Plassen
Plassen
Bij mijn wekelijks bezoek aan Siem, mijn vriend in goede en slechte tijden, kwam er geen reactie toen ik aanbelde. Een snelle blik door het raam liet een lege huiskamer zien. Het verontrustte me enigszins. Normaal hoef ik nooit aan te bellen omdat Siem me vanuit zijn vaste plek al ziet aankomen.
Nog terwijl ik me stond af te vragen wat te doen, ging de voordeur van het buurhuis open en beduidde Trijn, Siem’s buurvrouw, met een zwaai dat ik naar haar toe moest komen. In beleidsnota’s zouden ze wat Trijn voor Siem doet ‘mantelzorg’ noemen, maar met zulke woorden hoef je bij Trijn niet aan te komen. Ook bij Siem niet, “die vrouw wordt nog eens mijn dood”, klaagt hij wel eens als zijn buurvrouw weer eens aan het redderen is. ndertussen laat hij het zich welgevallen en is het een traditie geworden dat Trijn voor de koffie zorgt als ik op bezoek ben en er iets lekkers bij serveert.
“Is er iets aan de hand, is hij weer depri?”, vroeg ik, terwijl ik het pad opliep. Eenmaal binnen kreeg ik het hele verhaal te horen. “Hij is met zichzelf an en kwaad op iedereen”, begon Trijn. Haar inleiding bevatte de nodige verzuchtingen over Siem’s eigenwijsheid. Die kan ik altijd voor een deel beamen. Het andere deel behoort tot de eeuwige kibbelpartijen waarin ze proberen elkaars grenzen te verleggen.
Het probleem bleek ernstig te zijn. “Hij is al twee keer thuisgekomen met een natte broek, omdat hij zijn plas niet meer kon ophouden. Dat zal hij je wel niet hebben verteld”. Het was nieuw voor me en ik trok een bezorgd gezicht. “Dat is het ergste niet”, vervolgde Trijn, “maar vorige week heeft hij een bekeuring van zestig euro gehad voor wildplassen”. Mijn wenkbrauwen maakten een vraagteken en de toelichting kwam snel. “Hij heeft aan de zijkant van de Stient tegen de muur staan plassen en twee agenten die daar boodschappen hadden gedaan, hebben het gezien en hem een bekeuring gegeven.”.
Onwillekeurig moest ik lachen. Siem kennende, was hij nu in alle staten. Vermoedelijk had hij al een advocaat gebeld met de vraag of agenten tijdens hun lunchpauze wel bekeuringen mogen uitdelen. Vermoedelijk was hij nu bezig met een brief op poten aan de burgemeester om zich te beklagen over het gebrek aan openbare plasgelegenheden en dienstklopperige agenten. Maar dat had ik mis.
“Hij ligt in zijn bed en is niet van plan om er uit te komen”, zei Trijn. Dat was een probleem. Bij Siem was het niet ongewoon dat hij een paar dagen in bed verbleef, maar het was altijd aan ons om te raden of het een mokkende protestactie was of het begin van een depressieve periode. “Hij ligt te mokken”, raadde ik op goed geluk. En Trijn die het gedrag van Siem kan lezen als een boek, bevestigde het.
We wisten nu wat ons te doen stond en samenzweerderig begonnen we aan een brief aan de ondernemers van de Stient. We schreven dat het een schandaal was dat in zo’n modern winkelcentrum er geen gemakkelijk toegankelijke toiletgelegenheid was. Dat er alles te koop was om onze dagelijkse behoefte te bevredigen, maar niet om onze behoeften te doen. Op aandrang van Trijn kwam er in te staan dat vooral vrouwen daar behoefte aan hebben.
Opgetogen over het manuscript gingen we op bezoek bij Siem. Aan de grijns op mijn gezicht moet hij geraden hebben dat we over zijn problemen hadden gepraat. “Als jullie maar niet denken dat ik een luier om doe”, gromde hij vanuit zijn bed”. Toen ik het schuldige gezicht zag van Trijn, doorzag ik de hele situatie.
“Je hebt groot gelijk”, beaamde ik, “maar als je met je eigenwijze kop belooft dat je voortaan eerst het toilet bezoekt voor je de deur uit gaat, beginnen we een actie. ‘Actie’ is een woord waarmee je bij Siem altijd weer kleur op zijn wangen krijgt. Ik gaf hem de brief. Nadat hij die gelezen had, keek hij me aan: “Denk je dat ze daar wakker van liggen bij de Stient?, die gaat regelrecht de prullenbak in. Je bent weer aan het schrijven, maak er maar een stukkie van voor de Nivo, daar zijn ze banger voor”
Daarna werden we verzocht op te hoepelen, want hij ging zich aankleden.
Peter Louter