Verleid door miss Cocaïne
Verleid door miss Cocaïne
Van ver, van heel ver komt Jan Ykema. Van kampioenschaatser tot cocaïnejunk tot man die voor zijn geluk gaat. „Ik bungel ergens onderaan, maar ik klauter de ladder weer op.” Uitgerekend in deze week, met het schokkende nieuws dat zelfs tienjarigen al ’sneeuw’ snuiven, gaf Ykema stomtoevallig zijn eerste lezing op een middelbare school over de gevaren van cocaïne. Vijftien jaar verslaving sloopten hem. Bankroet, eenzaam, een wrak. Op spekglad ijs ging de 44-jarige Fries hopeloos onderuit. Maar hij krabbelt op. Een sprinter die een lange afstand voor z’n kiezen kreeg. En een kampioen die zichzelf overwint.
Hoe schaatskampioen JAN YKEMA door drugs hopeloos onderuitging Rastakrullen springen als fonteinstralen uit zijn schedel: „Vrolijk van buiten én binnenin.” Gulzig van levenslust glanzen zijn ogen. En dat is wel eens anders geweest. Ooit was Jan Ykema (44) een echte Hollandse held, een gevierd kampioen. Hij schaatste een batterij medailles bijeen. „Een bluffertje was ik, maar ik deed het toch maar.” In 1988 haalde hij zilver bij de Olympische Winterspelen in Calgary: „Op de 500 meter sprint. De avond daarvoor mocht ik tijdens de openingsceremonie de vlag dragen. Met een miljard mensen die naar me keken voelde ik me zo euforisch. Had ik toch maar even mooi gehad. Om het schaatsen maakte ik me niet druk meer en blijkbaar gaf dat me juist vleugels.”
Een jongen uit Harlingen met benen van staal die in cadans die twee ijzers over het ijs stuwden: „De mavo had ik gedaan, het lulligste niveau. Ik wilde maar één ding: schaatsen. Dát maakte me high. En naar dat pure geluk ben ik daarna altijd op zoek gebleven. Ook dit voelt goed, een verhaal in de krant. Een draagvlak heb ik altijd nodig gehad. In wezen ben ik verlegen, maar ik houd er wel van om mensen méé te krijgen. Van de week heb ik op een school voor het eerst een lezing gegeven over mijn verslaving, en dat gaf me hetzelfde geluksgevoel. Net als de schaatslessen en clinics die ik incidenteel geef.”
Open is Jan Ykema, jojoënd van de ene episode naar de andere vertelt hij zijn verhaal in de gelagkamer van hotel-café De Steenen Man in Zurich, niet ver van zijn huis in Pingjum.
„Vijftien jaar was ik verslaafd aan de cocaïne. En ik ben er nu drie jaar vanaf. Ik denk er nu nog maar voor tien procent van de tijd aan. Om helemaal vrij te zijn kost denk ik vijftien jaar, net zo lang als de verslaving heeft geduurd.”
Eerst nog maar die schaatstijd: „Eerder was ik al geschorst en eind jaren tachtig werd ik afgeschreven door de KNSB, de schaatsbond. Ik had een conflict met ze, was ook een lastpak. In dat wereldje ging het niet om de schaatsers maar om idiote hebzucht. Bij mijn training stonden er duizenden kinderen te kijken, moest ik handtekeningen uitdelen op met mayonaise besmeurde frikadelkartonnetjes of velletje wc-papier. Allrounders Hein Vergeer en Hilbert van der Duim kregen toen al voorbedrukte foto’s om uit te delen. Het was ze gegund, maar eh… financieel hield ik er geen cent aan over. Ik stapte eruit en een jaar later werd het schaatsen ineens commercieel en dik betaald.” Een wenkbrauw schiet ironisch de hoogte in.
Impulsief
In 1987 in Lake Placid, Amerika, kreeg hij zijn eerste lijntje aangeboden. „Aarzeling voelde ik niet, ik ben een sprinter. Een impulsieve jongen die alles moet proberen. Achteraf denk ik dat het speed was, ik voelde me er zo lang, wel de hele nacht heel goed door, op cocaïne is dat normaal 30 minuten. Eigenlijk weet je nooit precies wat er in zo’n snuif zit. Als het heel populair is, wordt de kwaliteit steeds slechter. Versneden met waspoeder, weet ik veel. En voordat iedereen weer gaat roepen dat ik vast op doping heb gereden: voor en na die ene trip heb ik nooit iets gebruikt in mijn schaatstijd.”
Aan het schaatsen kwam een einde: „Ik kwam in de makelaardij terecht, startte later een eigen zaak.” Een snelle schaatser werd een snelle jongen met snelle vriendjes. Ykema hernieuwde de kennismaking met Miss Cocaïne, de gewiekste verleidster: „Cocaïne voelde als een beloning. Het geeft een kick, een geluksgevoel waarin ik alles durfde, waarin alles lukte. Zuipen in het café, een snuif op de wc en ik lanceerde het plan voor een cd. ’Wij zijn de allrounders.’ ’t Werd nog een hit ook. Terwijl de grap is dat ik een sprinter ben.”
„Ik had steeds meer cocaïne nodig, voor een steeds korter geluksgevoel, gevolgd door een depressie. Vier, vijf gram per dag. Dat kostte klauwen met geld, maar als makelaar verdiende ik goed en daarnaast had ik nog wat van die schaatsschnabbels. En ik verkocht zelf. Cocaïne, ja. Zo gaat dat. Ik gebruikte zelf wat ik over had. De telefoon was mijn grootste vriend, ik hield er een dubbele boekhouding op na, loog, leidde een schizofreen leven, had twee gezichten.”
„Cocaïne geeft geen geluk maar gelijk. In discussieprogramma’s op tv hoor ik meteen wie gebruikt. Gebruikers geven elkaar allemaal gelijk. Ze zijn heel geïnteresseerd, maar een minuut later weten ze niet meer waar het over gaat. Die chemische rotzooi brandt gaten in het geheugen.”
Ook Ykema kwam afspraken niet na. De relatie met de moeder van zijn zoon liep stuk, met de volgende vriendin ging het ook mis. En hij ging failliet. Zijn sporterslijf werd een wrak: „Al valt het bij mij nog mee: ik ben altijd blijven eten en slikte vitamines en had een tandenborstel op zak voor als ik een zuuraanval kreeg.”
Peinzend: „Volendam, ik geef het nog vijf, zes jaar voor het daar ploft. Coke doet rare dingen met een mens.” Vaag: „Een kat doodschoppen, dat zit er toch van nature niet in. Alles wordt extreem. Het doet ook rare dingen met het testosteron, geeft gedachten aan seksuele excessen.”
De kring rond Jan Ykema werd steeds kleiner: „Op een gegeven moment had ik niemand meer.” Even staan zijn heldere ogen troebel, met zijn blik naar buiten, op de straat gericht, vecht hij tegen zijn tranen: „Twee keer heb ik dood willen zijn, maar dan dacht ik aan mijn zoontje. Dat kon ik die jongen toch niet ook nog aandoen. Ik ben een slechte vader geweest. Vergat dingen die ik hem had beloofd.”
Jesper, zijn achilleshiel, is nu 13 jaar. „Als we op vakantie gingen, gaf ik hem mijn geld in bewaring. Mezelf vertrouwde ik het niet toe, ik was vergeetachtig, liet het vast ergens slingeren… Zie je het verdomme voor je, een jochie van acht? Met die verantwoording… Op schoolreis naar Six Flags gaf ik hem zakgeld mee, vijf keer zoveel als zijn klasgenoten. En ik vroeg: koop je ook wat voor papa? Kwam-ie terug met dit…” Een traan welt op als hij woordeloos zijn pen laat zien, met een stripfiguur erop. „Om mijn afspraken op te schrijven, zei hij. Omdat ik altijd alles vergat. Door dat en de dood van Herman Brood besloot ik te stoppen met die rotzooi. Brood werd geïnterviewd terwijl hij een luier droeg. Van mij werd een foto gemaakt voor Panorama, terwijl ik als een junk in een auto lag. Dat wilde ik niet meer, die troep.”
Nu 15 jaar later heeft hij strijd tegen verslaving gewonnen
„Ook mijn zoon zou erop worden aangesproken. Zoveel bekende schaatsers die Ykema heten zijn er niet. En iedereen wist van mijn verslaving, al speelden ze stommetje. Ik zag ze naar me kijken als ik bij de Aldi of zoiets in Bolsward of Harlingen stond. En achter mijn rug maar roddelen. Schopte ik weer ruzie bij de kassa. Terwijl ze zelf verslaafd zijn aan een ander chemisch feelgoodgoedje, Prozac. Toen ik uiteindelijk met mijn verhaal naar buiten kwam, juist om van dat gepraat af te zijn, deden ze of ze het nooit hadden geweten.”
Het leven kwam hem tegemoet. Een jaar of zes geleden kwam hij Geertje tegen. „De vrouw op wie ik verliefd ben. Geertje heeft me uit de goot gehaald. Door haar kon ik afkicken. En ze heeft wat van me te verduren gehad. Nog gaat het met vallen en opstaan. Depressies tot jankens toe, zelfmedelijden. En wás ik eens lief, werd ik des duivels als ik een potje klaverjassen verloor. De gaten in mijn geheugen werden weer gedicht, kwamen terug. Ik schaamde me voor de dingen die ik had gedaan. Dope verandert niet alleen je gemoedstoestand, maar ook je zelfbeeld. Ik was een regelrechte hufter geweest, een grenzeloze egoïst, ik had er een zootje van gemaakt. Liefde hield me op de been. En aandacht, ik wilde alleen maar vrijen, drie, vier keer per dag, al had ik daar niet eens echt zin in. Ik werd pafferig dik, woog 115 kilo.” Een grijns: „Nu nog maar 91 kilo, goed hè?”
Gewonnen
Ykema heeft veel nagedacht, en diep. „Misschien ben ik altijd op zoek naar die kick van toen, toen ik heb gewonnen. Nu bungel ik ergens onderaan, maar ik klauter de ladder weer op. Ik wil straks niet de Wikipedia-geschiedenis ingaan als de man van het afraffelen van de 500 meter en zijn cokeverslaving. Wat ik wel wil? Werk, ja. Ik moest wel een uitkering aanvragen, maar vind het verschrikkelijk om mijn hand op te houden. Had ik een up, gaf ik bij de sociale dienst aan dat ik wilde werken; kwamen ze drie maanden later aankakken met een baantje, op een moment dat ik net down was. En dat willen ze niet snappen.” De sprinter, de man van de korte baan aan het woord.
Nooit meer coke. „Ik neem nu ’s ochtends een trek van een jointje, zonder shag. Kruiden, puur natuur. Coke is chemische troep, die je verwoest. En een mens kan het zelf!”
„Ik wil me weer voelen zoals toen ik die medaille won, snel naar mijn vriendin om het te vieren. Het geluksgevoel dat ik had toen ik als kind van school naar huis fietste met een mooi rapport. Ja, er zijn mensen die coke kunnen gebruiken, één trip per jaar. Daar kan ik me niet aan spiegelen, voor mij is het nooit meer. Af en toe kijk ik van boven af naar mezelf. Zie ik de weg die recht voor me uitloopt. En daarnaast de holletjes waarnaar ik niet mag afdwalen, omdat daar de bommen liggen.”
Jan Ykema wint elke dag weer het gevecht tegen zichzelf: „Ik ben een blanke parel waar de mooie kantjes vanaf zijn. Maar ik vind het geluk weer terug. Ik word weer de gelukkigste man van Nederland.” Een titel waar eremetaal niets meer aan toe kan voegen.