Misschien is het goed als Anneke van de prinsenbar zich ook even inleest. De gemeente heeft een horecabeleid, op papier en officieel vastgesteld, en het is erg handig als horecaondernemers ook eens de tijd nemen om dat te lezen. Hieronder het stukje over terassen. Het is niet zo moelijk om te zien dat een terras in de Batummburgerstraat op grond van dit beleid helemaal niet mag.
HOOFDSTUK 7 TERRASSENBELEID
Inleiding
De Gemeente Edam-Volendam beschikt over fraaie oude centra en prachtige natuurgebieden met
volop recreatiemogelijkheden. Het toeristische karakter van de Gemeente Edam-Volendam brengt met
zich mee, dat er in de centra naast de winkels ook een concentratie van horecagelegenheden is. Dit
heeft tot gevolg, dat er zich vooral in het zomerseizoen op en achter de Dijk terrassen, uitstallingen,
reclameborden, zonneschermen en dergelijke op of boven de openbare weg bevinden. Op zich hoeft
dit niet bezwaarlijk te zijn, zolang de bruikbaarheid van de openbare weg niet in het geding komt, het
straatbeeld de kwaliteit bezit die de gemeente nastreeft en gebruikers van in de nabijheid gelegen
onroerende zaken er geen onaanvaardbare hinder van ondervinden.
Aanleiding opstellen beleid
In de praktijk kan het gebruik van het voor hen bestemde gedeelte van de openbare weg door
voetgangers, rolstoelgebruikers en mensen met kinderwagens in het nauw komen. Vaak dienen zij uit
te wijken naar de rijbaan, hetgeen gevaarlijke situaties kan opleveren. De verkeersveiligheid en
bruikbaarheid van de openbare weg moeten derhalve gewaarborgd worden. Ten gevolge van de
uitstalling van diverse objecten ontstaat er een wat onoverzichtelijk straatbeeld. Aangezien de
gemeente de kwaliteit van de ruimte hoog in het vaandel heeft staan, vormt het versterken c.q.
handhaven van de kwaliteit van het openbaar gebied, tevens reden tot het opstellen van beleid.
Daarnaast komt het voor dat met name bewoners van het centrum hinder ondervinden van diverse
objecten in de nabijheid van hun woning; ter voorkoming of beperking daarvan is regelgeving van
belang. Tenslotte is het als eigenaar van de openbare ruimte belangrijk het gebruik van de openbare
ruimte te regelen al dan niet tegen betaling van een vergoeding.
Met het opstellen van dit beleid willen wij voor de toekomst vastleggen onder welke omstandigheden
en onder welke voorwaarden de openbare weg voor andere dan verkeersdoeleinden kan worden
gebruikt. Hierbij is het niet de bedoeling om andere dan verkeersactiviteiten op de openbare weg te
verbieden; dat zou namelijk de levendigheid van het straatbeeld teveel aantasten en tekort doen aan
een bredere functie die met name het Dijkgebied heeft. Wij willen echter komen tot een zekere
ordening van andere dan verkeersactiviteiten op de weg, zodat de weg aan zijn oorspronkelijke
bestemming kan blijven beantwoorden en de openbare ruimte de kwaliteit bezit die de gemeente
nastreeft.
Instrumenten
Met het opstellen van beleid staan een aantal instrumenten tot de beschikking. Genoemd worden de
APV, het bestemmingsplan en nadere regelgeving waaronder bijvoorbeeld de Drank- en Horecawet,
die alle publiekrechtelijk van aard zijn. Daarnaast brengt de eigendom van onroerende zaken met zich
mee dat ook privaatrechtelijke bevoegdheden ingezet kunnen worden. Bij het realiseren van het beleid
zullen die instrumenten hetzij apart, hetzij in combinatie worden gebruikt.
Beleid
Bij het formuleren van het beleid moet worden uitgegaan van duidelijke regels, zodat iedereen weet
wat er van hem of haar verwacht wordt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen algemene
beleidslijnen en specifieke beleidslijnen, omdat er bijvoorbeeld voor het plaatsen van een terras op de
openbare weg andere uitgangspunten kunnen zijn dan voor reclameborden. Het beleid beperkt zich
tot een regeling voor terrassen.
Handhaving
Op de naleving van de regels zal consequent moeten worden toegezien, wil de doelstelling van het
beleid gehaald worden. Hierin ligt een gezamenlijke taak voor de gemeente en politie.
Gebruik gemeentegrond
Het gebruik van openbare ruimte zal geregeld moeten worden, waarbij een keuze gemaakt kan
worden tussen de publiekrechtelijke weg en de privaatrechtelijke weg. Aangezien de Gemeente
Edam-Volendam reeds beschikt over een precarioverordening, zal doorgaans voor de
publiekrechtelijke weg worden gekozen.
Algemene beleidsregels
De bepalingen inzake voorwerpen of stoffen op, aan of boven de openbare weg uit de APV zijn vrij
ruim geformuleerd teneinde een basis te hebben voor het gemeentelijk toezicht op het gebruik van de
openbare weg. Uit de tekst valt niet altijd direct af te lezen of bepaalde activiteiten op de openbare
weg al dan niet zijn toegestaan. Evenmin is het duidelijk welke regels in acht dienen te worden
genomen. Ze dienen dan ook meer als een juridisch kader om ongewenst gebruik tegen te gaan.
Tot op heden is bij de verlening van vergunningen voor het hebben van voorwerpen of stoffen op, aan
of boven de openbare weg – voor zover deze vergunningen werden aangevraagd – het “beleid”
gevoerd, dat er op het voor voetgangers bestemde gedeelte van de openbare weg te allen tijde een
doorgang gewaarborgd dient te blijven. Aan een consequente handhaving van dit beleid en aan een
constante controle op het al dan niet aanwezig zijn van benodigde vergunningen heeft het in de
praktijk ontbroken met als gevolg een wildgroei van obstakels op de openbare weg.
Om meer expliciet aan te geven welke regels in acht dienen te worden genomen ten aanzien van het
gebruik van de openbare weg, dienen de bepalingen dus verder geconcretiseerd te worden.
Uit artikel 2.1.5.1. van de APV is gebleken dat er een drietal weigeringsgronden zijn:
1. de verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de openbare weg;
2. het niet voldoen aan de redelijke eisen van welstand;
3. de overlast of hinder die gebruikers van de in nabijheid gelegen onroerende zaken ervan kunnen
ondervinden.
Verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de weg
Het belangrijkste criterium voor de toelaatbaarheid van het plaatsen van objecten op de openbare weg
is, dat deze objecten zowel direct als indirect geen gevaar, hinder of overlast voor de gebruikers
mogen veroorzaken.
Direct gevaar, hinder of overlast voor gebruikers van de openbare weg
Het spreekt voor zich dat het vanuit oogpunt van verkeersveiligheid nooit de bedoeling kan zijn dat
obstakels geplaatst worden op de voor de rijbaan bestemde gedeelten van de openbare weg.
Daarnaast dient boven dit gedeelte minimaal 4,50 meter vrije ruimte te bestaan, gebaseerd op de
normen voor de maximale hoogte van vrachtverkeer, die 4,20 meter bedragen.
Voor wat betreft het waarborgen van voldoende vrije ruimte op de voor voetgangers bestemde
gedeelten van de openbare weg, zodat uitwijken naar de rijbaan en daarmee verkeersonveiligheid
voorkomen kan worden, heeft de gemeente volledige beleidsvrijheid. Uit de richtlijnen van het
Ministerie van Verkeer en Waterstaat en uit jurisprudentie zijn echter normen te destilleren die als
richtsnoer gelden. Daarnaast beveelt het “handboek verkeersvoorzieningen voor mensen met een
handicap” als profiel van vrije ruimte aan:
- voor mensen die met een wandelstok lopen: 0,90 meter;
- voor een blinde of slechtziende met een tasstok: 1,20 meter;
- voor een rolstoelgebruiker: 1,50 meter.
Boven dit gedeelte dient minimaal 2,20 meter vrije ruimte te bestaan teneinde te voorkomen dat men
het hoofd stoot.
Over het algemeen is het onderscheid tussen de verschillende bestemde gedeelten van de openbare
weg fysiek zichtbaar door verschil in gebruikt bestratingmateriaal, hoogteverschil (trottoirs) dan wel
door middel van aangebrachte belijning.
Beleidsregel 1
De voor de rijbaan bestemde gedeelten van de openbare weg dienen volledig obstakelvrij te zijn,
terwijl de vrije doorrijhoogte minimaal 4,50 meter bedraagt. In de Gemeente Edam-Volendam geldt als
richtlijn 0,90 meter als gehanteerde norm voor vrije ruimte op de voor voetgangers bestemde
gedeelten van de openbare weg meter, terwijl hierboven 2,20 meter vrij moet blijven.
Indirect gevaar, hinder of overlast voor gebruikers van de openbare weg
Indirect gevaar, hinder of overlast kan ontstaan wanneer het object schade aan de weg veroorzaakt,
waardoor de feitelijke bruikbaarheid van de weg in het geding komt. Doorgaans betreft dit zware
objecten zoals containers en bouwmaterialen, of vervuilende objecten zoals autowrakken. Het mag
duidelijk zijn dat deze laatste in geen geval geplaatst mogen worden en direct optreden vereisen. Voor
wat betreft het plaatsen van zware materialen kan toestemming worden verleend, met inachtneming
van de toegankelijkheidsnorm en mits er goede afspraken gemaakt worden ter voorkoming van
schade dan wel het direct herstellen van de schade. Het verwijderen van klinkers of tegels voor het
plaatsen van objecten is enkel mogelijk wanneer er geen goede alternatieven zijn en alleen onder
toezicht van de gemeente.
Beleidsregel 2
Vervuilende objecten die schade aan de weg kunnen veroorzaken zijn nooit toegestaan, zware
objecten dan wel objecten die geplaatst worden door middel van het verwijderen van klinkers of
tegels, alleen onder nadere voorwaarden.
De redelijke eisen van welstand
Het plaatsen van een object kan vanwege zijn verschijningsvorm of juist de beoogde locatie niet
voldoen aan de redelijke eisen van welstand en daarom ongewenst zijn. Hiervoor dient te worden
teruggegrepen op het bepaalde in de welstandsnota, die volgens de Woningwet nodig is. Per soort
object dienen daarin toetsingscriteria te worden geformuleerd.
Beleidsregel 3
Voor de verschillende soorten objecten kunnen “welstandscriteria” geformuleerd worden gelet op de
verschijningsvorm en/of de beoogde locatie.
Overlast voor gebruikers van in nabijheid gelegen onroerende zaken
In zijn algemeenheid moet overlast c.q. hinder voor gebruikers van de in nabijheid gelegen
onroerende zaken ten gevolge van de aanwezigheid van objecten op de openbare weg voorkomen
dan wel beperkt worden. Met name bewoners kunnen – direct dan wel indirect – hinder van objecten
ondervinden.
Directe hinder ten gevolge van een object
Directe hinder ontstaat natuurlijk wanneer de toegang of ontsluiting van de in de nabijheid gelegen
onroerende zaken onmogelijk wordt gemaakt door de plaatsing van het object. Bij het verlenen van
medewerking zal toegezien worden op de precieze locatie. Blijkt hinder of overlast onontkoombaar
dan zal medewerking geweigerd worden.
Beleidsregel 4
De toegang of ontsluiting van belendende percelen mag niet belemmerd worden.
Indirecte hinder ten gevolge van een object
Van indirecte hinder is sprake wanneer ten gevolge van de aanwezigheid van het object hinder
ontstaat. Gedacht kan worden aan licht- en geluidsoverlast. Bepalend is natuurlijk of hierbij de
aanvaardbare grenzen overschreden worden. Hierbij zijn de normen van de hierop toeziende
regelgeving van toepassing (bijvoorbeeld het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
milieubeheer).
Beleidsregel 5
Teneinde indirecte hinder of overlast van objecten te voorkomen, zijn de aanvaardbare normen van
hierop toeziende regelgeving van toepassing.
Zoals eerder gesteld voorziet het bestemmingsplan elke onroerende zaak van een bestemming
waaruit de eventuele gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden af te leiden zijn. De openbare weg en/of
ruimte heeft meestal de bestemming verkeers- en verblijfsdoeleinden. Dit betekent echter niet dat het
plaatsen van objecten op, aan of boven de openbare weg automatisch strijdigheid tot gevolg heeft.
Wanneer een en ander past binnen het kader van de APV, is er geen aanleiding voor optreden.
Nadere regelgeving
Het plaatsen van objecten aan, op of boven de openbare weg is veelal onderhevig aan nadere
regelgeving. Per soort object dient dit in beeld te worden gebracht en meegenomen te worden in de
behandeling van de aanvraag van de vergunning.
Eigenaarbevoegdheden
Hoewel de openbare weg veelal gemeente-eigendom betreft, wordt vanuit de visie dat het tevens
publieke ruimte betreft meer toegestaan dan op basis van het privaatrecht behoeft. Zolang voldaan
wordt aan de eisen uit de publiekrechtelijke regelingen hoeft dit ook geen problemen op te leveren.
Desalniettemin is het zaak het gebruik goed te regelen. De Gemeente Edam-Volendam heeft een
precarioverordening op basis waarvan gebruikers van gemeentegrond belasting betalen.
Beleidsregel 6
Voor het gebruik van gemeentegrond is precariobelasting verschuldigd.
Beleidsregels voor het plaatsen van terrassen op de openbare weg
Vanuit de algemene beleidsregels kunnen ten aanzien van het plaatsen van terrassen de volgende
specifieke beleidsregels worden geformuleerd, waarbij uitgegaan wordt van normale omstandigheden.
In bijzondere gevallen (bijvoorbeeld tijdens evenementen) kan worden afgeweken van deze
beleidsregels. Onder verwijzing naar het gestelde onder “evenementen” zal hierop verder worden
ingegaan.
Betreffende het plaatsen van terrasmeubilair is ons voornemen om niet zonder meer medewerking te
verlenen aan uitbreiding van het huidige aantal vierkante meters terras. Waar mogelijk zal eerder
gekozen worden voor het terugdringen van het aantal terrassen c.q. de omvang daarvan. Hiervan is
met name sprake in die situaties waarbij de laatste jaren zonder terrasvergunning enig terrasmeubilair
geplaatst is, zonder dat daartegen is opgetreden, maar onder het nieuwe beleid niet toegestaan kan
worden. Aan verzoeken tot het plaatsen van een terras op plekken waar nu nog geen terras aanwezig
is, maar waar dit in het kader van het nieuwe beleid wel ingepast kan worden, zullen wij – onder
voorwaarden – medewerking verlenen.
Beleidsregel 7: Obstakelvrije zone op en boven de openbare weg
Normale omstandigheden in acht genomen, kunnen terrassen niet geplaatst worden op de voor de
rijbaan bestemde gedeelten van de openbare weg. Op de voor voetgangers bestemde gedeelten van
de openbare weg zijn wel mogelijkheden, waarbij de gehanteerde norm voor een vrije ruimte van 0,90
meter gehanteerd wordt. Op plaatsen waar het mogelijk is meer ruimte vrij te houden en dit in verband
met de functie van desbetreffende ruimte naar het oordeel van het college de voorkeur geniet, wordt
de minimumnorm naar boven bijgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan gebieden die vanwege zeer
frequent gebruik meer vrije ruimte behoeven (doorstroming). De vrije ruimte boven dit gedeelte dient
minimaal 2,20 meter te bedragen; een zonneluifel mag dus nooit lager hangen.
In bijzondere gevallen (evenementen) kan het college in afwijking van het bovenstaande het gebruik
van de voor de rijbaan bestemde gedeelten van de openbare weg ten behoeve van de exploitatie van
een terras toestaan. Hierbij speelt het waarborgen van de toegang voor direct aanwonenden en ook
de hulpverleningsdiensten een belangrijke rol. Voor hulpverleningsdiensten dient de ongehinderde
doorgang minimaal 3,50 meter breed en 4,50 meter hoog te zijn.
Beleidsregel 8: Minimale diepte van terrassen
Het in acht nemen van de obstakelvrije zone van minimaal 0,90 meter, kan tot gevolg hebben dat de
mogelijkheid van het exploiteren van een terras beperkt wordt tot minder dan 1 meter. Hoewel het
plaatsen van terrasmeubilair dan nog wel mogelijk is, zal dit in de praktijk ten koste gaan van de
obstakelvrije zone ten gevolge van het gebruik door bezoekers. Gelet hierop wordt tegelijkertijd een
minimale diepte voor een terras vastgesteld, die – naast de obstakelvrije zone – beschikbaar moet zijn
voor het exploiteren van een terras. Deze minimale diepte dient zodanig te zijn dat in alle redelijkheid
een terras kan worden geëxploiteerd. In een optimale situatie is een diepte van 1,50 meter de norm.
Wanneer dit tot gevolg heeft dat een bepaald terras niet gerealiseerd zou kunnen worden, kan het
college overwegen een minimale diepte van 1,00 meter aan te houden. Anderszins behoort de
exploitatie van een terras niet tot de mogelijkheden.
Beleidsregel 9. Situering terrassen
Voor vergunning in aanmerking komende terrassen zijn gesitueerd in de onmiddellijke omgeving van
het horecabedrijf. Tijdens bijzondere gelegenheden (evenementen) kan voor de duur hiervan voor
andere (naastgelegen) panden het plaatsen van terrassen worden toegestaan. Belangen van
eigenaar/gebruikers van naastgelegen panden verdienen dan bijzondere aandacht. Weigeringgronden
voor de situering van terrassen zijn: vrees voor verstoring van de openbare orde en veiligheid,
verkeersveiligheid, welstandscriteria en de desbetreffende bestemmingsplannen.
Beleidsregel 10: Maximale oppervlakte van terrassen
Wanneer rekening gehouden wordt met al het hiervoor gestelde ten aanzien van diepte, breedte en
obstakelvrije zone, zijn er locaties die volledig benut zouden kunnen worden voor het plaatsen van
een terras. Aangezien dit niet overeen hoeft te stemmen met een ter plaatse beoogd straatbeeld, is
het college bevoegd aan het terras een maximumoppervlakte te verbinden. Deze situatie kan zich
bijvoorbeeld voordoen op plaatsen waar de voor voetgangers bestemde gedeelten van de openbare
weg heel royaal zijn of op het voor parkeren bestemde gedeelte van de openbare weg.
Beleidsregel 11: Terrasschotten
Om bezoekers uit de wind te laten zitten, mogen terrasschotten worden geplaatst, mits het geen vooren
tussenschotten parallel aan de weg betreft. Een maximale hoogte van 1,50 meter is voldoende om
aan dit doel te voldoen, waarvan minimaal 0,75 meter volledig transparant dient te zijn. De lengte van
terrasschotten is afhankelijk van de breedte van het betreffende terras, maar mag nooit langer zijn dan
de maximaal toegestane breedte van het terras (diepte). De terrasschotten dienen bovendien
demontabel/inklapbaar te zijn, zodat zij kunnen worden verwijderd gedurende de tijden dat de
terrassen niet worden geëxploiteerd en de tafeltjes en stoeltjes van het terras zijn verwijderd. Naast
deze in de vergunning op te nemen terrasschotten, zijn er ook terrasschotten, die op eigen terrein –
geen deel uitmakende van de weg – zijn gesitueerd. Ten behoeve van deze meer permanente
terrasschotten zullen daarvoor mogelijk de benodigde vergunningen op grond van de Woningwet
moeten worden aangevraagd.
Beleidsregel 12: Terrasinrichting
Aangezien onder meer in het straatbeeld van de Gemeente Edam-Volendam kwaliteit wordt
nagestreefd, is het voor de hand liggend ook ten aanzien van de inrichting van terrassen
kwaliteitscriteria op te stellen.
Er mogen slechts tafels en stoelen van aantoonbaar brandveilig materiaal gebruikt worden die passen
bij de inrichting. Parasols (incl. voet) mogen alleen gebruikt worden indien zij een semi-permanent
karakter hebben en als afzonderlijke elementen herkenbaar blijven. Bovendien moeten deze
inklapbaar zijn en parasolvoeten dienen verwijderd te kunnen worden. In uitgeklapte toestand moet
zich de onderkant van de volant op minimaal 2,20 meter hoogte bevinden en mogen de grenzen van
het terras niet overschreden worden.
De aan het terras gerelateerde objecten, waaronder maximaal één reclamebord, mogen niet groter
zijn dan 0,80 bij 1,15 meter. De totale constructie mag niet hoger zijn dan 1,50 meter en niet breder en
dieper dan 1,00 meter. Deze objecten dienen binnen de grenzen van het terras te worden geplaatst.
Verlichting- en verwarmingselementen mogen alleen op een terras direct grenzend aan een pand
aangebracht worden aan de gevel. Bij wijze van uitzondering kan ingeval de maatvoering van het
terras tot gevolg heeft dat de op deze wijze aangebrachte verlichting dan wel verwarming ondercapaciteit
tot gevolg heeft in overleg met de gemeente gezocht worden naar een passende oplossing.
Beleidsregel 13: Terrasseizoen
De vergunning is alleen van kracht gedurende het terrasseizoen, ofwel de maanden april tot oktober.
Het terrasmeubilair, schotten en andere voorwerpen voor zover afkomstig van het terras op de
openbare weg, dienen buiten dit seizoen van de openbare weg verwijderd te zijn. Het is niet
toegestaan buiten de inrichting terrasmeubilair op te stapelen, tenzij het op een brandveilige manier in
overleg met de sector Brandweer/Veiligheid gebeurt en er in de terrasvergunning toestemming voor
wordt verleend. In incidentele gevallen kan het college overwegen medewerking te verlenen aan het
plaatsen van een terras op de openbare weg waarbij nadere voorwaarden worden gesteld.
Beleidsregel 14: Openingstijden van het terras
Het terras mag dagelijks geëxploiteerd worden van 09:00 uur tot 22:00 uur. In de nachten van vrijdag
op zaterdag en zaterdag op zondag mag het terras geëxploiteerd worden tot 24:00 uur, met
uitzondering van terrassen die gesitueerd zijn in de directe nabijheid van een woning. Na sluitingstijd
dient het terrasmeubilair op zijn minst opgestapeld te worden en op een afdoende wijze te worden
beveiligd. De Gemeente Edam-Volendam is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van diefstal,
vandalisme etc.
Beleidsregel 15: Afval op de openbare weg ten gevolge van gebruik van terras
De vergunninghouder dient ervoor zorg te dragen dat het terras en de naaste omgeving daarvan (ca.
25 meter) vrij blijven van afval en andere ongerechtigheden afkomstig van of veroorzaakt door het
gebruik van het terras.
Beleidsregel 16: Muziek
Op het terras mag geen live-muziek ten gehore worden gebracht. Tijdens een collectieve festiviteit als
bedoeld in artikel 4.1.2. APV of indien een kennisgeving incidentele festiviteit op grond van artikel
4.1.4. APV is gedaan en artikel 4.1.4. APV niet van toepassing is, kan door het college onder
bepaalde voorwaarden ontheffing worden verleend.
Beleidsregel 17: Gedragsregels
De vergunninghouder is gehouden te doen en na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden
om hinder en overlast, veroorzaakt door de op een terras aanwezige bezoekers, te voorkomen of
beperken.
Beleidsregel 18: Terrassen op niet openbare gronden
Voor de beoordeling of terrassen op niet openbare gronden toelaatbaar zijn of niet, dient gekeken te
worden naar het betreffende bestemmingsplan.
Beleidsregel 18: Precariobelasting
De mogelijkheid tot het gebruik van de openbare weg voor commerciële doeleinden heeft zonder
twijfel een meerwaarde voor de bedrijfsvoering. Anderzijds heeft de aanwezigheid van terrassen ook
een meerwaarde voor de uitstraling en beleving van de Gemeente Edam-Volendam. Indien het terras
op gemeentegrond wordt geplaatst, dient precariobelasting te worden betaald. Indien het terras op
particuliere grond wordt geplaatst, is geen precariobelasting verschuldigd. Wel zijn dan leges
verschuldigd vanwege de afhandeling van de vergunningaanvraag.
Beleidsregel 19: Gebruik gemeentelijk eigendom
Het is niet toegestaan:
1. veranderingen in de grond aan te brengen, waaronder in ieder geval begrepen het slaan van
palen en pennen en het verwijderen van klinkers of tegels;
2. de grond op enige wijze geheel of gedeeltelijk aan derden in gebruik te geven;
3. gedurende de periode dat door of vanwege de gemeente of vanwege nutsbedrijven
werkzaamheden in of aan de grond moeten worden uitgevoerd, dit in te richten als terras.
Gedurende de periode dat de vergunninghouder geen gebruik kan maken van de plaats waar het
terras zich normaliter bevindt, bestaat geen recht op schadevergoeding of restitutie, tenzij dit
schriftelijk anders is bepaald.
4. het college kan voor het genoemde in sub 1. ontheffing verlenen.
Beleidsregel 20: Markeringen
Ter afbakening van de grenzen van het terras worden op de openbare weg markeringen aangebracht
die voor beide partijen op niet mis te verstane wijze duidelijkheid schept. Deze markeringen worden
aangebracht door de gemeente door middel van zogenaamde “punaises”.