Naar de inhoud

De visserij rond 1937

Bron: Volendams Museum en Oud Volendam

De visserij rond 1937
In 1892 bezat Volendam met 258 schepen de grootste vissersvloot van de Zuiderzee-plaatsen. Door overbevissing was het aantal schepen rond 1900 gedaald naar 200 en dat aantal is vrij constant gebleven totdat in 1920 werd begonnen aan de Afsluitdijk. In 1932 veranderde die dijk de Zuiderzee in IJsselmeer met als gevolg dat de Volendamse vloot in 1934 nog 149 schepen telde. De dwarskuilvisserij met de zeilen op paling werd in het jaar 1935 zwaar gehinderd door de eerste gemotoriseerde korders, maar in 1936 begonnen 9 Volendammers met overheidskrediet een ijzeren rondbouw ofwel ‘spekbak’ met hulpmotor waarmee met succes de hoekwantvisserij en de sleepvisserij op snoekbaars werd beoefend. De ijzeren rondbouwen ofwel ‘spekbakken’ bleken, ondanks hun geringe lengte van 10meter, in de praktijk zeewaardige schepen. Omdat de schepen wel het nadeel hadden dat ze veel buiswater overkregen liet Pieter Schilder (Loege) in 1946 zijn VD 65 van een scherpe kop voorzien. Bestond de vissersvloot in 1936 weer uit 157 schepen, in 1937 liep dat aantal weer drastisch terug tot 129 schepen en daarbij waren behalve een zestal Noordzee en Waddenvissers in totaal 18 nieuwe spekbakken. De teruggang met 28 schepen vond vooral plaats bij de kuilders en dat kwam onder meer doordat de kuilvisserij in 1937 werd verboden tot 8 kilometer uit de kust en bovendien aan de Zuidwal beneden Marken, de zogenaamde ‘lijn’. Gemotoriseerde korders (zoals vooral de Urkers) moesten hun motor wel laten afstellen op maximaal 20 pk, maar aan de andere kant werd het vissen met de kuil weer verboden van november tot april. Dan zouden de vissers in de zomer van het Jamboreejaar 1937 ook nog eens te maken krijgen met een ziekte in de aal die de vis onverkoopbaar maakte.

Schiemannen
Op de voorgrond van de foto zien we drie visserlui in een roeiboot op weg naar hun botters die verderop in de haven liggen. Het was crisistijd en de mannen hebben gedurende de wintermaanden voor een karig loon misschien werk kunnen vinden bij de Enkev of de schoenenfabriek, de rokerij van Oosterbaan in Monnickendam of bij de Draka in Amsterdam. Het is waarschijnlijk ergens halverwege maart en als ze met april weer willen beginnen is het tijd om te gaan schiemannen, dat wil zeggen het opnieuw gereedmaken van schip en tuigage voor het komende visseizoen. De zeilen zijn in de winter hersteld of vernieuwd en die krijgen nu met een mengsel van lijnolie en rode poeder de typisch Volendamse rode kleur. De kapotte netten zijn geboet of er zijn hele nieuwe kuils gebreid en die moeten worden getaand met caoutchouc. Zonodig wordt tijdens een hellingbeurt het breeuwwerk vernieuwd waarbij de botter onder de waterlijn en in de boeg opnieuw wordt geteerd. Boven de waterlijn worden alle botters ingesmeerd met een beschermende laag harpuis, een mengsel van gesmolten hars en lijnolie. Het harpuizen is een hele klus waarbij de huid of buitenkant van de botter wordt ingesmeerd vanuit een platgat of roeiboot. De harpuis werd verkregen door hars ‘omlaag’ in het vooronder te laten koken in de lijnolie zodat het met behulp van een aparte kwast, de zogenaamde bokkepoot, op het houtwerk kon worden aangebracht. De boesels en het andere houtwerk krijgen een nieuw verfje en dan dienen de zeilen te worden aangeslagen en bomen, ijzerwerk zoals -‘koegels’ en andere gewichten, lopers en kettingen geprepareerd voor het vissen. Het touwwerk dient nauwkeurig te worden gecontroleerd en de blokken en reebanden gevet met consistent vet. Het oliegoed moet thuis worden nagekeken of hersteld en met lijnolie geïmpregneerd en tenslotte wordt de botter met behulp van de vrouwlui schoongemaakt en de kooien voorzien van schone kombaarzen (dubbele dekens) en ander beddegoed. Nu hoeft de bemanning alleen nog te ‘victaliën’ oftewel proviand in te laden en het schip kan uitvaren om er op een geschikte stek ‘aan te gaan’ met de vaste bede ‘dat God ‘m zegent’.

Visserij en ambtenarij
De mannen in de roeiboot zijn van links naar rechts Jan Schilder (de Bul), knecht op de VD 230 van zijn vader Jan Schilder (van Frerik), dan mogelijk Jaap Zwarthoed (van de Beer) die o.a. voer op de VD 99 van Sijmen Tol (van de Knoest) en Jaap Veerman alias de Bok (van Thoom de Koe uit de W.J.Tuynstraat), knecht op de VD 36 van Kees Zwarthoed Doede ofwel Grutje. Het is mogelijk dat ze net kuils hebben weggebracht om te tanen bij Jan de Boer of ze hebben lijnolie en hars ingeslagen bij Jan de Boer de schilder (verfloodsje achter Hips) om de botters aan de buitenkant een beschermende laag harpuis te geven. Het was overigens niet alleen het houtwerk van de botters en kwakken dat gevaar liep, want met het oog op de inkrimping van de vloot had ook de kuilvisserij zelf het weer eens gedaan. In 1890 had zeebioloog Dr. Hoek al in een rapport aangetoond dat het kuilvissen verre van nadelig was voor de visstand en dat was na hem door talrijke andere geleerden en ervaringsmensen bevestigd. Toch trok een -ambtenaar op het ministerie van landbouw in 1937 een ‘lijn’ tussen Marken en Doornspijk waaronder niet meer gekuild mocht worden. Dat was vooral een streep door de rekening van de dwarskuilders aan de Zuidwal want die moesten toen eerst 20kilometer opstomen om te kunnen vissen. Maar dat was nog niet alles, want terwijl de kuilders alleen bij gunstige wind konden vissen en van november tot april zelfs helemaal niet mochten verstrekte men in 1936 en ’37 rijkskrediet voor de bouw van een - ijzeren rondbouw. In totaal werden er 34 van gebouwd en wel voornamelijk op de werven van de Wed. van Goor te Monnickendam en die van C. Amels te Makkum. Met zo’n ijzeren rondbouw of ‘spekbak’ kon men niet alleen bij vrijwel elk weertype toeken, maar in de winter ook nog goed in span snoekbaars slepen met de zeilen. Bovendien zaten de kuilders en de toekers vanaf toen nogal eens in elkaars vaarwater. Het is slechts een van de vele voorbeelden waarbij praktijk en theorie in de visserij met elkaar in de knoop raakten. In 1938 en ’39 ging zowel de vangst op paling als op snoekbaars in stijgende lijn en zowel voor de overgebleven kuilders als voor de korders en toekers en de in de winter tot dertig toegenomen snoekbaarsslepers brak weer een gunstige tijd aan die wat vangsten betreft in de eerste oorlogsjaren zelfs nog beter werd.


Werkgroep Premiefoto (met speciale dank aan Thoom van Vlaanderen, Kleine Jan Kes, Paulus Tol (Mop) en Ben Mol).

Museumjaarboek 2006 (en ook van voorgaande jaren) nog steeds verkrijgbaar
Voor geïnteresseerden die het museumjaarboek 2006 met premiefoto willen ontvangen kunnen dat nog steeds. U kunt iedere dag terecht in het Volendams Museum van 10.00 – 17.00 uur of u geeft een tip aan de bestuursleden Wim Keizer tel.: 0299 365186 en Kees Tol tel.: 0299 36 4769. De kosten zijn miniem. U betaalt € 5,- als afnemer van het jaarboek met premiefoto. Als begunstiger van het Volendams Museum betaalt u € 12,- of meer. U ontvangt het museumjaarboek met premiefoto en u kunt het hele jaar door onbeperkt alle exposities in het Volendams Museum gratis en voor niks bezoeken. U steunt het museum en de Oud Volendamactiviteiten vanuit het museum extra. Medewerkers die ons willen helpen met het schoonmaakwerk of een ochtendje of middagje bij de balie willen zitten in het Volendams Museum zijn van harte welkom. Je ontvangt alleen waardering! Onze welgemeende dank daarvoor.

Volendams Museum en Oud Volendam

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.