Wat wethouder Runderkamp niet vertelt: Ontluisterend beeld van de bestuurskwaliteit t.a.v. de dijk

Wat wethouder Runderkamp niet vertelt: Een ontluisterend beeld van de bestuurskwaliteit t.a.v. de dijk
Dit schrijven vormt een reactie op het artikel van wethouder Runderkamp in de Nivo van vorige week. Het schrijven van de wethouder bevatte veel halve waarheden en onjuistheden, terwijl Runderkamp juist anderen hiervan betichtte. Tegenover de meest ernstige punten stellen wij de ware feiten.
1. BUSSEN TIJDENS ACTIE “LOOP DE DIJK”
De wethouder schrijft dat “actievoerders van 26 augustus (…) tot 21 september de tijd hebben gehad om de actie te herzien” en “bewoners zelf bussen op de dijk hebben tegengehouden om de mensen uit te laten stappen. Dat dit vervolgens tot opstoppingen heeft geleid op de tijdstippen dat er geen bussen mochten komen laat men achterwege. Het veiligheidrisico heeft men dus zelf vergroot”. Op 17 september bleek dat de neringdoenden van en rond Spaander de burgemeester zó onder druk hadden gezet dat deze de oorspronkelijk vergunde 5 uur actietijd (12-17u) terugbracht naar 2 x ½ uur (13.30-14.00u en 15.30-16.00u). Dat er in busvrije tijd toch toeristenbussen op het Noordeinde reden lag niet aan handelingen van de bewoners maar aan nalaten van de gemeente. In de vergunning stond dat de gemeente zelf maatregelen zou treffen om toeristenbussen van het Noordeinde te weren in de twee halve uren. Bewoners hebben in deze halve uren geen bussen tegengehouden om mensen te laten uitstappen. De grote stoet bussen die rond 13.30u vanaf de Haven het Noordeinde op kwam waren vertrekkende bussen richting Kras, waarvan een deel bovendien leeg was. In een interview met RTV-NH zei een chauffeur zich rot te schamen: “Wat op de dijk van Volendam mag, mag nergens” en “verderop parkeren is geen probleem”. Volgens de chauffeurs was hen rond 13.30u niets in de weg gelegd om van parkeerterrein Spaander naar het Noordeinde te rijden. De opstopping is dus te wijten aan de gemeente. Een ieder die de mensen op het Noordeinde heeft gezien, begrijpt dat 5 uur actietijd zonder bussen minder risico’s met zich meebrengt dan 2 x ½ uur bij een vloed van bussen. Foto’s en TV-beelden leveren de bewijzen.
2. DIJKVERSTERKING NOORDEINDE
Over het rapport over dijkversterking merkt de wethouder op dat twee mogelijkheden worden onderzocht, waarvan er één is dat er een nieuw aan te leggen dijk naast het Noordeinde komt. Wat hij er niet bij vermeldt is dat ook innovatieve methoden worden onderzocht waarbij het uiterlijk van de dijk hetzelfde kan blijven. Wel refereert hij aan de verbouwing van het Nicolaashof waarbij 60 units op het parkeerterrein Parallelweg zouden moeten worden geplaatst. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat een tijdelijke woonvoorziening een vrijbrief vormt om het mooie Noordeinde en Willempie met een afrit definitief aan te tasten en de bestaande busoverlast nog jaren lang te faciliteren.
3. ANGST B&W VOOR SCHADECLAIMS
De passiviteit van B&W wordt duidelijk als de wethouder schrijft: “Wat A.H.A. ook niet kon weten maar de actievoerders des te meer is het feit dat de gemeente in 1970 reeds bekend heeft gemaakt dat: de openbaarheid van het achter het hotel Spaander gelegen parkeerterrein buiten twijfel staat en dat de uitbaters ter plaatse verplicht zijn te gedogen dat het betreffende terrein wordt gebruikt en instand gehouden als parkeerterrein voor een ieder, al dan niet tegen betaling van parkeergeld”. De wethouder vervolgt: “De actievoerders willen maar niet begrijpen c.q. accepteren dat er torenhoge schadeclaims komen indien de gemeente zich hier niet aan houdt. De actievoerders zijn in een vroeg stadium op de hoogte gebracht van het bestaan van deze correspondentie. Tegen beter weten in blijft men echter actie voeren om de dijk geheel verkeersvrij te krijgen”.
De grondruilingsakte van 1964
Uit de bewoordingen van Runderkamp concluderen wij dat hij zich baseert op een passage uit de akte van grondruiling uit 1964 (hierna: de akte) waarbij de gemeente het parkeerterrein achter Spaander aan Bouwbedrijf Hein Schilder overdraagt. De betreffende passage luidt: “Schilder is verplicht bij wijze van erfdienstbaarheid ten nutte van de percelen (…Havendijkje, Noordeinde, Haven ...) te gedogen, dat het lijdend erf wordt gebruikt en in stand gehouden voor een ieder als zodanig al dan niet tegen betaling van parkeergeld te gebruiken parkeerterrein (...)”. (cursivering tekst, ook hierna VBN)
Provinciale hoorzitting ‘weg onderlangs’: De gemeente over de akte
In 1998 stelt de gemeente zich bij de provinciale hoorzitting over ‘de weg onderlangs’ achter het standpunt van Schilder door te stellen dat: “De toerist in het toeristisch hart moet worden afgeleverd en opgehaald. Afstanden tussen parkeervoorzieningen en de toeristische dijk kunnen anders dan in toeristische pretparken, vanwege de onderlinge afstanden in relatie tot de korte verblijfsduur niet te voet worden overbrugd.( …) Dan hebben we het nog niet over het feit dat zich aan de havendijk hotels en logiesbedrijven bevinden en dat de gemeente zich t.o.v. Spaander privaatrechtelijk heeft verplicht het achter dit hotel gelegen parkeerterrein bereikbaar te houden”.
Uitspraak Gedeputeerde Staten: de akte
In 1998 onthouden Gedeputeerde Staten (GS) hun goedkeuring aan de ‘weg onderlangs’ en stellen hierbij dat “De privaatrechtelijke overeenkomst voor het gemeentebestuur uitgangspunt is geweest bij het zoeken naar een oplossing voor de verkeersproblemen. Nog afgezien van het feit dat naar onze mening uit deze erfdienstbaarheid niet voor de gemeente maar voor Schilder de verplichting voortvloeit te gedogen dat het parkeerterrein in stand wordt gehouden en als zodanig voor een ieder te gebruiken, zijn wij van mening dat een privaatrechtelijke overeenkomst bij een belangenafweging betrokken kan worden, maar dat dit er niet toe mag leiden dat er kennelijk op voorhand al niet meer naar alternatieven gezocht wordt. Wij zijn namelijk van mening dat in het kader van een goede belangenafweging er een gedegen onderzoek naar mogelijke alternatieven plaats dient te vinden”.
Beroep bij Raad van State: Hein Schilder BV over de akte
In 1999 stelt Schilder zelf bij de Raad van State beroep in tegen GS omdat Schilder vreest bij het niet doorgaan van de ‘weg onderlangs’ voor een aanzienlijk risico dat “het komt tot het verkeersvrij ma-ken van het totale gebied”. Schilder wijst op “het bestaan van de privaatrechtelijke verplichting, rus-tend op de gemeente, om het parkeerterrein als zodanig in stand te houden van doorslaggevend be-lang is geweest bij hun bedrijfseconomische beslissing om f 10 mln te investeren in hotel Spaander. De schade die zou ontstaan bij het verkeersvrij maken van het gebied leidt tot aansprakelijkheid van de Gemeente en daarmee tot beperking van de financiële armslag van de Gemeente hetgeen ook gegeven de beperkte omvang van de Gemeente zal leiden tot merkbaar ongerief voor alle betrokken burgers”. Schilder stelt verder voor waardevermindering van haar onroerend goed te vrezen.
Beroep bij Raad van State: De gemeente steunt Schilder wederom
In 1999 stelt de Gemeente bij de Raad van State: “Uitgangspunt voor de gemeente is in ieder geval dat hotel Spaander en restaurantbedrijf Van Diepen bereikbaar moeten blijven voor gemotoriseerd verkeer. Naar opvatting van de raad destijds, kon dat verkeerstechnisch alleen bereikt worden met een weg onderlangs”. Ondanks dat GS vonden dat alternatieven onvoldoende waren afgewogen, vindt de gemeente dat “gelet op de al jaren bestaande problematiek, er een afgewogen keuze is gemaakt voor de weg onderlangs”. De gemeente stelt zélf overigens geen beroep in tegen het besluit van GS.
Beroep bij Raad van State: Vereniging Behoud Noordeinde over de akte
In 2000 stelt de Vereniging Behoud Noordeinde bij de Raad van State: ”Schilder en de gemeente beweren dat de gemeente de verplichting heeft, te allen tijde ervoor te zorgen dat het parkeer-terrein van Spaander bereikbaar is voor bussen en auto’s. Volgens de akte rust deze verplichting echter op Schilder en niet op de gemeente, zodat het de VBN ontgaat waarom de gemeente zich gebonden acht het parkeerterrein bereikbaar te houden. De stelling van Schilder dat de gemeente aansprakelijk is voor schade die zou ontstaan bij het verkeersvrij maken van het gebied is dus van elke grond ontbloot. Bijgevolg hoeft ook niet te worden gevreesd voor een beperking van de financiële armslag van de gemeente die tot merkbaar ongerief van alle betrokken burgers zal leiden. En al zou er wel sprake zijn van een privaatrechtelijke verplichting, wat niet het geval is, dan nog kan dat geen rechtvaardiging opleveren voor een onevenwichtige belangenafweging. Het kan immers niet zo zijn dat het belang van Schilder boven andere belangen verheven is in de zin dat een oplossing voor het verkeersprobleem alleen aanvaardbaar is als het belang van Schilder ongemoeid wordt gelaten. Binnen de grenzen van de redelijkheid laten zich oplossingen bedenken waarbij van Schilder een concessie wordt gevraagd. Het betreft hier onderbouwde alternatieven die een oplossing aanreiken voor het verkeersprobleem op de dijk zonder dat dit gepaard hoeft te gaan met grote concessies aan de zijde van Schilder. Het individuele belang van Schilder mag geen aantasting betekenen van het algemene belang van het behoud van het Noordeinde. Het op onterechte gronden ingenomen standpunt van de gemeente mag er ook niet toe leiden dat Schilder alsnog rechten in deze jegens de Gemeente kan claimen”.
Uitspraak Raad van State: de akte
In 2000 stelt de Raad van State bij haar uitspraak: “Wat betreft de privaatrechtelijke overeenkomst van Schilder met de gemeente is de RvS van oordeel dat met tevoren gesloten privaatrechtelijke transacties wel rekening kan worden gehouden, doch deze kunnen een volledige planologische afweging niet in de weg staan. De overeenkomst tot grondruiling waarbij tevens een erfdienstbaar-heid op het parkeerterrein van Schilder werd gevestigd, nog daargelaten welke rechten Schilder hieraan zou kunnen ontlenen, kan alternatieve verkeerstrajecten niet op voorhand uitsluiten. GS hebben er terecht op gewezen dat deze overeenkomst in een afweging van alle betrokken belangen kan worden meegenomen. Wat betreft de eventuele nadelige invloed van de onthouding van goed-keuring, bestaat er geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat GS hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen”. De RvS verklaart het beroep van Schilder ongegrond.
Vragen VBN aan B&W en gemeenteraad
Waarom blijven B&W de uitspraken van GS en de Raad van State, waaruit Schilder’s zwakke juridische positie blijkt, keer op keer fout weergeven? Blijft dit zo doorgaan? Wat gaat er gebeuren aan de ontluisterende bestuurskwaliteit van dit dossier?
Vereniging Behoud Noordeinde