Hoe was het ook al weer
Hoe was het ook al weer
In 1976 kreeg ik bezoek van Cas Sombroek en Jan Veerman (Poessie) die namens de vereniging Oud Volendam kwamen vragen of ik bereid was om voorzitter te worden van de vereniging Oud Volendam. Ik ging akkoord en tijdens de eerste vergadering in hotel Spaander maakte ik kennis met het voltallig bestuur n.l.: Cas Sombroek, Jan Veerman (Poessie), Hein Schilder (Madoet), Bruin Schilder (Nivo), Adelbert Kohlsaat, Wim Tol (leraar geschiedenis), Klaas Mol, Cor Karels (secretaris), Kees Kwakman (piloot, penningmeester) en ik werd gekozen tot voorzitter.
Belangrijkste doelstelling realiseren van een museum
Op deze eerste vergadering werd mij duidelijk dat de belangrijkste doelstelling was het realiseren van een museum in Volendam. Ik begreep heel goed dat dit lofwaardig streven niet zo eenvoudig was waar te maken. Toen in 1977 het klooster leeg kwam te staan, deed zich een gelegenheid voor om daar iets te beginnen. Ik besprak die mogelijkheid met mijn collega Kees Kwakman (penningmeester) en kwam na enig speurwerk erachter dat het oude klooster eigendom was van de SKOV (Stichting Katholiek Onderwijs Volendam). De voorzitter van deze stichting was Jaap Veerman (de Koe). Samen gingen Kees Kwakman en ik op bezoek bij Jaap de Koe met de vraag of wij de kapelruimte van het klooster mochten huren en als museum inrichten. Jaap stond zeer positief tegenover dit idee maar moest dit natuurlijk eerst met het bestuur van de SKOV overleggen.
Enige dagen later kreeg ik bericht van Jaap dat wij de ruimte in gebruik konden nemen en dat zij geen huur wilden berekenen, wat voor Oud Volendam een meevaller was, want ik realiseerde mij dat we nu geld moesten hebben om de kloosterkapel tot museum om te bouwen. Vereniging Oud Volendam kon over het klooster beschikken voor museum In de eerstvolgende vergadering van Oud Volendam kon ik mededelen dat wij over het klooster konden beschikken en er werd besloten om een grote ledenwerfactie te starten. Iedereen kon lid van Oud Volendam worden voor fl. 10, per jaar. Alle bestuursleden gingen op pad en Bruin Schilder,(Nivo) ondersteunde de actie met zijn krant. Het succes was overweldigend en zeker 1000 mensen werden lid en betaalden. tien gulden. Met dit geld kon het museum worden gebouwd. Vele vrijwilligers hebben wekenlang heel veel werk verzet en na de opening was iedere bezoeker dolenthousiast.
Tijdens een van onze vergaderingen later in het jaar kwam Cor Karels als fotograaf met het idee om bij het innen van het lidmaatschapsgeld iedereen gratis een foto te geven uit de oude collectie als dank voor hun medewerking. Dit voorstel werd aangenomen en is later traditie geworden. De leden van Oud Volendam betalen dus voor hun lidmaatschap en krijgen een foto gratis. Tijdens een gesprek met mijn vriend Jan Stroek kwam de vraag naar voren of het niet interessant zou zijn om een expositie in te richten van Volendammer amateurschilders. Dit is gebeurd en met groot succes waardoor dit tot een jaarlijkse traditie is geworden.
Museum in Volendam als dependance van het Enkhuizer Museum
In 1978 werd ik telefonisch benaderd door de directeur van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen met de vraag of ik iemand kende die alles wist van de onderdelen van een botter (kwak). Ik beloofde hem terug te bellen zodra ik iemand wist. Ik dacht meteen aan Jaap de Beer die als scheepstimmerman wel alles kon weten. Samen zijn wij na afspraak naar Enkhuizen gereden en bij de directeur thuis ontvangen. Op tafel stond een groot scheepsmodel van een kwak en een tekening van Peter Dorlijn. Jaap de Beer begon te vertellen en noemde alle onderdelen bij naam en ik luisterde met interesse naar de grote kennis van zaken van Jaap. Tijdens dit gesprek vertelde de directeur dat hij van het ministerie toestemming had gekregen om zijn plannen voor het buitengebeuren te realiseren, waarvoor hij zes jaar lang 1 miljoen gulden per jaar aan subsidie kreeg. Op dat moment ging bij mij een lichtje branden, maar bracht dit niet meteen ter tafel, omdat ik nog even wilde nadenken.
Enige tijd later bracht ik mijn idee naar voren in de vergadering van Oud Volendam. Ik wilde n.l. een museum bouwen op Volendam als dependance van Enkhuizen, zodat wij gebruik konden maken van hun kennis en ook om dan gebruik te kunnen maken van de opslagmogelijkheden die zij hadden. Verder konden wij dan ook wisselexposities organiseren met de mooie stukken die in bezit zijn van Enkhuizen. Ik kreeg toestemming van het bestuur om met dit plan verder te gaan en Hein van Madoet zei: "Als je dit voor elkaar krijgt, dan ligt er tegenover hotel van Diepen een stuk grond om een museum te bouwen en dat stel ik dan ter beschikking".
Gesprekken met ministerie voor toestemming
Met deze wetenschap in mijn achterhoofd belde ik weer de directeur van Enkhuizen voor een afspraak. Toen ik mijn plan uiteenzette, keek hij mij blij verrast aan en zei: "Daar geef ik alle medewerking aan en ik ben bereid om 1 miljoen van mijn subsidie voor het buitengebeuren aan Volendam beschikbaar te stellen, alleen moet jij zorgen dat je de toestemming van het ministerie krijgt". Hij gaf mij het adres van de afdeling op het ministerie, de naam van het afdelingshoofd en het telefoonnummer. Toen ik de persoon in kwestie eindelijk aan de telefoon had, zei hij geen tijd voor mij te hebben. Maar na lang praten, kon ik langs komen voor een kop koffie en daarna kon ik weer vertrekken. Oké, zei ik en twee dagen later reed ik naar Den Haag en meldde me daar om 11 uur `s morgens precies op tijd voorde koffie. De baas had geen tijd, maar nadat ik in het kort had uiteengezet wat ik wilde, ging hij toch zitten en moest ik nog eens, maar dan uitgebreid, vertellen wat de bedoeling was. Om 12 uur gingen we naar de kantine voor een broodje en daar nodigde de baas nog twee heren uit om bij ons gesprek aanwezig te zijn. Toen de beide andere heren in de spreekkamer binnenkwamen, stak de baas lachend zijn handen in de lucht en verzuchtte: "Wat moet ik met deze man aan?" Na lang overleg werd afgesproken dat deze drie heren naar Volendam wilden komen als wij er voor zorgden dat de directeur van Enkhuizen en het College van Burgemeester en Wethouders aanwezig zouden zijn. Zij zouden de consulent voor het museumwezen voor Noord-Holland inviteren. Tegen 6 uur `s avonds vertrok ik weer richting huis.
Notulen kwijtgeraakt en bandrecorder had niets opgenomen
Op de afgesproken datum waren wij allen aanwezig in hotel van Diepen, te weten drie heren uit Den Haag, de consulent Noord-Holland, directeur Enkhuizen, burgemeester Kok, wethouder Th. Koning, wethouder Albert v.d: Slinger, Kees Kwakman, Cor Karels en Jan Koning. Cor Karels maakte de notulen en had ook nog een bandrecorder meegebracht om alle gesprekken op te nemen. Tijdens deze vergadering werd besloten dat een opdracht kon worden gegeven aan een architect om een voorontwerp te maken van het toekomstige museum. De opdracht ging naar architect Jan Koning. De volgende vergadering zou plaatsvinden als de tekening klaar was. De baas uit Den Haag verzocht de burgemeester om de convocaties voor de volgende vergadéring te verzorgen. Toen de tekeningen en de maquette klaar waren, heeft de burgemeester alle leden van de vergadering in kennis gesteld, doch Cor Karels wist van niets zei hij. Ik vroeg naar de notulen, maar die was hij kwijtgeraakt en de bandrecorder had niets opgenomen.
Ik was stomverbaasd dat dit kon gebeuren, maar ik wilde niet van moedwil uitgaan. Totdat ik op een dag door een ontzettend boze Albert v.d. Slinger werd gebeld dat de hele delegatie in hotel van Diepen aanwezig was behalve het bestuur van Oud Volendam. Ook de aan ons gerichte convocatie had Cor Karels achtergehouden. Iedereen was kwaad weggegaan en de kansen van Oud Volendam waren verkeken. Noodgedwongen moest Oud Volendam nog enige jaren doorgaan met de kloosterkapel. Na deze teleurstellende ervaring hebben Kees Kwakman en ondergetekende hun bestuursfunctie beëindigd.
Ik heb dit geschreven naar aanleiding van de uitlatingen die ik hoorde bij, de opening van' het museum op zondag 11 maart 2007.
Met dank voor plaatsing
J. KONING
Dijkgraaf Poschlaan 12, Edam