Naar de inhoud

‘Ik was niet eens zo vreselijk bang. Ik dacht, mijn ouders moeten gered worden’

Bron: Stadskrant

‘Ik was niet eens zo vreselijk bang. Ik dacht, mijn ouders moeten gered worden’
Guusje Bander was veertien jaar toen de oorlog begon. Een gelukkige jeugd in Edam veranderde in een nachtmerrie. Haar ouders, de kunstenaars Jan Bander en Leonie Lutomirski, kwamen in grote problemen tijdens de Duitse bezetting. Hier volgt het tweede deel (slot) van het interview met Guusje Bander: de oorlogsjaren ’43-’45 en de jaren na de bevrijding.

“In september 1939 ging ik naar het Gereformeerd Gymnasium op de Keizersgracht in Amsterdam. Dat was een wat stijve, maar gedegen school. Het was een particuliere instelling en het schoolgeld was daar afhankelijk van het inkomen. Voor een gemeentelijk gymnasium, zoals het Barlaeus, moesten leerlingen die van buiten de stad kwamen, altijd het hoogste tarief betalen. Dat was voor mijn vader erg bezwaarlijk. In de oorlog kon ik gewoon naar school, behalve het laatste jaar. Mijn ooms en tantes Lutomirski woonden op de Herengracht 64. Dat was tamelijk dichtbij. Ik ging er wel heen. In juni 1943 is daar een razzia geweest. Een oom en twee tantes zijn toen weggehaald: Isidor, Suze en Mina.

Familie
Mijn tante Lies was ook thuis, maar die wist zich te verstoppen. Er woonde ook een verpleegster in, een vriendin van haar: zuster Van Leeuwen. Een schat van een mens uit een echt orthodoxe joodse familie. Bij die inval deed die zuster Van Leeuwen open en zij heeft mijn tante Lies schuil gehouden achter de deur, een grote zware deur. Zelf zal ze in die tijd nog zijn vrijgesteld vanwege haar beroep, zij werd niet meegenomen. Mijn tante Lies had eerder iemand leren kennen, de dochter van een bakker op de Keizersgracht. Deze dochter had haar eens gezegd dat ze daar wel onder mocht duiken en zo zijn mijn tante Lies en haar vriendin na die inval daar terechtgekomen. In diezelfde tijd zijn nog twee zusters van mijn moeder opgepakt: Agnes en Martha. Agnes woonde in Rotterdam. Martha was geestelijk wat achtergebleven. Zij was al enige tijd voor die razzia naar de Joodse Invalide aan het Weesperplein gegaan. In juni 1943 is zij daar afgevoerd en nooit meer teruggekomen.

De inval
In een nacht in augustus ’44 is die inval bij ons thuis geweest. Mijn vader werd gezocht, want hij zou een illegaal krantje verspreiden en een stencilmachine hebben. Mijn moeder sliep altijd onder de grond, maar het was er zo ongezond en akelig dat ze had besloten weer boven te gaan slapen. Mijn vader had op zolder een schuilplaats gemaakt, voor alle zekerheid, naast het kamertje onder het aflopend dak. Helemaal achteraan in dat loze stuk had hij een luikje gemaakt, met aan de binnenkant de schanieren, zodat het niet opviel. Toen die inval kwam, wilde mijn moeder eerst nog naar beneden vluchten uit angst. Er was een grote trap, daar is zij van afgevallen. Uit angst gaf ik haar een zet, zodat ze de trap afviel, tegen de gesloten deur onder aan de trap. Een wonder dat die valpartij nog goed afliep. Toen zijn beiden naar die schuilplaats op zolder gegaan.

Bij buurmeisjes in bed gekropen
Zelf ben ik naar de familie Roelofsma gevlucht, die woonde vlak naast ons. Vroeger, ver voor onze tijd, waren de twee huizen één geweest. In mijn kamer was een diepe kast, aan het einde zat een deur naar het buurhuis. Mijn vader had op de voordeur in mijn kamertje een bureautje getimmerd, ter camouflage. Door die kast ging ik naar de buren. Ik ben toen bij die buurmeisjes in bed gekropen. Daar hebben ze mij gevonden. Van mijn vader hoorde ik later dat ze wel op de zolder geweest zijn, en daar ook met een lamp in dat loze stuk geschenen hebben. Mijn vader zei, als we een kuchje hadden gegeven, dan waren we verraden geweest. Mij hebben ze niet meegenomen. Waarom is me nog altijd een raadsel. Ik was toen achttien, bijna negentien. Van Zuijlen en Korver hebben ze die nacht van huis meegenomen. Jan Korver is nooit meer teruggekomen. Dat was zo treurig, dat die man was weggehaald.

‘Alleen’ in huis
Mijn vader moest natuurlijk onderduiken. Mijn ouders hebben een tijd samen onder de grond gezeten, in hoofdzaak ‘s nachts. In de voorkamer, waar ook de hoofdkraan voor het water zat, gingen ze onder de grond en dan kropen ze helemaal door naar het midden van het huis, naar de vestingkant. Ik hielp hen er altijd in, en dan deed ik daarna het luik dicht. Een vaste mat ging erover heen. Het was moeilijk om eruit te komen. Ik was nu alleen in het huis, dus kwam het dienstmeisje bij mij in het huis slapen. Eerst wist ze niet dat mijn ouders ondergedoken zaten. Maar dat was niet vol te houden. Toen heb ik het haar verteld. In de winter ‘44-‘45 was het behoorlijk koud, met de kerst zeker. Die had ik bij de familie Plas in de Spuistraat in Edam doorgebracht. Ik kwam ’s morgens thuis en ik had de sleutel vergeten, zodat ik het huis niet in kon. Mijn ouders zaten onder de grond. Buiten, aan de vestingkant, was een luchtroostertje en daar kon ik ze bereiken. Ik ben daar ‘s morgens vroeg zo onopgemerkt mogelijk in die struiken gegaan, en heb gezegd dat ik de sleutel niet had. Toen is mijn vader naar voren gekropen en heeft een ander, kleiner luik in de gang met loper en al opgetild en zo heeft hij mij binnengelaten.

Ondergedoken oom
Oom Hugo, een broer van mijn moeder, zat in maart 1943 bij ons ondergedoken. Hij zat in het batikkamertje verstopt. Dat noemde we zo, omdat mijn moeder er batikte. Hij heeft er een aantal maanden gezeten. Hij leerde zichzelf Grieks uit mijn schoolboeken. Toen ze bij ons aan de deur kwamen met de bedoeling mijn moeder te arresteren, heeft het dienstmeisje hem ’s avonds geholpen weg te komen. Hij is met de tram naar Amsterdam gegaan en daar is hij ondergedoken. Op een gegeven moment is hij op het adres terechtgekomen waar mijn tante Lies en haar vriendin zaten. Dat gaf eerst wel wat consternatie. Het was er zo klein, drie onderduikers, heel primitief op een zolderkamertje. Die familie was heel erg goed voor hen. Volgens mij wisten ze eigenlijk niet goed hoe gevaarlijk het was, want als er een inval was konden ze nergens naar toe. Oom Hugo heeft daar een hele tijd gezeten, misschien wel een jaar. Het eten wat ze kregen was natuurlijk minimaal. Toen ik naar school ging, zat ik er niet zo ver vanaf, dus ging ik er nog al eens naar toe en bracht ze wat. Maar het laatste jaar was dat ook afgelopen. Toen werkte niets meer. Er waren geen kolen, de tram reed niet meer en de jongens hadden kans opgepakt te worden.

Gestorven aan ondervoeding
Oom Hugo is in februari 1945 gestorven. Dat is een heel akelig verhaal. Ik denk dat hij gewoon aan ondervoeding is gestorven. Nou, dat was natuurlijk een groot probleem. Want wat doe je ermee? Er was al plan om hem in een gleuf tussen de huizen aan de Keizersgracht te laten zakken. Gelukkig was daar de verpleegster, die het lijk eerst heeft gebalsemd en toen op de zolder een kist heeft gevonden, weliswaar te klein, maar het lukte. Enige dagen later ontvingen wij een brief, aan mij gericht, met de tekst: ‘Hugo de Groot in de boekenkist komt eraan.’ Het duurde even eer wij begrepen wat er aan de hand was. Er was een vrachtrijder in Edam, een aardige man, die nog per boot de verbinding met Amsterdam in stand hield. Hij nam voor familie en kennissen van ons wel eens voedsel mee. Ze hebben oom Hugo aan hem meegegeven. Zo is hij in de Baanstraat gekomen, zonder dat de vervoerder wist wat er in de kist zat. Dat was natuurlijk een groot risico. Toen zaten wij ermee. Er moest op alle fronten gehandeld worden. Huisarts Van Bommel, die waarnam voor de gevluchte Becker, heeft de lijkschouwing gedaan. Vervolgens werd Piet Spaander ingeschakeld, die ’s avonds met een handkar de kist heeft laten weghalen. In die dagen ben ik erg bang geweest, ik was tenminste erg opgelucht toen hij was opgehaald. Mijn oom is op een rustig plekje helemaal vooraan op de algemene begraafplaats in Edam begraven.

Na de oorlog
Tante Lies met haar vri
endin hadden natuurlijk geen huis meer toen de oorlog was afgelopen. Ze konden voorlopig bij ons logeren, maar er was geen enkele verbinding met Amsterdam. Boer Boerlage kende ik goed. ’s Zomers hielp ik er vaak met melken en hooien. Hij heeft ze met paard en wagen opgehaald, mijn vader en ik zijn meegereden. Ik zie die twee nog staan met hun bagage bij de pont in Amsterdam-Noord. Ze zijn maanden bij ons geweest. Er werd in de familie over de oorlog gesproken, maar heel nuchter eigenlijk. Ja, heel typisch. Tante Margo had ondergedoken gezeten bij een textielfabrikant in Enschede, zij heeft het overleefd. Oom Karel zat al voor de oorlog in Amerika. Drie zusters hebben het overleefd: mijn moeder, Margot en Lies.

Tussen de koeien
In ‘45 kregen we ons einddiploma van het gymnasium zonder examen te doen. In januari ’46 ben ik diergeneeskunde gaan studeren in Utrecht. Het was eventjes zo vol dat de lichting ’45 pas in januari ’46 kon komen. Ik woonde wel officieel in Utrecht, maar ik was toch veel thuis. Ik heb drie winters bij de dierenarts in Oosthuizen geassisteerd. Dat begon al in ’47, want toen was de universiteit gesloten, er waren geen kolen. Er was een groot gebrek aan dierenartsen voor de georganiseerde TBC-bestrijding, later voor de mond- en klauwzeerbestrijding. Ik vond dat fantastisch, de hele dag tussen de koeien en de boeren. Mijn vader is in 1956 overleden. In 1958 heb ik me laten uitschrijven uit Edam. Samen met mijn moeder had ik een huis gekocht in Wassenaar, dicht bij de praktijk in Den Haag. Mijn moeder is in 1982 overleden.

De herinnering blijft toch
Ik kan het me nu nauwelijks voorstellen dat dit allemaal gebeurd is. De aandacht die er nu voor is, was er toen niet. Men had eigenlijk geen idee… En het leven ging verder. Die brief over Hugo de Groot in de boekenkist moet ik nog wel ergens hebben. Ik heb ook nog schetsen van neef Eddy. Ondergedoken heeft hij nog getekend, onder andere een uitzicht uit het raam. Ik heb altijd zijn viool bewaard. Een paar jaar geleden heb ik hem verkocht. Een instrument gaat zo achteruit als je hem niet gebruikt. De herinnering blijft toch.”

Erik Besseling

Nog 1000 van de 1000 tekens

Je e-mailadres wordt niet getoond en alleen gebruikt om je op de hoogte te houden van antwoorden.