Naar de inhoud

Jachtgodin in Groninger Museum

Bron: Peter Louter in NIVO

Jachtgodin in Groninger Museum
Op pad met vertrouwde vrienden deden we Groningen aan om een bezoek te brengen aan de expositie van Akseli Gallen-Kallela, de Finse schilder die met zijn omvangrijke oeuvre van belang is geweest voor de ontwikkeling van de Finse identiteit. Het is nog rustig in het museum als we aankomen. Vanaf de entree scheiden onze wegen. Als ervaren museumbezoekers weten we dat ieder zijn eigen tempo en manier van kijken heeft. Later zullen we onze ervaringen uitwisselen.

Deze keer besluit ik eerst de museumwinkel aan te doen. Ik schrik als ik de ruimte betreedt. Vlak voor mij, gebogen over de boekentafel, staat een vrouw wier rug, smalle billen en prachtige haar ik herken. Tien jaar heb ik haar al niet meer gezien. Mijn hart kiest een verhoogd ritme. Ik besluit tot een tactische manoeuvre en kies een route door de winkel waarbij ik haar onopgemerkt kan gadeslaan. Als ik de boekentafel passeer en behoedzaam naar rechts kijk, zie ik dat bij die vertrouwde gestalte een heel ander gezicht hoort. Ze is het niet. Het bonzen van mijn hart neemt langzaam af. Een onverwachte teleurstelling laat zich voelen maar wordt snel overvleugeld door bewondering. Wat een vrouw! Even kijkt ze op en kruisen onze blikken elkaar. Ik voel met betrapt als een schooljongen. Haastig kies ik positie achter een kaartenmolen. Na een minuut besluit ik dat een tweede terloopse blik geen kwaad kan. Het is alsof ze er op heeft gewacht. Ze glimlacht even en buigt zich dan weer met sporen van die glimlach op haar gezicht over de kunstboeken.

Wetend dat ik het niet na kan laten om nog eens en nog eens naar haar te kijken, besluit ik dat het maar beter is om de winkel te verlaten. Als ik de blauwe trap afdaal heb ik al weer spijt en memoreer haar beeld. Honingblond halflang haar in lichte krullen, een beetje brede jukbeenderen en daarboven betoverende bruine ogen, een fijne beenderstructuur, een wat getinte huid met een olijfkleurige ondertoon, de vrouw van mijn dromen en in haar nabeeld wordt ik weer getroffen door haar geamuseerde glimlach. Vannacht zal ik van haar dromen.

Nadat ik een paar schilderijen van Akseli Gallen Kallela heb gezien, vind ik de concentratie die nodig is om zijn werk goed in me op te nemen. Als ik terugloop om een eerder gezien schilderij nog eens te bekijken, zie ik haar weer. Weg is de concentratie en bewust van haar aanwezigheid beweeg ik me langzaam van schilderij naar schilderij. Ze beweegt mee. Er ontstaat een soort spel tussen ons waarbij we achteloos in elkaars nabijheid proberen te komen. Zij neemt het initiatief als ze ineens heel dicht achter komt staan. Ik pareer met twee stappen naar achteren om het schilderij op wat meer afstand te kunnen bekijken, tactische stappen die me schuin achter haar brengen en me de gelegenheid geven haar goed te bekijken. Alsof ze het voelt neemt ze de tijd voor het schilderij waar we voor staan. Ze is iets ouder dan ik eerst dacht. Ik zie fijne lijntjes langs haar mond en bij de aanzet van de gleuf tussen haar borsten. Het geeft niet, integendeel, het maakt ons gelijker.

Zo schuifelen we van schilderij naar schilderij, soms treuzelend en dan weer met wat tempo, uitsluitend om te zien of de ander volgt. Bij een zonovergoten boslandschap spreekt ze me aan. “Dat doet wel aan de zomer denken, niet?” zegt ze tegen niemand in het bijzonder. Als ik wil reageren, blijft mijn stem in de keel steken en is het net alsof die boodschap ergens onderweg in mijn hersenen in een onbereikbaar deel terechtkomt. “Pardon?”, stamel ik alsof ik haar niet goed heb verstaan. “Het is net alsof ik in dat landschap zit en de zon kan voelen”, zegt ze, terwijl haar blik van mij naar het schilderij gaat. In mij kreunde het, want ik keek in de donkerste ogen die ik ooit gezien heb. Daar in haar ziel lagen alle zonovergoten bossen en meren van heel Finland. Willoos zou ik in alle appels bijten die ze me zou aanbieden en ik was bereid om duizenden kilometers door de sneeuw en woestijnen te ploeteren om haar nog eens te zien. Dit moest Artemis zelf zijn, nedergedaald om me op de schoonheid van dit schilderij te wijzen en daardoor haar eigen schoonheid te onthullen.
Ik was door de bliksem getroffen maar slaagde er in om op het been te blijven tijdens het gesprek dat na enige aarzeling met plots ontstane intimiteit op gang kwam. Van kunstschilders kwamen we op Scandinavië, vandaar op reizen en ineens bleek dat we allebei het Hermitage nog op onze verlanglijst hadden staan.

“Gaat u vaak alleen naar musea?”, de vraag klonk vlak, maar de spanning daarachter was voelbaar. Dit was geen openingszet meer, voelde ik. Deze vraag ging recht op zijn doel af. Ik aarzelde. “Ja” zeggen, zou misschien het begin van een prachtig avontuur worden. En terwijl alle mogelijke beelden van zo’n avontuur door mijn hoofd jachtten, zei ik, een héél klein gaatje open latend: “dat komt zelden voor, meestal ga ik met mijn vrienden en mijn vrouw”.
“Jammer”, klonk het een beetje hees en in haar half geloken ogen zag ik de teleurstelling om het einde van het voorspel. Méér zou er niet komen.

Later, nadat we koffie hadden gedronken in het cafetaria, zag ik haar nog een keer, in de museumwinkel. De betovering ontbrak deze keer, al was ze nog steeds beeldschoon.

Peter Louter

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.