Naar de inhoud

Geschiedenis van de pluimveehouderij in Volendam (deel 1)

Bron: Volendams Museum

Geschiedenis van de pluimveehouderij in Volendam (deel 1)
Na een uitgebreid onderzoek gaat met het eerste deel van de geschiedenis van de pluimvee- houderij van de hand van de schrijver Jan Kes (bekend van o.a. de boeken Op het ritme der golven en Daarom Groot Waterland) een lang gekoesterde wens van het museumbestuur in vervulling. De eerste resultaten zijn verrassend en na het verder verzamelen, bestuderen en verwerken van bronmateriaal zijn in de komende afleveringen van het Museumjaarboek meer delen te verwachten. De eerste signalen van de oorsprong van de pluimveehouderij in Volendam en Edam wijzen naar de 19de eeuw, maar de bloeiperiode als zelfstandige bedrijfstak van dit nevenbedrijf van de visserij viel tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw.

Onderzoek van start
Behalve over het aloude boerenbedrijf en de visserij valt er over de visventerij en pluimvee- houderij als belangrijke nevenbedrijven van de visserij nog heel wat te onderzoeken. Het ligt al jaren in de bedoeling van de historische werkgroep om een begin te maken met de geschiedschrijving van de pluimveehouderij in Volendam. Dat is voorwaar geen gemakkelijke opgave, want de bronnen liggen niet bepaald voor het oprapen. Het houden van eenden en kippen heeft bij nogal wat families tot bijnamen geleid.

Veel bijnamen verwijzen naar de pluimveehouderij
Zo wordt op de lijst van Noordzee- schippers uit 1861 de naam van schipper J. Thzn Veerman -vergezeld van de bijnaam ‘Puule’. Andere bijnamen die verwijzen naar de pluimveehouderij zijn: ‘Pulebap’, ‘Puul’, ‘De Pul’, maar ook ‘Kip’, ‘de Kip’, ‘Kippie’. Het woord puul komt van pul dat in het Waterlands en Westfries dialect voorkomt in de betekenis van ’kuiken van eend of kip’. Pul is afgeleid van het Franse woord la poule (de kip) dat op zijn beurt weer afkomt van het latijnse woord pullus (jonge kip, kuiken).

Gegevens na veel onderzoek uit zoveel mogelijk beschikbare bronnen en archieven
In het blad Eigen Haard stonden in 1923 een aantal globale indrukken over het ontstaan en de ontwikkeling van de pluimveehouderij in Volendam. In 1986 heeft Karel Simons in zijn boekje met de titel ’Over taanders, venters en puleboeren’ het een en ander over het onderwerp geschreven. Na een intensief onderzoek, het bestuderen van zoveel mogelijk beschikbare bronnen en belangrijke inlichtingen van diverse personen verschijnt dan nu in deze jubileumuitgave het eerste deel van deze grotendeels onbekende geschiedenis. Uw medewerking in de vorm van informatie, teksten of beeldmateriaal (foto’s) blijft de komende tijd onmisbaar!

Ontstaan en opkomst van de pluimveehouderij (1840-1915)

Pluimveehouderij oude bedrijfstak
Men vermoedt dat de oorsprong van de eendenhouderij ligt in het China van voor onze jaartelling, maar ook de Egyptenaren en later de Romeinen hielden eenden in gevangenschap. Eendenkooien zijn in de 13de of 14de eeuw uitgevonden door Nederlandse boerenvissers die wilde eenden de kooi binnen lokten met graan of ander voer waarbij tam gemaakte en gekortwiekte eenden als lokeenden dienst deden. In de archieven van 1550 wordt melding gemaakt van het gebruik van nest als eendenvoer. Mogelijk werd het in 1645 al gebruikt door de Edammer Pieter Corneliszoon Pets die het recht kreeg een eendenkooi
Volendammer botters op het Amsterdamse IJ (1898).

te beginnen op de Enge Zedde ter hoogte van de waterzuivering van Katwoude. Van de ooit 1000 Nederlandse eendenkooien zijn er nu nog 118 over, waarvan 13 in Noord-Holland. Naast wilde eenden werden wintergasten uit Noord- en Oost-Europa als slobeenden, wintertalingen en pijlstaarten gevangen voor de consumptie. Ook smienten die hier acht maanden van het jaar vertoeven alvorens in april naar de broedgebieden van Siberië te vertrekken behoren tot de buit. In de Zaanstreek en Waterland was er in de 17de eeuw op bescheiden schaal sprake van pluimveehouderij met speciaal gefokte kippen en legeenden. Er is geen verband aangetoond met de vervaardiging van scheepsbeschuit die in die tijd plaatsvond in Wormer en Jisp ten behoeve van de Oost-Indische Compagnie.

Overzicht aantallen pluimvee Volendam
Landbouwverslagen Gemeente Edam 1869-1890

Vanaf 1851 alleen vermelding van enig pluimvee voor eigen gebruik en voor ruilmiddel of verkoop aan bakkers en kruideniers.

Jaar Eenden Hoenders
1869 941 1027
1870 960 929
1871 914 904
(Meer kippen m.i.v. jaar 1872)
1872 978 1215
1873 849 1651
1874 713 1488
1875 960 1574
1876 960 1390
1877 982 1265
1878 1191 1337
1879 1043 1417
1880 1308 1605
1881 1213 1450

Periode van de kuilstrijd (1882-1890)
Jaar Eenden Hoenders
1882 1610 1750
1883 1661 1867
1884 1100 1557
(Meer eenden m.i.v. jaar 1885)
1885 2006 1737
1886 1886 1707
1887 1932 (2049)
1888 1837 1764
1889 2452 2053
1890 3360 1673

Sinds 1850 leverden Volendammer botters visvoer voor pluimveehouderijen in Landsmeer, Oostzaan en Den Ilp
Omstreeks 1850 gingen de boeren van Landsmeer, Oostzaan en Den Ilp zich op hun zelfs voor veeteelt te natte land meer toeleggen op de pluimveehouderij en eierenhandel. Gunstige factoren waren de nabijheid van het over water en land uitstekend bereikbare Amsterdam en de Zaanstreek met hun beschuitfabrieken in combinatie met de geringe investering in de van Zaans schaalhout opgetrokken eendenhokken. Daarbij kwam de beschikbaarheid van de al sinds 1550 als uitstekend eendenvoer bekend staande bijvangst in de vorm van kleine botjes, schartjes, harinkjes, spiering, bliek en dergelijke. Elke nacht werd het met bootjes via de Nieuwendammer sluis opgehaald in het Amsterdamse IJ bij Schellingwoude. Daar losten immers de Zaanse, Dur-gerdammer en Volendammer botters die in het seizoen tevens de zogenaamde zwarte eiwitrijke (waarschijnlijk de bekende kleine zwarte bij Harderwijk gevangen) garnalen aanvoerden. Na de 574 in 1859 bij Landsmeer getelde eenden had Oostzaan in 1865 al 5616 eenden en 1576 kippen en vanaf 1866 volgde Den Ilp met op zijn beurt zo’n 1400 eenden en 500 kippen. Nu waren ook de boeren in de omgeving van Volendam al vroeg omgeschakeld van akkerbouw op veeteelt en zoals dat nu nog het geval is hield elke boer wat kippen en eenden op het erf voor eigen gebruik en voor ruilhandel of verkoop aan bakkers en kruideniers.

In 1840 begon Jan Schokker alias Roo Jentje eendenhouderij achter het Noordeinde
In 1869 staan bij Volendam 941 kippen en 1027 eenden vermeld. Aardig is de anekdote in Eigen Haard uit 1923 als zou de uit Edam geboortige Jan Schokker alias Roo Jentje (1816-1891) in 1840 zijn begonnen om achter het Noordeinde enkele in Purmerend gekochte eenden te houden als deeltijdwerkers. Nadat ze waren gevoerd en ’s nachts hun ei hadden gelegd kregen de eenden overdag vrij om in De Meer (Zuidpolder) de rest van hun kostje bij elkaar te scharrelen.


Het Brèèkie met rechts mogelijk het ‘pulenhok’ van Piet Jonk omstreeks 1900.

Wordt vervolgd.

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.