze ook wat verkeersveiligheid betreft, voldoen aan de normen, is er op zichzelf geen reden om de beschikbare wegcapaciteit van 20.000 motorvoertuigen per etmaal niet te benutten. Toen de voorzieningen nog niet waren getroffen was er naar het oordeel van de gemeenteraad reden een verkeerscapaciteit van maximaal 11.000 motorvoertuigen per etmaal aan te houden. Uit berekeningen met betrekking tot het drukste kruispunt in het centrumgebied van Volendam (de rotonde Julianaweg – Zeestraat) blijkt dat in de huidige situatie slechts 55% van de wegcapaciteit wordt gebruikt. Na realisatie van de woonwijk zal dat ongeveer 80% zijn. Dat betekent dat ook na planrealisatie de maximum capaciteit van bestaande wegen nog niet is bereikt. Zelfs als alle 7.200 verkeersbewegingen die door het nieuwbouwplan gegenereerd worden nieuwe verkeersbewegingen zijn, zullen er derhalve geen verkeersproblemen te verwachten zijn.

2.3
Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg waarvan de aanleg, anders dan in de uitspraak van de Voorzitter van 22 december 2005 is vermeld, geenszins onduidelijk is. Zoals in het verweerschrift is aangegeven, heeft de gemeenteraad de financiële middelen ten behoeve van de onderzoeken in het kader van de voor de aanleg van die weg vereiste m.e.r.-procedure beschikbaar gesteld en heeft ook de provincie ingestemd met de nieuwe ontsluiting. De voorbereiding van de m.e.r. procedure is inmiddels gestart. Wanneer de ontsluiting gerealiseerd zal zijn, zal dat leiden tot een afname van de verkeersintensiteiten op de bestaande wegen met circa 30%.

2.4
Ten aanzien van de luchtkwaliteit merkt de gemeenteraad op dat uit de in het kader van het goedkeuringsbesluit uitgevoerde berekeningen is gebleken dat in de huidige situatie, dus zonder planrealisatie, de daggemiddelde grenswaarde voor fijn stof als genoemd in het Besluit luchtkwaliteit 2005, slechts op één locatie, te weten aan de Julianaweg, ter hoogte van de Prinses Beatrixstraat, op grote afstand van de woonwijk, wordt overschreden. Gezien het feit dat blijkens de lijst van ingeschrevenen voor de nieuwbouwwoningen slechts sprake zijn van een verplaatsing van verkeersbewegingen en geen toename, zal het effect van planrealisering op de luchtkwaliteit nihil zijn. Van belang is voorts dat uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van de geprojecteerde hoofdontsluiting, op het naar verwachting meest verkeersintensieve punt, geen sprake is van overschrijding van de grenswaarden.

2.5
Bovendien zal, zoals uit de bij de schriftelijke uiteenzetting gevoegde berekeningen blijkt, de aanleg van de derde ontsluitingen een positief effect hebben op de luchtkwaliteit en zal daarmee de hiervoor genoemde overschrijding ter plaatse van de Julianaweg zich niet meer voordoen.

2.6
Door appellant Hauwert is een bezonningsstudie van bureau Peutz ingediend. Uit deze studie zou blijken dat het woonzorgcomplex voor meer schaduw zou zorgen dan waar de gemeente en ook de StAB van uit gaan. In die studie is ten onrechte uitgegaan van bebouwing van 22 meter aan de rand van de bestemming “maatschappelijke doeleinden” en bovendien is ten onrechte gerekend met een verhoging van het maaiveld ter plaatse van het complex. De gronden waarop het complex gerealiseerd zal worden, worden weliswaar opgehoogd maar na inklinking zal het niveau zelf circa 1 meter lager zijn dan ter plaatse van de woning van appellant aan het Keetzijde-dijkje. Overigens blijkt uit de studie dat er alleen in de wintermaanden, wanneer er toch al minder zon is, enkele uren per dag sprake zal zijn van extra schaduw als gevolg van de bebouwing. In de zomermaanden is het effect van de bebouwing te verwaarlozen.

3. Conclusie

3.1 Concluderend is de gemeenteraad van oordeel dat aan het bestemmingsplan voldoende en zorgvuldig uitgevoerd onderzoek ten grondslag ligt en Gedeputeerde Staten het bestemmingsplan dan ook terecht hebben goedgekeurd. De gemeenteraad verzoekt u dan ook de beroepen ongegrond te verklaren en het goedkeuringsbesluit in stand te laten.

Deze zaak wordt behandeld doormr. J.C. Ellerman

Postbus 75505 1070 AM Amsterdam T 020 - 605 63 62 F 020 - 605 67 04


h.ellerman@houthoff.com


Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.