Naar de inhoud

Een Bezoek aan Volendam in 1908 (deel 2)

Bron: Volendams Museum en Oud Volendam

Een Bezoek aan Volendam in 1908 (deel 2)
De vorige keer is het eerste deel van een bezoek aan Volendam in 1908 gepubliceerd. Dit artikel is een hoofdstuk uit het cultuur-historische Museumjaarboek 2006 dat in de afgelopen weken bij de afnemers door de museumvrijwilligers is rondgebracht. Als u het nieuwe Museumjaarboek nog niet hebt ontvangen of u wil donateur of begunstiger worden dan kunt u dit melden bij de beheerder van het Volendams Museum Tel.: 0299 369258, Wim Keizer Tel.: 0299 365186 of Kees Tol Tel.: 0299 364769. De kosten zijn slechts
€ 5,-. U ontvangt dat het schitterende Museumjaarboek 2006 met Premiefoto. Begunstigers betalen € 12,- of meer. Zij ontvangen niet alleen een Museumjaarboek met Premiefoto maar ontvangen tevens een begunstigerskaart waarop zij het hele jaar door alle exposities in het Volendams Museum en het Sigarenbandjeshuisje kunnen bezoeken. U steunt de instandhouding en de museumactiviteiten extra. Het Volendams Museum is ook gedurende de vakantie weken iedere dag met de onmisbare hulp van de vrijwilligers open van 10.00 – 17.00 uur.

Een Bezoek aan Volendam in 1908 (deel 2): De zee als horizon
Het hoofdbestaan der bevolking is de visch-vangst. Vooral op Dinsdag, de zogenaamde Wasch-dag, wordt de in-druk, welke dit dorp-je op u maakt, nog verhoogd. Gij wandelt er dan als het ware onder guirlandes, niet van sparrengroen of bloemen, doch van helder wit en bont te drogen hangend waschgoed, dat vroolijk aan lijnen, door palen omhaag gehouden, boven uw hoofd in den wind wappert. Na deze achterbuurtjes te zijn doorgeslenterd, bereikt gij al spoedig de haven, welke direct met de zee in verbinding staat en van waar gij bij helder weer een verrukkelijk vergezicht op de Zuiderzee hebt. Recht voor u uit ziende, ontwaart gij het eiland Marken, meer rechts langs de landzijde het stadje Monnickendam, terwijl ter linkerzijde zee en horizon elkander ontmoeten. Stoere visschers, handig met hunne zeilschepen manoeuvreerend, zeilen de haven in en uit, al naar gelang zij ter vangst trekken, of hun buit ter afslag brengen. Waar uwe oogen zich wensen, overal ontmoeten zij iets bezienswaardig. Aardige, vriendelijke meisjeskopjes, guitige jongens, innemende vrouwengezichten of goedige, door weer en wind gebruinde visschers knikken u overal goeden dag. Langs de haven kunt ge best een paar uurtjes zoek brengen zonder om den tijd te denken. Vooral treffen u de eigenaardig, langs den weg zittende visschers. Uren kunnen zij, op hunne hurken, genoeglijk met elkaar de dingen van den dag zitten te bespreken. Hoe zij het in deze houding zo lang kunnen uithouden, is mij een raadsel, zij schijnen zich daarin onbewust reeds van kind af te hebben geoefend; het kan echter ook zijn, dat de beperkte ruimte op hunne schuiten tot deze gewoonte veel heeft bijgedragen.


Het slag volk

Een typisch en goedig slag volkje, die Volendammers, waarin zoo te zeggen ‘‘geen kwaad in zit’’. Behoudens enkele kermis-dagen, waneer onder een glaasje het bloed wat verhit is, hoort men er dan ook zelden van kibbelarij of vechtpartijen. De laatste twee dagen van de kermis zijn de woeligste; dan is het geheele dorp vertegenwoordigd. De haven ligt opgepropt met visscherspinken, alle visschers zijn thuis en heel het dorp is in de pret. Eens zoo’n kermis bezoekende, was ik van een woordenwisseling tusschen een paar stevige jongen visschers getuige, en de kibbeling dreigde in een vechtpartij over te slaan. De aanleiding scheen in een mollig Volendamsch deerntje te zitten. De bejaarde veldwachter was niet bij machte den vrede te herstellen, men stond met gebalde vuisten tegenover elkaar, om er op los te kloppen. Daar verschijnt echter op eens de pastoor van het dorpje. Kalmpjes zijn lange pijp rookende, komt zijne Eerwaarde aanstappen, baant zich door de omstanders een weg, en treedt op de twistenden toe. Niet zoodra hebben zij den pastoor gezien, of ze schijnen opeens hun deerntje te vergeten en zijn de gedweeheid in persoon. ‘‘Wat is hier aan het handje?’’ vraagt Z. Ew. op zeer gemoedelijk gestren-gen toon. ‘‘Schaam jelui kerels je niet? Willen jelui wel eens gauw maken dat je in huis komt en jij Gerrit, er niet voor na-den-middag uit, en jij Jaap, evenmin,’’ en de twee zevenvoets kereltjes gingen gelijk honden, die van hun meester een pak slaag gehad hebben, bedremmeld naar huis.

Zoals gezegd, men heeft het dorpje spoedig doorgewandeld en het hoofdpunt van de aantrekkelijkheid is om de haven heen. Na hier en daar met enige visschers, hunne vrouwen en kinderen een praatje te hebben gemaakt, herinnert de inwendige mensch u er aan, dat het tijd voor de lunch wordt en wandelt men naar het Hotel Spaanders, om zich aldaar te versterken. In dit hotel zoude men niet zeggen op een eenvoudig afgeleagen visschersdorpje te zijn. Alles is er comfortabel en goed ingericht en de eigenaar, bijgestaan door zijne eega en vier flinke dochters, zijn menschen, die hun vak verstaan en het den bezoekers aangenaam en genoeglijk weten te maken. Alles is er goed en billijk, men kan het moeilijk beter verlangen. Afgezien, dat men er smakelijk eten en goed logeren kan, en goed bediend wordt, is dit hotel een bezoek overwaard, al ware het alleen om het groote aantal schilderijen en teekeningen, door meesters van alle nationaliteiten, welke er in den loop der tijden hun intrek namen. Men vindt dan ook in dit hotel doorloopend artisten van verschillende nationaliteit, welke er korteren of langeren tijd vertoeven, ten einde er hunne studies en werken te voltooien, die bij buitenlanders om het eigenaardige en typische gretig aftrek vinden. Vooral Amerika en Engeland schijnen voor hunne kunstproducten een goed afzetgebied te zijn. Het dorpje wordt jaarlijks ook door tal van toeristen uit alle werelddeelen bezocht.


Overzee

Voor hen, die tegen het tramreisje opzien en aan een zeetochtje de voorkeur geven, en die ook niet op eenige guldens behoeven te zien, ligt aan De Ruyterkade te Amsterdam een sierlijk bootje, dat gedurende de zomermaanden een dagelijkschen dienst op Marken en Volendam heeft ingesteld. In het vroege voor- of najaar zult ge er per tram moeten heengaan, tenzij wij een stevigen, helaas zoo schaars wordenden, oud-Hollandsche winter hebben, dan zoudt gij er per schaats kunnen komen. Gij zoudt dan echter weer veel missen, wat er ’s zomers zoo aantrekkelijk is. Doch hetzij in den winter of des zomers, het dorpje is steeds een bezoek overwaard. Mogen de illustraties er toe bijdragen, dat gij dit interessante dorpje eens een bezoek gaat brengen, - gij zult dat bezoek zeker niet betreuren. Zijt gij met een clubje, welnu, huurt dan te Volendam eene visscherschuit en laat u naar Marken zeilen en van daar weer naar Monnickendam, vanwaar gij per tram binnen het uur te Amsterdam zijt, en gij zult zeker geen spijt hebben, mijn raad te hebben opgevolgd. Wat Marken betreft, dat hoop ik in een der volgende nummers eens te illustreeren.



Met vriendelijke groeten van de redactiecommissie.
Bestuur Volendams Museum en Oud Volendam

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.