Naar de inhoud

Carola Smit / Ik zie de kerk als een vorm van theater

Bron: Trouw

Carola Smit / Ik zie de kerk als een vorm van theater
Carola Smit (Volendam, 1963) was van 1984 tot 2007 zangeres bij BZN. Een herseninfarct in 1987 leek het einde van haar carrière in te luiden, maar na maanden intensieve revalidatie stond ze weer op het podium. In april verscheen bij Universal Music haar eerste solo-cd.

I. Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten
„God bestaat voor iedereen die dat wil. Als ik in nood zit, doe ik nog wel eens een schietgebedje. Ik herinner me dat ik met mijn zoontje, die nu vijftien is, voor op de fiets, in een vreselijk onweer terechtkwam. Of die keer dat ik op een cruiseschip zat, terwijl mijn man en kinderen thuis waren en er ’s nachts een verschrikkelijke storm opstak. Alles kraakte, alles ging tekeer. Ik lag daar, in mijn eentje, en ik vroeg de lieve God of hij me weer veilig thuis wilde brengen.

Ik ben niet streng gelovig opgevoed, maar we deden wel alles wat van een katholiek gezin werd verwacht. Op zondag naar de kerk, bidden voor het eten, denken aan een ander – een goed mens proberen te zijn, daar kwam het geloof ik wel op neer. Ik bedoel het niet vervelend, maar ik ben die kerk op den duur toch als een vorm van theater gaan zien. Ik begrijp ook niet zo goed hoe mensen blind in dat hele verhaal kunnen blijven geloven. Ik kom nu alleen met speciale gelegenheden nog in de kerk. Met Kerstmis, tijdens een eerste communie, een bruiloft of een begrafenis. Ik vind het mooi om tijdens dat soort gebeurtenissen bij elkaar te komen in een kerk. Het hoort erbij. Het geloof zal ook nooit helemaal uit mijn leven verdwijnen. Misschien dat ik ergens een deurtje openhoud: je weet maar nooit. Niemand weet het.

Ik geloof dat we hier op aarde zijn om te genieten van alles wat er is, om oog te hebben voor wat het leven te bieden heeft: mensen, dieren, natuurschoon. Daar moeten we goed mee omgaan. En je talenten gebruiken, dat hoort er ook bij. Als je dat niet doet, voel je je nooit gelukkig. Als je ergens je best voor doet, krijg er ook iets voor terug. Alleen die voldoening kan een mens al gelukkig maken.”

II. Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken
„Bij ons thuis werd nooit gevloekt. Het kán dus, je kunt boos worden zonder te vloeken. Ik doe het wel eens, maar nooit waar anderen bij zijn. Als de kinderen het doen, grijp ik in: ik wil het hier in huis niet horen. Als je er niet op tijd iets over zegt, vinden ze het straks heel normaal om zo, zonder respect, met andere mensen om te gaan. Schuttingtaal vind ik eigenlijk nog erger. Dat is lelijk. Onsmakelijk. Ik begrijp niet zo goed waarom cabaretiers – die toch veel verstand hebben en heel creatief zijn – zulke vreselijke woorden moeten gebruiken. Ik vind het zwak. En het wordt alleen maar erger. Ik ben helemaal niet zo benauwd, hoor, en ik kan ook lachen om grove dingen. Maar ik vind al die televisieprogramma’s waarin mensen voor gek worden gezet of allerlei walgelijke dingen moeten doen – insecten eten of zo – echt vreselijk. Ik kan er niet naar kijken. Ik begrijp wel dat mijn kinderen het soms spannend vinden, maar het doet me erg goed als ik merk dat ze uit zichzelf ook iets afkeuren.”

III. Gij zult de dag des heren heiligen
„BZN was al jaren geleden opgehouden met de optredens op zondag. Niet om de dag des heren te kunnen heiligen; het was vooral prettig om af en toe eens wakker te worden met het idee: vandaag hoef ik helemaal niets te doen. Op zondag gaan we altijd naar mijn ouders en naar mijn schoonmoeder.

Familie is belangrijk voor Volendammers, maar ik weet niet of wij nou zoveel hechter zijn dan mensen uit andere plaatsen. Het punt is dat Volendammers gewoon niet weg gaan. Al mijn broers en zussen wonen hier. Als ik bij mijn ouders ben, zijn zij er ook. Zo blijven we elkaar dus veel zien. Het is goed, in Volendam. Ik wil hier nooit meer vandaan. Het is een bruisend dorp, er is altijd wat te doen. Goed, er zijn ook wel eens problemen. Dat verhaal over de jeugd die zoveel drugs gebruikt, is niet opgeblazen, maar ik denk wel dat het in andere dorpen net zo erg kan zijn. Volendam is nu eenmaal bekend, daarom komen we in de krant.

Dat hier veel gebruikt wordt, past ook een beetje bij Volendam. Bij ons is alles al snel extreem. Korte rokjes zijn bij ons nét iets korter, lange haren nét even langer. Het is een gek dorp. Je ziet het aan de huizen, je hoort het aan de spraak. Ik pik een Volendammer er zo uit. Je moet echt je best doen om je afkomst te verhullen. En als je iemand niet direct kent, kun je nog altijd het gezicht herkennen, of weten uit welke familie die persoon afkomstig is. De sociale controle waar iedereen het altijd over heeft, is iets waar de Volendammer niet buiten kan. Als je ergens woont waar die sociale controle niet is, heb je al snel het gevoel dat je helemaal niet bestaat. En weet je wat ook zo grappig is? Ik ben voor optredens in Volendam altijd nerveus. Het oordeel van de Volendammers – die ik de volgende dag op straat weer tegenkom – telt voor mij het zwaarst.”

IV.Eer uw vader en uw moeder
„Ik kan wel eens jaloers zijn op het natuurlijke gezag dat mijn ouders hadden. Het lag aan hen, maar ook aan de tijd waarin ik ben opgegroeid. Kinderen staan nu veel dichter bij hun ouders en daardoor is het gezag ook minder. Goed, mijn moeder zei wel vaker iets, en op een gegeven moment gaat dat langs je heen, maar één blik van mijn vader kon voldoende zijn om te bedenken: misschien is het toch beter om dit niet te doen. Terwijl iedereen dol op hem is; nog steeds.

Het zingen, dat heb ik van hem. Hij heeft een prachtige stem. Tot twee jaar geleden zong hij in het kerkkoor. Hij zegt nog steeds dat zijn leven begon op de dag dat hij in een koor ging zingen. Hij werkte toen nog in de aluminiumfabriek. Geen leuke baan, maar het was nu eenmaal zijn lot. Mijn vader zegt nooit zoveel, hij houdt vaak wijselijk zijn mond. Mijn moeder is de prater van die twee. Ze zegt altijd: ’Ik zong vroeger de hele dag’, maar ze durft niet meer. Ik heb haar in ieder geval nooit horen zingen. Ze vond het prachtig dat er zoveel gezongen werd bij ons thuis – ook mijn oudste zus zingt in het kerkkoor – en de radio stond altijd aan. Nog steeds. Zodra mijn ouders opstaan, gaat de radio aan. Ze zijn trots op mij,
maar ik heb het nooit voor hen gedaan. 

Mijn vader heeft wel op een cruciaal moment de juiste opmerking gemaakt. Ik was zestien, kon ergens auditie doen, maar twijfelde enorm. Ik ging dood van de zenuwen. Mijn vader zei toen: ’Als je denkt dat je het niet kan, moet je het niet doen’, maar hij zei het op een toon die verried dat hij ervan overtuigd was dat ik het kon. Ik heb auditie gedaan en vanaf dat moment is het allemaal gaan lopen.

Mijn vader en moeder komen niet vaak naar een optreden. Een of twee keer per jaar, tijdens een show die sowieso voor vrienden en familie is bedoeld. Ze zijn inmiddels 85 en 78 jaar oud. Het is vreemd geregeld in de natuur; hoe je er op een vanzelfsprekende manier mee wordt geconfronteerd dat het op een dag afgelopen is. Zeven jaar geleden werd mijn vader aan zijn knie geopereerd. Hij lag in het ziekenhuis en belde op om te zeggen dat de operatie was geslaagd. Toen wij aankwamen, lag hij te klappertanden in bed. Zijn bloeddruk bleek haast verdwenen te zijn en hij had zelf niet het benul gehad om op een knopje te drukken en de verpleging te roepen. Ik was helemaal over mijn toeren: als we niet naar het ziekenhuis waren gekomen, was hij er zomaar tussenuit gepiept. Maar het gaat een keer gebeuren. Het is niet anders. Wat dat betreft ben ik net zo nuchter als mijn ouders: zo zit het leven nu eenmaal in elkaar.”

V. Gij zult niet doden
„Ik ben niet agressief maar ik kan, na heel lang mijn mond te hebben gehouden, wel enorm ontploffen. Mijn oudste twee kinderen hadden elkaar, een p
aar jaar geleden, iedere dag te pakken. Kwamen ze tussen de middag thuis van school en dan begon dat geklier weer. Vreselijk. Ik werd er helemaal gek van. Ik hou me vrij lang in, maar op een dag komt het eruit: dan sta ik te brullen en te tieren. De eerste keer schrokken ze nog, maar bij een tweede keer maakte ik al veel minder indruk. Gelukkig is het helemaal over nu. Ze zitten in een superperiode. Alles is rustig bij ons in huis. Misschien word ik ook wel boos als ik kritiek krijg – ja, ik ben net als ieder ander mens: ik kan slecht tegen kritiek. Maar het zal nooit zo ver komen dat ik iemand iets aan wil doen, zelfs niet in gedachten. Het enige wat ik me kan voorstellen, is dat ik per ongeluk iemand zou doden. Een duwtje dat verkeerd uitpakt, of een fout in het verkeer. Dat lijkt me het allerergst. Je moet verder leven, maar hoe?

Of ik ooit een einde aan mijn leven zou kunnen maken? Nee. Zoiets zou je je ouders, je man, je vrouw of je kinderen toch niet aan willen doen? Zelfs als je een hekel aan iedereen zou hebben: zoiets doe je niet zomaar. Ik weet het niet, hoor, ik wil er ook niet over oordelen, maar ik denk dat er bij zelfmoordenaars iets aan de hand moet zijn dat sterker is dan een gezond verstand.”

VI. Gij zult geen onkuisheid doen
„Mijn ouders waren wel een beetje ouderwets. Ze vonden het niet goed als je voor je huwelijk al een heel leven achter de rug zou hebben. Ik heb niet altijd even goed geluisterd, maar ik heb er wel iets van meegekregen. Niet zomaar met Jan en alleman meegaan. Achteraf heb ik wel eens gedacht dat het misschien wel leuk was geweest om iets meer mee te maken op dat gebied, maar tegelijkertijd vraag ik me af of zoiets je nou echt happy maakt. Ik denk het niet. Het heeft me in ieder geval niet dwars gezeten dat ik iets behoudender was; het is niet zo dat je overblijft als je een iets minder onstuimig leven leidt. Bovendien: ik kon niet anders. Het heeft met de opvoeding te maken, zeker, maar ook met hoe ik in elkaar zit. Ik kwam mijn man tegen, we zijn getrouwd en we hebben afgesproken dat we, wat er ook gebeurt, altijd bij elkaar zullen blijven. Grappenderwijs, maar ik meen het wel. We hebben ook wel eens een akkefietje, maar je moet niet te snel opgeven. Doorgaan. Ik kan heel erg kwaad worden, maar het is net zo snel weer weg. We kennen elkaars zwakke punten; we weten ook dat die ruzies alleen maar ontstaan door onzekerheid.

Ik geloof in de ware liefde, maar ik geloof ook dat zoiets je nóg een keer kan overkomen als je daarvoor openstaat. Maar zo lang je het goed heb samen, ga je daar niet naar op zoek. Weet je wat het is? Ieder mens, dus ook een andere partner, heeft zijn eigenaardigheden. Ik kon dat ook mooi zien bij de jongens van de band. Ik kon met iedereen even goed opschieten, maar ik heb uiteindelijk toch het liefst mijn eigen man. Ik vind het ook prettig dat hij altijd in een andere wereld heeft gewerkt. Er wordt vaak zo hoogdravend gedaan over dat muziekvak, maar vergeleken met zijn werk – en de problemen die hij op moet zien te lossen – stelt het allemaal niet veel voor. Mijn werk is niet het allerbelangrijkste op aarde.”

VII. Gij zult niet stelen
„O nee, dat zal ik nooit doen, daarvoor ben ik veel te braaf. Ik ben opgevoed met het idee dat diefstal het ergste is wat je kan overkomen: mensen zullen het niet vergeten dat je een ander tekort hebt gedaan of zelfs besteelt. Het gaat dus over schande en over wat je een ander aandoet. Maar nog belangrijker, vind ik, is wat je jezelf aandoet. Ik zou zoiets niet op mijn geweten kunnen hebben. Het idee alleen al, dat je van zoiets verdacht zou kunnen worden. Laatst rekende ik ergens iets af met een biljet van twintig euro en kreeg ik terug van tien. Ik zei er iets van en zag aan het gezicht van de caissière dat ze mij niet geloofde. Ik dacht meteen: laat maar zitten. Ik betaal liever te veel dan dat ik verder moet met de verdenking ten onrechte iets te hebben gekregen.”

VIII. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen
„Ik schrijf mijn teksten niet zelf, maar het zijn wel nummers die mij op het lijf geschreven zijn. Vooral ’Feels like home’ is een lied dat mij heel erg aanspreekt. Het is droevig maar ook positief. Het doet me terugdenken aan de tijd dat ik moest revalideren nadat ik op mijn 23ste een hersenbloeding had gehad. Ik had, onbewust, een knop omgedraaid, geprobeerd mezelf onkwetsbaar te maken. Door mezelf zo af te sluiten, leek ik misschien heel sterk, maar het tegendeel was waar. Toen ik mijn man leerde kennen, ging het schild weer naar beneden en kon ik weer in tranen uitbarsten als er iets gebeurde – ik kon mezelf weer zijn.

Ik heb nooit hard voor de ander willen zijn, ik was hard voor mezelf. Flink zijn. Niet laten zien hoe moeilijk je het hebt. Ik hield mezelf voor de gek. Maar ik weet ook dat ik al die tijd heb gedacht dat ik mazzel had gehad; het had allemaal veel erger gekund. Ik kon weer lopen, ik kon weer zingen, een carrière opbouwen, een gezin stichten. Die kleinigheidjes – af en toe je been niet onder controle kunnen houden – moet ik op de koop toe nemen.”

IX. Gij zult geen onkuisheid begeren
„Volgens mij zijn jongens nuchterder dan meisjes. Je ziet het ook bij ’Idols’: het zijn altijd de gillende meisjes die op de jongens stemmen. Jongens dwepen niet. Ze zien mij als een zangeres. Ik heb nooit last gehad van opdringerige fans en ik ben ook nooit in de verleiding geweest om mijn man met een of andere bewonderaar te bedriegen.”

X. Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort
„Als een ander meer succes heeft, dan heeft dat een oorzaak. Succes heb je niet zomaar. Jan Smit en Nick & Simon hebben niet alleen de juiste mensen achter zich staan, ze hebben ook een bepaalde uitstraling en een enorme inzet. Als je kijkt naar Marco Borsato, die in zo’n vol stadion staat: dat moet je wel aankunnen. Je hebt die liedjes misschien vijfhonderd keer gezongen, maar het is – met al die camera’s op je gericht en dat enorme publiek voor je neus – toch een ander verhaal.

Mensen die zo hoog staan, zijn stuk voor stuk perfectionisten. Ik weet niet of ik mijn hoofd zo koel zou kunnen houden. Ik ben ook een streber. Ik doe mijn uiterste best, ik benut mijn talenten, maar ik hoef niet per se méér. Ik kan me verbazen over mensen die meer en meer willen. Denk je soms dat je het eeuwige leven hebt? Er is voor mij geen voor en na de hersenbloeding – ja, ik heb begrepen dat het zomaar afgelopen kan zijn, maar ik ben in wezen niet veranderd. Zo heb ik er altijd over gedacht.

Ik ben eigenlijk heel saai. Ik heb geen saai leven gehad, maar ik ben snel tevreden. Ik heb geen grote wensen. Ik wil dat het met de kinderen goed gaat. Ik wil dat ze hun studie afmaken, dat ze vooral iets gaan doen wat ze erg leuk vinden en waar ze goed in zijn. Dat maakt mij gelukkig. En ik ben natuurlijk benieuwd hoe het mij als soloartiest vergaat – of ik een ander publiek zal krijgen of de BZN-fans houd, of het allemaal klopt. Het is een ouderwets, opgewonden gevoel. Ik wil graag dat het lukt, ook voor de mensen die eraan hebben meegewerkt, maar mijn leven hangt er niet van af. Ik zie het wel. Eigenlijk ben ik een beetje zoals mijn vader: zo lang ik maar kan blijven zingen, is het goed.”

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.