Naar de inhoud

Pleitnota bij RVS

Bron: Mr. van der Steen namens provincie Noord-Holland

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State Pleitaantekeningen
4 augustus 2006, nr. 200508299/1/R1 mr. F.W.J. van der Steen

namens:
Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, gemachtigde: mr. F.W.J. van der Steen

betreffende de beroepen van: 

  1. J.P. Breed 
  2.  W. de Ruiter, gemachtigde: mr De Rooij, Rechtsbijstand Mobiliteitsbranche 
  3.  B.C.J. Hauwert en K.M.E. Leeuwen, gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen, DAS Rechtsbijstand 
  4. A.P.M. Stallenberg, A. Vink, P. Rietveld, W. Breed, gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen, DAS Rechtsbijstand 
  5. Vereniging “Denken voor Doen” en Stichting “Ook vogels hebben bouwdrift”, gemachtigde: mr. L.D.M. Hamer 
  6. G.J. Breed 
  7. Vereniging Oud Edam 
  8. D. Tump, gemachtigde: mr. A.G. Koster 
  9. J. Buijs, gemachtigde: mr. A.G. Koster 
  10. Stichting Behoud Waterland 
  11. T. Lust e.a. 
  12. IJsselmeervereniging 
  13. J.J. Huber

tegen:
Het besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 23 augustus 2005, kenmerk 2005-8593 tot goedkeuring van het bestemmingsplan Zuidpolder-Oost te Edam-Volendam

Inleiding
Aan de mondelinge behandeling van de onderhavige beroepen is een uitgebreide uitwisseling van schriftelijke stukken voorafgegaan. In de reactie op het deskundigenverslag van de StAB van 19 juli jl. is reeds uiteengezet dat het onderhavige bestemmingsplan in overeenstemming is met het Streekplan, aangezien rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische en ecologische waarden. GS zullen zich vandaag dan ook beperken tot de overige kernpunten van de onderhavige beroepen. Allereerst zal daarbij worden ingegaan op de punten die aan de orde zijn geweest in de uitspraak van de Voorzitter van uw Afdeling van 22 december 2005. Daarna zal worden ingegaan op een aantal aspecten die appellanten hebben aangehaald in hun reactie op het deskundigenverslag van de StAB.

Uitspraak Voorzitter: Ontsluiting, Luchtkwaliteit en SBZ
In zijn uitspraak van 22 december 2005 heeft de Voorzitter de werking van het goedkeuringsbesluit geschorst om een aantal redenen. Ten eerste was de Voorzitter op voorhand niet overtuigd dat in een toereikende verkeersafwikkeling was voorzien (ontsluiting). Voorts was volgens de Voorzitter onzeker of is voldaan aan de eisen van het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (“ Blk 2005”). Tot slot achtte de Voorzitter het niet uitgesloten dat de voorgenomen ontwikkelingen significante gevolgen zou hebben voor de betrokken Speciale Beschermingszone, Markermeer. Ten aanzien van deze onderwerpen was de Voorzitter van oordeel dat nader onderzoek nodig was, waarvoor de onderhavige procedure, de bodemprocedure, zich beter zou lenen.

Ontsluiting:
GS menen dat op basis van de overgelegde stukken geconcludeerd kan worden dat sprake is van een toereikende verkeersafwikkeling. In het bestreden besluit hebben GS op basis van een uitgebreid verkeersonderzoek geconcludeerd dat de woningbouwontwikkeling niet tot on­overkomelijke verkeersproblemen zou leiden. GS meenden dat zij zich reeds op basis van dit onderzoek in redelijkheid op het standpunt hadden kunnen stellen dat de bestaande wegcapaciteit toereikend is om het extra verkeer van de nieuwe woonwijk te verzekeren. GS hadden - onder meer bij gebreke aan een andersluidend deskundigen onderzoek - immers geen redenen om aan de uitkomsten van het onderzoek te twijfelen. De gemeente heeft niettemin hangende de beroepsprocedure nader onderzoek laten uitvoeren door de door haar ingeschakelde deskundige, Goudappel Coffeng. Hierin wordt de eerdere conclusie van GS bevestigd. Bovendien geldt dat via de N247, waarover thans reeds besluiten zijn genomen, een nieuwe hoofdontsluiting zal worden gemaakt. GS menen dan ook dat zij voor wat betreft de ontsluiting het bestemmingsplan in redelijkheid hebben kunnen goedkeuren. In dit opzicht dienen de beroepen derhalve ongegrond te worden verklaard.

Blk 2005:
Ook het Blk 2005 staat niet in de weg aan goedkeuring van het bestemmingsplan. Uit het door de gemeente uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek, dat ten grondslag lag aan het goedkeuringsbesluit, hadden GS reeds afgeleid dat in het plangebied geen overschrijding van de grenswaarden viel te verwachten. Dit is nog eens bevestigd in de onderzoeken die de gemeente, naar aanleiding van voornoemde uitspraak van uw Voorzitter, heeft uitgevoerd. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Markermeer:
Tot slot is van belang dat nader ecologisch deskundigenonderzoek van het bureau Van der Goes en Groot de stelling van GS heeft bevestigd dat geen sprake is van significante gevolgen voor de in de SBZ de Markermeer (en polder Zeevang) beschermde soorten. Ook in dit opzicht zijn de beroepen ongegrond.

Al met al is duidelijk dat op basis van het vorenstaande vastgesteld kan worden dat de door de Voorzitter genoemde punten geen belemmering zijn voor goedkeuring van het bestemmingsplan.

Aantal te bouwen woningen
GS hechten er voorts aan in te gaan op het aantal te bouwen woningen, aangezien appellanten daar in de reactie op het StAB-advies nog eens aandacht aan hebben besteed. Op 17 februari 2003 is het Streekplan Noord-Holland Zuid door provinciale staten vastgesteld. De nieuwe bouwopgave in het Streekplan voor de regio Waterland tot 2020 bedraagt 6000 woningen. Het plangebied maakt onderdeel uit van de regio Waterland. Het Streekplan heeft als doel om 50% (3000) woningen) binnenstedelijk en 50% buitenstedelijk te realiseren via uitleglocaties. Bij de vaststelling van het Streekplan is de Zuidpolder aangewezen als uitleglocatie en dus als woningbouwlocatie.

De Streekplanuitwerking Waterland Wonen is op 28 februari jl. vastgesteld. De Zuidpolder maakt geen onderdeel uit van dit uitwerkingsplan, maar de regionale opvang in de Zuidpolder vormt wel onderdeel van het regionale woningbouwprogramma. De streekplanuitwerking gaat uit van de realisatie van 1050 woningen in het plangebied “de Zuidpolder”.

GS hebben het goedkeuringsbesluit met inachtneming van het regionale woningbouw-programma genomen. GS zijn er daarbij vanuit gegaan dat met het bestemmingsplan 1050 woningen kunnen worden gerealiseerd. Bij de planvorming is overigens ook steeds uitgegaan van 1050 woningen.

Vgl. bijvoorbeeld de ontwerp-streekplanuitwerking, die van 4 juli tot en met 15 augustus 2005 ter inzage heeft gelegen, alsmede het verslag van het bestuurlijk overleg Woningbouw in Waterland van 5 november 2003 (bijlage 6m bij het StAB-verslag)

GS zijn dan ook van mening dat geen M.E.R.-plicht bestaat voor het onderhavige plangebied.

De bouw van het zorgcentrum doet daar, anders dan appellanten veronderstellen, niets aan af. Het zorgcentrum wordt mogelijk gemaakt met het Stimuleringsprogramma Wonen, Welzijn en Zorg (www.wwz-nh.nl). Met dit programma ondersteunt de Provincie Noord-Holland Noord-Hollandse gemeenten door het verlenen van subsidies op het gebied van wonen, welzijn en zorg. De realisatie van het zorgcentrum in het plangebied is één van de vijf voorbeeldprojecten van het stimuleringsprogramma. Er zal een totaal-concept voor zorg aan ouderen, maar ook aan anderen die zorg behoeven (zoals de slachtoffers van de Nieuwjaarsbrand in Volendam), worden aangeboden door middel van onder meer de bouw van 150 zorgwoningen. Er is aldus geen sprake van een gewone “woonbestemming”. GS hebben er dan ook vanuit kunnen gaan dat de betreffende zorgwoningen vallen onder de bestemming “maatschappelijke doeleinden”.

Bezonning
Tot slot heeft appellant, de heer Hauwert, aan de Keetzijde 3 bij brief van 17 juli 2006 een notitie ingediend die is opgesteld door Peutz. Daarin wordt door Peutz geconcludeerd dat realisatie van het zorgcentrum een “aanmerkelijke invloed” heeft op de zontoetreding of beschaduwing van zowel de woning als de tuin van de heer Hauwert. Van een “aanmerkelijk invloed” is evenwel geen sprake.

Ten onrechte is een hoogte van 1,5 meter boven het maaiveld genomen. In dat opzicht zijn de resultaten niet representatief. De grond wordt weliswaar opgehoogd, maar na inklinking zal het vloerpeil even hoog zijn als die van de woning van appellant.

Ook uit tabel 1 van de notitie blijkt dat geen sprake is van een aanmerkelijke invloed op de bezonning. Daaruit blijkt immers dat de extra beschaduwing een periode van 25 minuten variërend tot een periode van 3 uur en 15 minuten betreft in de wintertijd. Het betreft aldus een periode waarin er toch al weinig zon is. De beschaduwing in april en augustus in de tuin betreft slechts een periode van 25 minuten in de vroege ochtend (7:50-8:15 u.). Al met al is geen sprake van een onevenredige aantasting van het woongenot van appellant, zodat het beroep van appellant ook in dit opzicht ongegrond is.

Conclusie
Op grond van het vorengaande en hetgeen reeds in de stukken is uiteengezet, zijn GS van oordeel dat zij op goede gronden tot hun besluit zijn gekomen. GS verzoeken u dan ook de beroepen ongegrond te verklaren.

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.